Een andere wereld


‘Hoor jij dat ook?’ Zei moeder tegen haar dochter.
Heel in de verte had moeder een plons in het water gehoord.
‘Ga jij eens kijken of je wat ziet?’ Vroeg moeder weer.
Het meisje kroop uit de zandbak, veegde met haar handjes haar knietjes schoon en liep naar het meer.
Het meer was groot en lag tussen een paar grote bergen in.
In de zomer waren hier veel vakantiegangers. Zij kwamen hier dan plezier maken. Maar nu was het herfst en was alles stil.

De bewoners hadden dan het dorp en het meer weer voor zichzelf. 
Het meisje liep langs het meer.

Ze keek over het meer, of ze iets zag of hoorde, maar alles was stil.
Af en toe vloog er een vogel over, maar verder was het rustig.
Het meisje wilde net weer naar haar moeder teruglopen, toen ze een plons in het meer hoorde.
Ze keek snel in de richting van waar het geluid vandaan kwam, maar zag niets. Ze besloot wat dichterbij te kijken en ze liep richting een grote groep rotsen, die aan de oever van het meer opgestapeld lagen.
Voorzichtig sprong ze van steen naar steen.
Toen ze bij de laatste steen was aangekomen was ze al een eindje van de waterkant verwijderd.
Het was langs de kanten erg diep. Dat kon ze zien aan de kleur van het water. Dat was donker.
Opeens hoorde het meisje heel dichtbij een plons, maar ze zag geen opspattend water.
Ze ging op een rots zitten en wachtte af. Totdat ze weer een plons hoorde, maar het opspattende water bleef weer weg.

Het was inmiddels al laat geworden. Ze moest nu echt naar huis.
Het meisje probeerde voorzichtig op te staan, maar de rotsen waren glad geworden.
Ze wilde naar een steen terugspringen, maar ze viel.
Met een plons kwam ze in het koude water terecht.
Ze hapte naar adem en ze sloeg met haar handen en benen wild om zich heen. Probeerde nog een rots vast te grijpen, maar de rots was te glad en ze gleed zachtjes naar de donkere diepte van het meer.
Plots waren daar twee handen die haar bij de heupen vastpakten en haar terug op de rots zetten.
Het was prachtig weer en de zon scheen volop.
Het was zomer, maar er waren geen bootjes en vakantiegangers.
Ze zag alleen maar helder water, veel schoner dan ze altijd gewend was.

Ze voelde de warme zonnestralen op haar huid en ze genoot van deze heerlijke plek.
Opeens besefte ze dat er iets vreemds was gebeurd.
Ze was naar de diepte van het meer gezakt en toen had ze handen om haar heupen gevoeld.
Maar wie heeft mij nu terug op die rots gezet?
Het meisje keek in het rond en zag rimpels op het water en die rimpels kwamen haar kant op.
Opeens stak er een hoofd boven het water uit..
Een vrouw van moeders leeftijd begon tegen haar te lachen.
‘Welkom mijn kind! Jij hebt onze wereld bereikt, omdat jij zo zuiver en lief bent. Jij hebt de weg tussen twee werelden gevonden. Wat fijn om je nu eindelijk te ontmoeten.’
Het meisje keek verbaasd. ‘Kent u mij?’
‘O ja, ik ken je al vanaf toen je een baby was en je moeder je meenam naar de waterkant.
Ik kon je zien spelen en ik heb je gezien als je ging vissen.
Je hebt heel veel liefde in je en daarom heb ik je toegelaten in onze wereld.
Deze wereld is hetzelfde als waar jij vandaan komt. Alleen hier leeft iedereen heel vredig naast elkaar.
Hier is geen haat, angst en geen oorlog. Hier is het schoon en iedereen is liefdevol naar elkaar toe.
Wij kunnen van de ene wereld naar de andere werelden zwemmen en soms doen wij dat ook.
Wij doen dit, omdat wij willen dat jullie weten, dat wij ook nog bestaan. Wij zijn nooit weggeweest.’
Tijdens het vertellen van de vrouw kwamen er nog meer hoofden boven water en allemaal keken ze het meisje aan.
‘Kom, ik zal je weer terugbrengen. Je moeder zoekt je.’ En ze wees naar de rand van het meer.
In een schim zag het meisje haar moeder. 
Het leek net alsof er een muur van mist tussen de twee werelden zat.

Zo af en toe zag ze een vlaag van haar moeder, die langs het meer liep. Op zoek naar haar dochter.
‘Kom, spring in het water. Ik zal je terug brengen.’ Zei de vrouw.
Het meisje sprong terug in het water.

De vrouw pakte haar weer vast bij de heupen en langzaam gingen ze dieper en dieper de diepten van het meer binnen, totdat de vrouw het meisje weer terug op de rots zette.
De vrouw deed haar vinger voor haar mond en wilde daarmee zeggen, dat ze stil moest zijn.
‘Luister.’ Fluisterde ze zachtjes. ‘Als de eerste zomerdag is aangebroken zal ik je op komen halen. 
Sta dan hier klaar. Hier op deze rots. Dan zal ik je meenemen naar mijn wereld en ik zal je ook weer thuis brengen.’ 
Het meisje knikte.
‘De eerste zomerdag onthoudt dit goed.’ Zei de vrouw nogmaals.
Het meisje knikte van ja en ze omarmde de vrouw in het water.
Met een glimlach op haar gezicht verdween de vrouw terug de diepte in.
Langzaam en heel voorzichtig liep ze terug naar de rand van het meer, waar haar moeder op haar wachtte.
Moeder wist het al. Haar dochter had haar zuster ontmoet.

Haar zuster vanuit een andere wereld. En ze glimlachte tevreden.

 

© Jolanda Rhijnsburger.