Een bakkers klucht


‘Hé, ik was eerst aan de beurt!’
Een vrouw die samen met haar man achter in de winkel stond, schreeuwde naar voren; ‘Ja, ik zag het wel, jij dringt voor, ik was eerder.’
Een meisje stond voor de toonbank, haar wangen werden rood van schaamte.
In de winkel keek iedereen nu naar haar.
‘Maar…’ Stamelde ze; ‘Ik stond hier al de hele tijd.’
‘Ik kwam achter deze meneer aan binnen.’ En wees naar de man voor haar.
‘Er was toen niemand in de winkel.’
‘Jij liegt!’ Schreeuwde de vrouw; ‘Ik stond hier al voor jou.’
‘Jij’ en ze wees naar het meisje ‘moet achter aan in de rij staan.’
De man naast de vrouw keek angstig naar beneden, hij durfde niet op te kijken.
De andere klanten waren in een clubje samen gaan staan en stonden nu met elkaar te smoezen.
De vrouw achter in de winkel stapte nu naar voren met haar man achter zich aan. De winkeljuffrouw was in de war, ze was in de war door wat er voor haar zich aan het afspelen was. En snel deed de vrouw haar bestelling.
Het meisje deed een stap naar achteren.
Ze kwam naast de man van de vrouw te staan.
Voorzichtig keek hij haar kant op.
Hij zag haar droevige gezicht, haar waterige ogen.
Hij had zo met haar te doen.
Toen keek het meisje zijn kant op en glimlachte door haar tranen heen.
De man glimlachte terug; ‘Het spijt me’ zei hij zacht; ‘Ik kan er niets aan doen.’ Ze knikte om aan te geven, dat zij hem begreep.
De vrouw voor de toonbank was klaar.
Ze draaide zich om en keek het meisje met een venijnige blik aan.
‘Kom Jan, we gaan!’ Samen liepen ze de winkel uit.
Het meisje wilde naar voren stappen maar een Heer was haar voor.
‘Mag ik van u een halfje wit, juffrouw?’
De juffrouw achter de toonbank keek het meisje medelijdend aan.
De man betaalde en ging weg.
Juist op het moment dat het meisje haar bestelling wilde doen, kwam de eerste vrouw de winkel weer binnen.
‘ Ik ben nog iets vergeten.” Zei de vrouw en ging naast het meisje staan.
‘Juffrouw, zou ik van u nog een appeltaartje mogen?’
Het vrouwtje achter de toonbank wist zich geen raad, wie moest ze nu helpen?
Er ontstond een vreemde situatie en de spanning was te snijden.
‘Mag ik van u…’
‘Nee, ik was eerst, ik ben alleen wat vergeten. Een appeltaartje alstublieft.
Op datzelfde moment komt de bakker de winkel binnen.
Hij overzag direct wat er aan de hand was.
‘Sta jij hier nog steeds kind, jij was één van de eersten in de winkel vanmorgen.’ Het meisje knikte en keek naar de vrouw naast zich.
De bakker gaf het meisje een knipoog.
‘Wat kan ik voor u beteken mevrouw?’ Zei de bakker tegen de mevrouw naast haar. Ik was nog iets vergeten bakker, ik wil alleen nog graag een appeltaartje’ Zei de vrouw op een te vriendelijke toon.
‘Die zijn allemaal uitverkocht.’ Zei de bakker.
‘Maar daar ligt er nog één.’ Zei de vrouw weer.
‘Ja, maar die is voor haar.’ De bakker keek naar het meisje.
‘Doet u mij dan maar dat slagroomtaartje.’
‘Helaas mevrouw, ook uitverkocht.’
‘Maar ik zie toch duidelijk dat er daar nog twee liggen!’
‘Ja sorry mevrouw, deze laatste twee zijn ook voor haar’ En hij keek weer in de richting van het meisje.
‘Heeft u überhaupt nog wel gebak?’ Zei de vrouw op een venijnige toon
‘Nee!’ Zei de bakker; ‘Ik ben helemaal uitverkocht.’ 
De bakker boog zich wat over de toonbank en fluisterde: ‘Het was ook zo druk vanmorgen, rijen dik, ik kon het gebak niet aanslepen.’
‘Dat kan niet.’ Zei de vrouw beledigd.
‘Ik was één van de eersten in de winkel, dat had ik moeten zien.’
‘Precies!’ Zei de bakker. ‘Dat had u kunnen zien, maar u zag het niet hè?’
‘U zag die rijen mensen niet, al die mensen, die met dozen gebak mijn deur uit liepen.’ De vrouw voor de toonbank werd boos.
‘Bakker, u wilt mij voor de gek houden!’
‘Maar mevrouwtje, waarom zou ik dat doen?’
‘Ik vertel u alleen maar, dat er voor u vanmorgen rijen mensen stonden, mensen die allemaal ‘mijn’ gebak kochten.’
‘En zij dan?’  De vrouw wees naar het meisje naast zich.
‘Zij en de man voor haar waren de laatsten van die rij en deze taarten zijn allemaal van haar.’
De vrouw kreeg het schaamrood op haar kaken, haar man die achter haar stond, gniffelde zachtjes van plezier.
De bakker pakte een paar dozen, deed daar de taarten in en gaf deze aan het meisje. Hij zei tegen haar; ‘Laat je nooit meet zo aan de kant zetten.’
‘Als één iemand dat doet, zal het je steeds weer overkomen.’
‘Kom voor jezelf op, niemand anders doet het voor je.’
En de bakker gaf haar een knipoog.
De vrouw naast haar durfde niets meer te zeggen, ze liep stampvoetend de winkel uit. ‘Zij zal het de volgende keer gewoon weer proberen, maar jij kunt deze mooie levensles nu doorbreken.
Het meisje keek de bakker dankbaar aan. Met een grote glimlach op haar gezicht liep zij de winkel uit, haar eigen feest tegemoet.

 

© Jolanda Rhijnsburger