Voorleesverhalen voor kinderen

Droomboot
Een kleine jongen in een mooi blauw matrozenpakje, staat aan het roer van een hele mooie droomboot. Hij stuurt zijn vliegende boot door de nacht, en haalt één voor één de slapende kindertjes op. In de boot zitten de kindertjes keurig naast elkaar en kijken hun ogen uit. Ze vliegen tussen de slapende wolken door, en zien de sterren glinsterend naar hun lachen. Zo nu en dan zien ze een ster die zich achterover laat vallen, en een sliert van goudstof achterlaat.

De wind
Er was op een dag dat de wind met de donkere wolken speelde. Ze waren onafscheidelijk. Ze waren één, en waar de donkere wolken heen gingen, daar was de wind ook. Tot op een dag de wind zag dat de zon scheen en zij even stilviel. “Wij ben jij?” vroeg de wind en keek de zon nieuwsgierig aan. “Ik ben liefde”, lieve wind. “Wat is liefde?” vroeg de wind weer. “Liefde is gewoon liefde, voel maar.”

Het tranenmeer
Heel lang geleden woonde er in een heel mooi land een kleine Eenhoorn. Dit kleine Eenhoorntje was heel erg brutaal. Hij wilde nooit luisteren naar zijn vader en moeder en ging altijd zijn eigen weg. Hij woonde in het Elfen-rijk en in het Elfen-rijk was geen gevaar, dus wat kon hem gebeuren. Op een dag was hij weer brutaal. Hij luisterde weer niet naar zijn ouders en liep verder het Elfen-rijk in. Hij wilde dit keer verder lopen dan al die keren daarvoor, en hij ging wat sneller lopen.

De grijze muis en de Kabouter
Als de zon wat hoger aan de hemel staat, en de eerste vlinders fladderen van bloem naar bloem, komt er een heel lief oud kaboutermannetje naar buiten zijn huisje uitgelopen. Hij woont daar samen met een oude grijze muis in een holletje onder de stam van een dikke eik. Het oude kaboutermannetje staat voor zijn huisje en kijkt eens naar de lucht. Het beloofd een bijzondere dag te worden.

Alles is fantasie
Mijn vader is de koning van fantasieland en mijn moeder is de hoogste fee van Feeënland. Ik ben hun kleine prinsesje en wij zijn heel gelukkig met elkaar. Elke dag kijkt mijn vader over zijn rijk en overziet zijn volk. Hij kijkt dan bedenkelijk en laat één van zijn lakeien komen om het probleem wat hij heeft gezien op te lossen. Mijn moeder regeert vanuit het grote woud. Daar leeft ze samen met haar zusters. Eén keer per jaar komen mijn vader en mijn moeder samen.

Het sprookjesbos
Een klein konijntje met de naam Walter zat aan de waterkant. Hij keek verdrietig naar beneden. Hij zag zichzelf in de weerspiegeling van het heldere water. Een traan liep over zijn konijnenwangetje naar beneden en viel zachtjes in het water. Hij zag dat de traan die van zijn gezichtje afgevallen was, rimpels maakte op het wateroppervlak. De rimpels zorgden ervoor dat het beeld dat hij van zichzelf in het water zag vervaagde.

Bang in het donker
Hier niet heel ver vandaan woonde een jongetje en hij heette Marik. Marik was een heel lief jongetje. Iedere dag hielp hij zijn moeder met de afwas en ruimde zijn kamer netjes op, wanneer hij er had gespeeld. Ook at hij zonder te klagen zijn spruitjes op die hij bij het avondeten moest eten. Toch was er iets met Marik, hij had vaak verdriet en was vaak bang. Als hij bang was ging hij huilen, heel hard huilen.

Konijnenvriend
‘Hier ben ik!’ riep een jongen. Het meisje zocht, maar kon hem niet vinden. ‘Joehoe, hier achter de rots!’ riep de jongen weer. Het meisje, dat achter een struik stond, liep naar de rots, die midden in de duinen lag.

Mooie grote ster
Er was eens een ster, een mooie grote ster. Deze ster was zo groot, en zo mooi, dat ze de hele dag riep, “wat ben ik mooi, wat ben ik mooi!" Er kwam geen eind aan, alleen als ze wat moe begon te worden, Dan rekte zij zich uit en begon weer opnieuw te roepen.

Sprookje
Het was koud, de regen sloeg tegen de ramen. Een meisje en een jongetje stonden voor het raam. Ze hadden beiden hun neusjes tegen het raam gedrukt. De warme adem die uit hun mondjes en neusjes tevoorschijn kwam, zorgde ervoor dat het raam besloeg. Met hun vingertjes tekenden ze ieder een hondje op de ruit. Hun hondje was nu in de Hemel en speelde nu met andere hondjes en was gelukkig. Maar het jongetje en het meisje misten hem zo. Soms huilden ze nog stiekem om hem.