Het werd stil op Kerstavond.

 

Het is kerstavond en een oude man keek uit zijn raam.

Hij keek over het plein dat voor hem lag.

In het midden van het plein stond een grote kerstboom met wel duizend lampjes. Ze waren er zeker drie dagen mee bezig geweest, om die boom op de juiste plaats te krijgen en om haar te versieren.

Ook de winkels rond het plein waren versierd met de prachtigste kerstversiering en overal brandden lichtjes. Behalve bij één winkeltje.

Dat was het winkeltje van zijn beste vriend.

De man voor het raam had vorige week afscheid van hem moeten nemen.

Hij keek naar het winkeltje. Hij zag geen verlichte etalageruiten en geen prachtige kerstversiering. Nee, hij zag rolluiken die gesloten waren.

De man zuchtte. Hij keek nu naar de flat aan de overkant van het plein.

Uit alle huiskamers fonkelde de kerstverlichting je tegemoet.

Uitgezonderd één kamer. Daar was het donker.

Daar woonde zijn beste vriendin.

Van haar had hij afgelopen Maandag afscheid genomen.

Hij zou haar zo vreselijk missen. Zij, met haar prachtige lach.

De man keek droevig opzij, richting het bejaardentehuis.

Tranen sprongen uit zijn ogen en hij dacht aan de man waar hij gisteren afscheid van had moeten nemen.

Binnen een week was hij al zijn beste vrienden verloren.

Vrienden waarbij hij altijd terecht kon en zij bij hem.

Vrienden waar je gezellig mee uit kon gaan, naar de schouwburg of het museum of gewoon even op visite.

Vrienden waar je de kerstdagen mee doorbracht en oud en nieuw vierde.

Zijn vrienden……ze zijn er niet meer.

Hij begon nu zachtjes te huilen. Tranen liepen over zijn oude gerimpelde wangen.

Hij wist dat het eens zou gebeuren, maar allemaal tegelijk was echt te zwaar.

De man keek nu in eenzaamheid naar buiten.

Hij zag de mensen gezellig hun laatste kerst inkopen doen. Totdat het sluitingstijd was, want toen werd stil op het plein. De winkels deden hun deuren dicht en iedereen ging naar huis. De man keek over het stille verlichte plein.

Opeens kwam er een rust over hem heen.

Hij ging in zijn stoel voor het raam zitten en legde een warme deken over zijn schoot. Zijn handen legde hij gevouwen over elkaar heen.

Hij sloot zijn ogen en langzaam voelde hij zich weg zakken in een diepe slaap.

Heel in de verte hoorde hij de kerkklokken nog slaan.

Toen was het stil….

In de verte zag hij een licht op zich afkomen.

Toen het dichter bij kwam zag hij dat het zijn drie beste vrienden waren.

Ze hadden ieder een brandende kaars in hun hand.

Ze waren zo blij elkaar weer te zien.

‘Kom!’ Zei zijn vriend van de winkel.

‘Ja, ga je mee?’ Zei zijn vriendin en ze lachte liefelijk.

Zijn vriend uit het bejaardentehuis pakte hem bij zijn arm en zei; ‘Kom, ga je mee?’ De man stond op kreeg een brandende kaars aangereikt.

En met zijn vieren liepen ze gearmd het licht tegemoet.

Het licht van kerstavond.