De opgestegen meester.


Lang geleden woonde er in de bergen een oude man.

Deze oude man was oud en alleen.

Zijn hele leven had hij al in de bergen gewoond en hij kon zich goed redden.

Hij leefde van de natuur.

Maar op een dag, het was een paar dagen voor kerst, gebeurde er iets vreemds.

Hij probeerde op te staan maar het lukte hem niet.

Wat de oude man ook probeerde hij kwam niet overeind.

Zo kwam het, dat hij aan het eind van de dag nog in zijn bed lag.

Hulp had hij niet.

Er kwam eigenlijk nooit iemand langs voor een praatje.

Hij zal niet gemist worden, dat wist hij zeker.

De volgende dag probeerde de oude man het nog eens.

Maar nog steeds kon hij niet opstaan.

Hij had al in zijn bed geplast.

Het was nu koud in zijn huisje. Zijn kacheltje was uitgegaan.

Zijn mond was droog, hij had dorst.

De oude man was moe van het worstelen en hij was bang om alleen dood te gaan.

Hij was zo alleen en hij was zo bang!

De derde dag probeerde hij het nog eens.

Zijn lichaam was verslapt en uitgeput.

Weer lukte het hem niet om uit zijn bed te komen.

De oude man had zichzelf nu helemaal bevuild en hij was zo bang.

Zijn lippen waren gebarsten en de winterkou was zijn huis binnen gedrongen.

Bloemen stonden op de ramen.

En de zon scheen lauw tegen het raam aan.

Met zijn gekromde vingers ging hij over de ijsbloemen.

Het vocht, wat aan zijn vingers bleef hangen, zoog hij met zijn mond naar binnen.

Het enige wat hem nog in leven hield, waren de bloemen op het raam.

De vierde dag probeerde de oude verzwakte man het nogmaals.

Door zijn vermoeidheid en uitdroging zag hij in, dat hij deze strijd moest gaan opgeven.

De dag voor kerst keek hij de hele dag naar de ijsbloemen op het raam.

En hij voelde dat ze hem kwamen halen.

Hij had ze al gezien, de Engelen.

Maar ze waren nog niet verder gekomen.

Ze hadden alleen nog maar gekeken.

Het werd kerstnacht.

De kamer was donker de vrieskou had nu ook de oude man gevonden.

De man keek naar het raam.

Een schim van de maan scheen over de ijsbloemen op het raam.

De mond van de oude man was droog, maar zijn ogen waren nat.

Tranen gleden uit zijn ogen en hij wist dat hij ging sterven.

En hij sloot zijn ogen.

Hij zag licht, prachtig helder licht.

Hij keek naar het licht en zag, dat hij nog steeds in zijn huisje was.

Zijn kacheltje brandde nu zachtjes en op het fornuis stond verse koffie te pruttelen.

Op het aanrecht stond een vers gebakken brood met boter en jam.

Aan tafel zat een man, een jonge man.

De oude man keek naar de jonge man en de jonge man keek terug.

De jonge man begon te glimlachen, stond op van de tafel en liep op de oude man af.

De oude man wilde gaan praten, maar de jonge man zei dat hij niets moest zeggen.

‘Praten doen we later.’ Zei hij.

De jonge man tilde de oude verzwakte man uit bed.

Kleedde hem uit en liet de man in een warm bad zakken.

Met liefde waste hij de oude man schoon.

Het kaarslicht en het warme water zorgden ervoor, dat de oude man kon ontspannen en zich over kon geven aan wat er gebeurde.

Toen de oude man schoon was, trok de jongeman de oude man een prachtig pak aan.

Hij knoopte de oude vieze kleding bij elkaar en verbrande het in de kachel.

De jonge man tilde de oude man op en zette hem aan tafel.

Schonk de verse koffie in en sneed een plak brood.

Deze beboterde hij en deed er een lepel jam op.

Kleine stukjes brood gaf hij de oude man te eten.

Kleine slokjes koffie kreeg de oude man te drinken.

En de man begon aan te sterken.

Al die tijd werd er geen woord gesproken.

De jonge man ging tegenover de oude man zitten en begon te praten. Hij zei:

‘Ik ben al die tijd bij u geweest, in mijn hart, in mijn geest, en in mijn ziel.

Maar ik kon niets voor u doen.

U liet niemand toe in uw huis.

Nu bent u over het lijden heen, u bent weer thuis, en alles is nu voorbij.’

De oude man was opgelucht.

‘Maar woon ik hier nog steeds.’ Zei de oude man.

De jonge man knikte.

‘Kijk eens in de spiegel,’ Zei de jonge man en de oude man stond op.

Hij keek en zag een man van rond de 40 jaar in de spiegel staan.

Hij zag er goed uit vond hij zelf en hij was verbaasd.

De jonge man begon te lachen.

‘Dit is de leeftijd, waar jij het gelukkigst was. Dit lichaam is wie jij bent.

Een opgestegen Meester van deze wereld.

Je hebt het volbracht!!

Jouw huis zal altijd open staan.

Jouw licht zal altijd schijnen.

Jouw liefde zal altijd gevoeld worden door iedereen die jij aanraakt.’

Samen liepen ze naar buiten, het was eerste kerstdag.

En de mensen en kinderen hadden er een verlichte Meester bij.

Een meester die hen zou helpen op het levenspad.

 

 

Geschreven door Jolanda Rhijnsburger.


 

Wilt u ook een reactie achter laten?

 Dan bent u van harte welkom in mijn gastenboek!

Commentaren: 0