Deur tussen twee werelden


Het waren niet de sluieren die de grens aan gaven van twee werelden, maar het was een deur.

Precies zo’n deur, zoals ieder van ons in huis heeft.

Ze deed de deur open en keek in een landschap vol met heuvels, struiken en bomen.

De kleuren waren helderder, de lucht was zachter en de zon scheen net iets feller dan hier op Aarde.

Voorzichtig deed ze een stapje naar voren, daarna nog één en langzaam liep ze vooruit en keek bewust en vol belangstelling om zich heen.

Toen ze een aantal meters van de deur af was keek ze nog eens om.

De deur was niet meer te zien en een landschap tekende zich af aan de horizon. Op het moment, dat ze besefte dat ze niet meer terug kon, hoorde ze geritsel in het struikgewas.

Ze keek een beetje terughoudend in de richting van het geritsel en wachtte op wat komen zou.

Een jongen kwam uit de stuiken, een jongen met een brede lach op zijn gezicht.

Hij kwam op haar toegelopen en zijn voetstappen maakten ritselende geluiden op de grond.

Hij was geen gewone jongen, nee, hij was half mens en half paard.

De jongen maakte een diepe buiging en begon te praten; ‘Welkom in deze wereld!’ Hij lachte er breed bij.

Het meisje begreep het niet en vroeg; ‘Maar hoe kan dit, hoe kom ik hier terecht?’

De jongen ging weer rechtop staan en begon te vertellen; ‘Je bent hier al vaker geweest en je hebt menig maal over ons geschreven. Wij hebben jou toen kleine stukjes laten zien van deze wereld en een verhaal gegeven om erover te schrijven.

Weet je nog dat je weleens ging zwemmen met dolfijnen en walvissen en lol had met de meerminnen als je je eenzaam en alleen voelde? Op dat moment was je dan bij ons.

Jij hoort bij ons, jij bent net als wij, jij komt bij ons vandaan’.

Het meisje was stil, tranen rolden over haar wangen. ‘Is dit mijn thuis?’

De jongen knikte; ‘Ja, dit is je thuis.’

Kom, dan laat ik je thuis zien, hij zakte door zijn benen en het meisje klom op zijn rug.

Boven op zijn rug zag alles er nog mooier uit, ze kon nu nog veel verder kijken. Ze zag meren en zeeën en schitterende wouden met de prachtigste bomen.

De jongen begon langzamer te lopen en begon te vertellen;

‘Deze wereld is totaal anders dan waar jij nu vandaan komt.

Hier is geen angst, haat, jaloezie, geen macht of geld. Nee, hier is iedereen gelijk. Wij hebben dat soort emoties ook niet meer nodig.

Wij gebruiken geen woorden die verkeerd begrepen kunnen worden of een ander pijn kunnen doen, maar wij communiceren met energie en beelden die alleen maar mooi zijn.

Er zijn veel verschillende wezens in deze wereld, maar wij zien dat niet zo.  Voor ons is iedereen gelijk, niets meer en niets minder.

Een spin heeft net zoveel plezier hier als een Engel of een dolfijn.

Wist je dat slangen ontzettend grappige wezens zijn?’ De jongen draaide zich even om en keek naar het meisje.

Het meisje schudde van nee, bij ons worden slangen door vele mensen griezelig gevonden.  

De jongen schudde zijn hoofd, jammer dat zulke werelden nog bestaan. Het was allemaal niet nodig geweest. Maar ja, die wereld houdt van herhalingen en zal dat blijven doen totdat het zich bewust wordt, dat het zich steeds blijft herhalen. Dan pas kan het stoppen en veranderen.

‘Kom!’ En de jongen ging iets sneller lopen. ‘Ik wil je aan iemand voorstellen. Hij zit al op ons te wachten.’

Hij liep richting een huisje, dat aan de rand van een groot bos stond. Eenmaal aangekomen zakte de jongen door zijn knieën en het meisje stapte af.

De deur van het huisje ging open en een wat oudere man stapte naar buiten. Ook op zijn gezicht was een brede glimlach te vinden.

‘Welkom mijn kind, heb je een fijne wandeling gehad?’

Het meisje knikte van ja en langzaam liepen ze de veranda op. Daar stond een bankje. De oudere man bood aan, om op het bankje te gaan zitten.

De jongen die haar gebracht had bleef achter.

Het mesje ging zitten en keek over het landschap.

Voor haar zag ze een trap van stukken steen.

Ze volgde de trap naar beneden in het dal, maar ze kon het einde er niet van zien.

De oude man glimlachte; ‘Je hebt de trap al ontdekt zie ik.’

‘Ik zal je wat vertellen over deze wereld, een wereld waar jij ooit deel van uit hebt gemaakt.’

Het meisje wilde wat vragen, maar de man deed zijn vinger op zijn mond waarmee hij aangaf, dat ze niets moest zeggen en allen moest luisteren. ‘Jij hebt hier lang geleden gewoond net als alle anderen die hier nu nog wonen.

Jij hebt de scheiding tussen twee werelden ontdekt.

Je hebt wel gemerkt dat de jongen wel met jou kan praten net als ik. Wij wonen en leven op de rand van deze twee werelden.

Wij kunnen, als wij willen, zo die deur door.

Hoe dichter bij de rand, hoeveel meer je kunt beleven van de andere wereld. Jij ontdekte nieuwsgierigheid, maar ook verdriet en angst.  

Je was al gevangen in die wereld, maar je leefde nog hier.

Dat zorgde voor jou, voor een hele vreemde gewaarwording. Je hoorde niet meer thuis in deze wereld en je voelde je niet thuis in de andere wereld.

De cyclus was begonnen, ook voor jou.

Je moest je laten zakken in de werelden en zo proberen de cirkel van alle emoties te doorbreken.

Je moest je eigen sluieren weer weg halen en niet meer meedoen aan alle spelletjes die de mensen met elkaar spelen.

Je hebt het gehaald. Je hebt je oude vertrouwde wereld teruggevonden en nu gaan wij er samen voor zorgen, dat je weer deel kunt nemen aan deze wereld, een wereld zonder angst, haat, jaloezie en macht.

Op elk moment van de dag mag je langskomen, de jongen zal je bij de deur opwachten.

Hij zal je naar mij toe brengen en ik zal je onderwijzen. Ik zal je onderwijzen in afleren.

Ik zal je leren bewuster te worden, ik zal je leren te focussen waardoor er geen gedachten meer in je opkomen.

Geen gedachten van verdriet, pijn of angst. Ik ga je net zover opleiden totdat je niets meer van je oude leven nodig hebt en hier een leven kan leven vol liefde, plezier en geluk.

Het meisje was ontroerd, ze hulde zachtjes van geluk.

Eindelijk thuis, eindelijk liefdevolle wezens die ook van haar hielden.

Geen strijd meer, niet meer overleven. Een zucht van verlichting kwam uit haar mond.

De oude man lachte blij en omarmde haar. ‘Welkom thuis meisje, welkom thuis!’

De man stond op en liep samen met het meisje naar de jongen.

De jongen zakte door zijn benen en het meisje klom op zijn rug.

‘Tot morgen!’ Riep de man toen ze wegreden.

De jongen ging sneller lopen tot hij remde.  

Hij lachte en was blij.  

Het meisje op zijn rug was thuis en hij zou er alles aan doen, zodat ze nooit meer terug hoefde, nooit!

 

© Jolanda Rhijnsburger.