De kleine Engel


In het hemelrijk woonde een klein Engeltje. Maar dit Engeltje verveelde zich zo.

Als de andere Engelen haar een opdracht gaven, deed ze dit met al haar liefde.

Maar daarna verveelde zij zich weer. Ze zat met haar beentjes bungelend over de rand aan het einde van het hemelrijk.

Ze kon nu goed naar de mensen kijken, die daar beneden waren.

Ze vond het verdrietig hoe deze mensen leefden.

‘Was daar dan helemaal geen liefde?’ Zei het Engeltje zacht.

Een gouden Engel kwam naast haar zitten en keek ook naar beneden.

‘Ja, wat triest hè. Soms is het er heel erg, dan zijn ze oorlogje aan het spelen en waarom?

Om nog meer land, een ander geloof, maar ook om olie of andere grondstoffen die ze allemaal uit die prachtige planeet halen.

Kijk daar! Daar gaat weer een raket de lucht in. Deze zijn gevaarlijk voor mens, dier en planeet.’

Het kleine Engeltje begon te huilen; ‘Maar kunnen wij dan niets doen?’ Snikte ze.

‘Jawel, maar ze moeten ook van hun fouten leren. Soms duurt het eeuwen voor ze door hebben dat oorlog voeren geen zin heeft.’

‘Ik zie ook zoveel armoede.’ Zei de kleine Engel.

‘Ja, dat is ook niet nodig, maar ze zien de oplossing gewoon niet. Of ze willen het niet zien omdat geld en macht nog erg belangrijk voor hen zijn.

 Zolang deze mensen nog spelletjes met elkaar blijven spelen zal er weinig veranderen.

Kom, ik zal je terug brengen.

Later als je groot bent zal je alles nog beter begrijpen.’

De gouden Engel nam de kleine Engel bij de hand en samen liepen ze het dierenrijk binnen.

‘Dit is de dierenhemel, wij kunnen hier wel wat hulp gebruiken.’

De kleine Engel was blij, blij met haar nieuwe werk.

Nu hoefde ze zich niet meer te vervelen.

‘Kijk!’ Zei de gouden Engel. ‘Door die poort komen de huisdieren binnen.’ En hij wees naar een poort.

‘En in die poort komen de vogels binnen’.

De kleine Engel zag, dat ze vanuit deze poort zo het hemelrijk in vlogen.

‘Door die poort komen de wilde dieren.’ En de kleine Engel zag tegelijkertijd een tijger naar binnen komen.

‘Ach, arm dier.’ Zei de gouden Engel en hij zuchtte.  ‘Er zijn er al zo weinig op de planeet Aarde.’

‘De vissen zwemmen gelijk door een poort naar onze hemelse wateren.’ En ze zagen hoe een walvis met jong een grote sprong maakte in het helende water.

‘Wij willen graag dat jij ons helpt bij de huisdieren.

Deze beestjes hebben met de mens samengeleefd en de meeste huisdieren missen hun baasje heel erg.

Jij gaat ze samen met een groepje andere Engelen helpen.

Jij gaat ze begeleiden. Samen bezoeken jullie hun baasjes op de planeet Aarde, zodat mens en dier langzaam afscheid van elkaar kunnen nemen, totdat het verdriet over is.’

‘Mag ik naar de planeet Aarde?’ Vroeg de kleine Engel verbaasd.

De gouden Engel glimlachte. ‘Ja, jij mag naar de planeet Aarde om mens en dier te helpen.’

‘Maar, ik zal de eerste keer mee gaan. Kijk, daar komt net een huisdier binnen.’

Samen liepen ze naar de poort.

Een hond met dikke korte pootjes en lange flaporen keek verschrikt om zich heen.

De kleine Engel bukte zich en sloeg haar zachte vleugels om haar heen.

‘Welkom mijn vriendin. Ik zal je helpen nu je hier in het dierenrijk bent.’

De hond huilde zachtjes.

‘Wij zullen eerst een fijn mandje voor haar gaan zoeken. Kom je mee?’

De kleine Engel tilde het hondje op en het hondje legde haar hoofd op de schoudertjes van de kleine Engel.

