De zwarte nacht van de ziel


Een klein meisje ligt in haar bedje te slapen.

Opeens schrikt ze op en stapt haar bedje uit.
Ze doet haar jurkje en schoentjes aan en loopt de trap af naar beneden.
Doet de voordeur open en loopt naar buiten.
Als ze op het zandpad aankomt loopt ze richting het bos. Het bos is vlak bij haar huis.
Aan het einde van de zandweg is de ingang van het bos.
Zodra het meisje het bos inloopt, zijn daar de eerste elfjes al om haar te begroeten.
Ook de vogeltjes vlogen rond haar en waren blij.
De reetjes sprongen van plezier voor haar uit op het zandpad. Langzaam liep ze van de ene wereld de andere wereld binnen en het meisje vond het heerlijk.
Telkens kwam ze andere bijzondere wezens en dieren tegen, die dan weer een eindje met haar meeliepen en haar op haar weg begeleidden. 
Diertjes en wezens die ze nog nooit had gezien en waar ze de naam niet van wist.

Ze was al in alle werelden geweest en ze had al heel veel vrienden gemaakt, behalve in die ene wereld. Daar was ze nog nooit geweest.
Dat was een wereld waar iedereen over sprak.
Maar er was nog nooit iemand verder gekomen tot aan deze wereld.
Ze hadden wel verhalen gehoord, maar of die nu verzonnen waren of werkelijkheid, daar kon niemand een echt antwoord op geven.
Het meisje bleef lopen. Het werd langzaamaan stiller en het werd donkerder.
Ze hoorde vreemde geluiden om zich heen, maar ze zag niets.
Alleen de weg voor haar was nog iets verlicht.
Het meisje bleef lopen en enge monsters probeerden haar bang te maken, maar het meisje werd niet bang.

Spinnen, slangen, spoken, hele enge monsters probeerden haar van haar pad af te duwen maar het meisje ontweek ze allemaal en bleef stug doorlopen.
Ze voelde beestjes kruipen over haar lichaam en ze voelde allemaal handen die haar betastten, maar het meisje sloeg het weg en liep weer gestaag verder.
Het pad veranderde van een harde ondergrond naar mul zand en het lopen werd zwaarder.
Het begon te regenen en het zware zand werd drijfzand, het zoog aan haar korte beentjes.
Ze wilde verder lopen maar het zand zoog haar nog verder naar beneden.
Het meisje probeerde de kant vast te grijpen maar het lukte niet.
Heel even sloeg de paniek haar om het hart, maar snel corrigeerde ze zich weer. 
Ze werd rustiger en langzaam liet ze het drijfzand beslag op haar krijgen.
Ze gaf zichzelf over en doordat ze zichzelf overgaf, was ze sneller aan de andere kant.

Weer was daar een pad en ze liep verder en weer waren er enge dingen die op haar af kwamen.

Een tijger stond plots voor haar met een brullende bek en hij kwam op haar af lopen.
Rennen had geen enkele zin en als ze liet merken dat ze bang was, zou hij haar in stukken scheuren. 
Het meisje bleef staan en liet alle liefde die ze had stromen. 
Om haar heen hing een licht van liefde en de tijger brulde wel, maar liep in een langzame beweging langs haar heen. 
Het meisje was opgelucht, want ze begreep heel goed wat er aan de hand was.
Dit was de zwarte nacht van de ziel en als ze rustig bleef en niet in paniek zou raken, dan had ze een kans om in die laatste wereld te komen.
Het meisje liep verder, nog steeds was het donker en opeens was het pad weg.
Alleen de duisternis was om haar heen.
Ze wilde terug gaan maar toen ze zich wilde omdraaien zat daar op een steen een grote dikke slang.
De slang kroop van zijn steen en sleepte zijn logge lijf naar het meisje toe.
Vlak voor haar kwam hij omhoog.
Zijn ogen keken in die van het meisje en hij opende zijn bek.

En net op het moment dat hij toe wilde slaan sprong het meisje de duisternis in. In een vrije val, viel ze naar beneden.
In het donker, niet wetend wat er was gebeurd, niet wetend wat er komen zou, bleef ze maar vallen.
En ook hier begreep het meisje dat ze rustig moest blijven en niet bang moest zijn.
En ze ontspande zich en viel en viel en viel…
Opeens was het licht. Ze zag een pad, wat zich voor haar uitstrekte en vanuit het niets begon ze weer te lopen.
Vlinders dwarrelden weer om haar heen, vogels vlogen voor haar uit en ze beleefde hetzelfde pad opnieuw.

Totdat ze weer bij de rand van de onbekende wereld was aangekomen.
Het was stil op het pad maar de duisternis was nog niet begonnen.

Het was daar stil en vredig.
Ze kende dit gevoel niet, ze kon het ook niet benoemen.
Ze liep verder, totdat ze op een groot plein was aangekomen.
Op het plein stonden alleen maar Hemelse Wezens in prachtige gewaden.
Ze waren blij en juichten van plezier.
Ze omhelsden haar en zoenden haar wangetjes van blijdschap.
Ze had het gehaald en de wezens om haar heen leerden haar daarna wat ze mocht leren uit deze wereld.

Totdat de deur open ging. Daar stond haar moeder in de deuropening.
Het meisje werd rustig wakker met een glimlach om haar mond.
Ik heb heerlijk geslapen mama. Moeder gaf haar kind een zoen op haar voorhoofd.
Vanuit de hoek keken de Hemelse Wezens naar haar.  

Zij zag ze ook en wist, dat ze nooit alleen zou zijn.

 

© Jolanda Rhijnsburger