De ontmoeting


Een oude man zat voor het raam, hij keek naar buiten.

Het was Zondag en bezoekuur was net voorbij.

De hele dag had hij in zijn zondagse kleding op de uitkijk gezeten.

Kijkend vanuit het raam, naar de parkeerplaats beneden.

Telkens als er een auto aankwam, veerde hij heel even omhoog vanuit zijn stoel en keek naar beneden.

Hij keek of het bezoek voor hem was.

Nu was het vijf uur en weer was de Zondag in stilte voorbij gegaan.

De oude man stond op, ging achter zijn rollator staan en liep ermee de keuken in. Smeerde voor zichzelf een boterham en schonk een glas melk in.

Zette dit op zijn rollator en reed de kamer weer binnen.

Hij zette zijn bordje en beker op de tafel en ging zitten.

Kruiste zijn handen en begon te bidden.

 

‘Vader, mijn tijd zit er op.’

‘Mijn taak als vader heb ik volbracht.’

‘Ik ben een goede en lieve man voor mijn vrouw geweest.’

‘Wij hebben vele mooie jaren samen gehad.’

‘Maar mijn leven is nu voorbij.’

‘Ik weet wat liefde is.’

‘Ik weet wat verliezen inhoudt.’

‘En weet wat armoede en welvaart is.’

‘Ik heb het allemaal meegemaakt.’

‘Ik weet hoe het is, om omringd te worden met prachtige lieve mensen.’

‘En heb zojuist “het alleen zijn” doorleefd.’

‘Het is allemaal goed geweest.’

‘En heb er veel van geleerd.’

‘Ik heb mijzelf, en anderen vergeven en nu ben ik klaar.’

‘Vader?’ Mag ik alstublieft naar huis?’

‘Amen.’

 

De man veegde met zijn zakdoek de tranen van zijn wangen.

Het was genoeg geweest.

Hij ruimde zijn bordje en zijn beker op en kleedde zich uit.

Trok zijn pyjama aan, deed het licht uit en kroop in bed.

Voor hij zijn ogen sloot zei hij: ‘Vader, ik ben er klaar voor.’

De oude man sloot zijn ogen en langzaam voelde hij dat hij uit zijn lichaam kwam.

Hij wilde heel even terug, maar een stem weerhield hem daarvan.

‘Dag mijn lieverd, ik heb op jou zitten wachten.’

De oude man keek om.

Hij zag zijn vrouw staan.

Zij was al over het lijden heen gegaan.

Blij was de oude man, en kuste zijn vrouw.

Hand in hand liepen ze met z’n tweeën naar het witte licht.

‘Welkom!’ Zei een stem.

‘Vanaf hier gaat u met mij mee.’

De oude man wilde zijn vrouw niet loslaten, maar de vrouw zei: ‘Ga met deze Engel mee, het is goed, ik zie je straks weer.’

Samen met de Engel ging hij naar een ruimte.

Een ruimte, waar hij even mocht uitrusten van het aardse bestaan.

De Engel zei: ‘Als u goed bent uitgerust, mag u weer naar u vrouw.’

‘Uw vrouw zit daar op een bankje te wachten.’

De man keek naar buiten en de vrouw zwaaide.

De oude man was moe, hij begon te huilen.

‘Ik ben zo moe.’ Zei hij tegen de Engel.

De Engel tilde de oude man op en droeg hem naar een kamer. Een kamer, waar speciaal voor hem een bed klaar stond. De Engel legde de oude man op het bed, en liet de prachtigste kristallen boven zijn bed zweven.

De kleur in de kamer veranderde telkens van kleur, als de oude man iets had verwerkt in zijn dromen.

Langzaam verliepen de dagen en de kleuren versprongen van kleur, totdat er een wit licht verscheen. De man werd wakker… De Engel plukte de kristallen uit de lucht en deed ze in een mandje.

Haalde wat te eten en drinken en gaf het de oude man.

Liet het bad vol lopen en legde kleren voor hem klaar.

Toen de man klaar was met eten kleedde de Engel de man uit.

Tilde hem op en liet hem langzaam in bad glijden.

Haalde uit de kast een klein flesje en liet één druppel van het elixer in het bad vallen.

De oude man voelde een energie door zich heen stromen. Een warm en tintelend gevoel.

Hij voelde zijn lichaam zo sterk worden.

De Engel pakte een spons en begon de man te wassen.

Het leek wel of de Engel al de oude pijn van zijn lichaam afwaste.

De oude man voelde zich schoon van binnen en van buiten.

De Engel hielp de man uit bad en een prachtig blauw gewaad lag voor hem klaar. De oude man trok het gewaad aan en hij voelde zich als herboren.

Heel even zag hij het silhouet van een jonge man in de spiegel.

Een man die hij herkende van toen hij de leeftijd van zesendertig jaar had. 

Hij was het zelf, alleen wat jonger.

De Engel kwam naar de man toe en overhandigde hem het mandje met de stenen.

‘In dit mandje zitten jouw stenen, zorg er goed voor.’

‘Reinig ze met koud stromend water uit die beek.’ Zei de Engel naar buiten wijzend.

‘Laat ze drogen in de zon en begraaf ze dan in de grond.

De stenen hebben hun werk gedaan. Ze mogen rusten.

‘Houd één steen altijd bij je als souvenir.’ Zei de Engel lachend.’

De man deed wat hem gezegd werd.

Toen hij terug kwam zag hij een altaar staan.

‘Waar dient dit altaar voor?’ Vroeg hij.

‘Dit altaar is voor zieke kinderen.

Wij brengen deze stenen bij hen in de nacht, zodat ze rust krijgen.’

De man vond dit een zo’n mooi gebaar, waarop hij zijn steen in de handen van de Engel duwde.

‘Ik heb hem niet nodig, maar als ik kan helpen dan heel graag.

Neem mijn steen maar aan.’

De Engel knikte en legde de steen op het altaar.

‘Ben je er klaar voor?’ Vroeg de Engel. De man knikte en samen stapten ze naar buiten.

Zijn vrouw op het bankje was weer zo jong als hij.

Glimlachend en met tranen in de ogen vlogen ze elkaar in de armen.

Gearmd liepen ze weg om de hemel te verkennen.

De Engel draaide zich om en tevreden liet hij de hemel doen zingen.

 

© Jolanda Rhijnsburger.