‘Ik denk dat dit wel een fijn mandje voor haar is.’ De gouden Engel zette een roze mand met gekleurde bloemen neer.

De kleine Engel legde het hondje voorzichtig in de mand.

Uit het niets haalde de gouden Engel wat edelstenen tevoorschijn en liet deze zweven boven de hond.

‘Als alle stenen straks verdwenen zijn is ze weer een blije hond en is ze er klaar voor om afscheid te nemen van haar baasjes.

De kleine Engel bleef kijken naar de hond en al die prachtige edelstenen die haar nieuwe vriendin zouden gaan helpen.

Na enige tijd verdween de eerste steen en was zomaar in het niets verdwenen.

Even later verdwenen ook de andere stenen en de hond zag er nu vrolijk uit.

Haar vacht glom en ze was niet meer verdrietig.

‘Ben je klaar voor een reis terug naar je baasjes?’ Vroeg de gouden Engel aan de hond.

De hond kwispelde met haar staart en was dolgelukkig.

Samen met de kleine Engel gingen ze naar de Aarde.

Er was maar één weg. Maar welke weg het is? Dat mag de schrijfster van dit verhaal niet verklappen.

Toen ze op de Aarde aankwamen gingen ze direct door naar het huis van haar baasjes.

Haar bazinnetje zat te huilen op het bankje onder de boom.

Hier hadden ze bewust afscheid van elkaar genomen.

Een vlinder had hen verteld, dat het niet meer zo lang zou gaan duren, voordat de hond naar het dierenrijk zou gaan.

Ze wisten het allebei.

De hond ging naast de vrouw op het bankje zitten en legde zijn kop op haar schoot.

De vrouw glimlachte door haar tranen heen.

‘Ik voel je mijn lieve vriendin.’ Zei de vrouw zacht.

De kleine Engel die dit alles had aanschouwd, huilde zachtjes met de vrouw mee.

De gouden Engel sloeg een vleugel om haar heen en zei; ‘Dit is toch prachtig om te zien hè, zoals mens en dier één kunnen zijn met elkaar.’

De kleine Engel knikte en glimlachte door haar tranen heen.

De hond stond op en sprong van het bankje. Ze keek nog één keer om naar “het vrouwtje” en liep daarna het huis binnen.

Haar vriendje, die zij achter had moeten laten, zag haar binnenkomen en begon meteen te kwispelen.

De hond liep naar hem toe en met de neuzen tegen elkaar aan, stonden ze secondenlang stil.

De hond had afscheid genomen van haar vriendje en liep nu naar het baasje.

Hij zat in een stoel en staarde voor zich uit.

Opeens zag hij haar in een flits en hij wist dat zij afscheid van hem kwam nemen.

Hij huilde zachtjes en de hond legde zijn kop op zijn schoot.

‘Zijn verdriet is te groot.’ Zei de gouden Engel.

Dat betekent, dat wij nog enkele keren teruggaan naar haar baasjes.

Net zo lang totdat hun verdriet over is.’

De kleine Engel had dit alles met betraande ogen bekeken en ze omhelsde de hond die nu ook verdrietig was.

‘Kom we gaan.’ Zei de gouden Engel en langs dezelfde weg kwamen ze terug in het dierenrijk.

De kleine Engel legde de hond weer voorzichtig terug in haar mandje. Ze pakte een paar stenen uit het niets en liet ze boven de hond zweven.

De hond herstelde en de stenen verdwenen één voor één. ‘Breng haar nu maar naar de andere honden.’ Zei de gouden Engel.

Ze tilde de hond op en bracht haar naar een groot grasveld.

Daar liepen allerlei honden en ze keken naar de nieuwe vriendin, die straks met ze mee zou komen spelen.

Ze zette de hond op de grond en de hond keek haar dankbaar aan. Ze was blij en speelde zoals ze nog nooit gedaan had.

‘Morgen gaan we weer terug naar haar baasjes. Dit doen we net zolang, totdat alle verdriet is opgelost’.

De kleine Engel was blij en bedankte de gouden Engel voor het krijgen van zo’n mooie taak.

En ze keek naar haar nieuwe vriendin, die liggend op haar rug door het gras rolde van blijdschap.

 

© Jolanda Rhijnsburger