Zwerven op Kerstavond

 

Het was bijna kerst.

De dagen werden korter de nachten werden langer.

Een eenzame oude man strompelde door de oude binnenstad.

Hij had twee verschillende schoenen aan met daarom heen stevig plakband.

Dit had hij gedaan om ze bij elkaar te houden en tegen de scherpe kou, die naar binnen wilde dringen.

Zijn jas was dik maar hier en daar zag je een scheur van slijtage.

Een lichtblauwe muts had hij op zijn hoofd en hij steunde met zijn hele lichaam op een oude wandelstok.

Zo sjokte hij dagelijks door de oude binnenstad.

Vele winkeliers kenden hem al.

Bij de bakker kreeg hij elke morgen een warm broodje.

Soms deed zijn vrouw er een plakje kaas tussen.

Bij de groenteman kreeg hij dagelijks een appel of een banaan.

Bij de melkboer mocht hij de melk van de vorige dag opdrinken. Tenminste, als er nog iets over was.

Soms ging hij langs de slager. Dat was meestal op zaterdag tegen sluitingstijd.

Dan wilde het winkelmeisje achter de kassa hem nog weleens wat lekkers geven.

Dit gebeurde dan stiekem, want de slagersvrouw is gierig.

En zo maakte de oude man dagelijks zijn ronde.

Drinken deed hij niet, in tegenstelling tot zijn collega’s.

Hij was ook niet door problemen op straat beland. Nee, hij had dit vrijwillig gedaan.

De oude man was schrijver.

En hoe kon hij over het zwerversbestaan schrijven als hij het niet zelf had meegemaakt.

Hij had zich voorgenomen een jaar te gaan zwerven, om te zien wat er gebeurde.

Kon hij zich redden? Hoe kreeg hij zijn eten? En waar kan je slapen als het zo koud wordt?

Allemaal vragen die hij toen als schrijver had.

Nog meer antwoorden toen zijn laatste dag als zwerver er op zat.

Hij liep strompelend naar zijn huis en belde aan.

Een oude vrouw deed open. Ze huilde, want ze had op hem zitten wachten.

Ze omhelsden elkaar en ze gingen naar binnen.

Eindelijk kon die baard eraf. Hij knipte zijn haar wat korter en hij ging in bad.

Zijn vrouw had al schone kleren voor hem klaargelegd.

Kleren die hem allemaal te groot waren, maar dat mocht de pret niet drukken.

De kerstboom stond in de hoek van de kamer en de kachel brandde zachtjes.

Het was warm in huis. Iets wat hij niet meer gewend was.

Zijn vrouw had verse soep gekookt en dekte de tafel.

Ze zette de pan op tafel en ze zag dat haar man in slaap gevallen was. De pan werd weer terug op het fornuis gezet en ze pakte een deken.

Deze deken had ze zelf gemaakt. Ze dekte haar man met de deken toe.

Het begon al bijna avond te worden.

Haar man zat nog steeds aan tafel te slapen.

In zijn droom liep hij van huis naar huis.

Hij belde aan en hij vroeg iets te eten.

Maar niemand wilde iets afstaan.

Het werd koud en het begon te sneeuwen en telkens opnieuw werden de deuren voor zijn gezicht dicht gegooid.

De man in de droom moest huilen vanwege de wreedheid van de mensen.

Met een schok werd hij wakker.

Hij keek schichtig om zich heen om te zien waar hij was.

‘Heb je lekker geslapen?’ Vroeg zijn vrouw, die opnieuw de pan met soep op tafel zette.

De man keek zijn vrouw aan en keek naar de soep die in de pan zat.

‘Hoe kun jij zo snel mogelijk meer soep maken?’ Vroeg hij aan zijn vrouw.

Zijn vrouw keek hem verbaast aan. ‘Is dit niet genoeg soep voor vandaag?’

‘Jawel, maar het is voor mijn collega’s. Ze zwerven nu nog over straat.

Zo meteen gaat het sneeuwen en de nachten zijn lang en koud.

Vaak ben je blij als je een plekje onder een brug vindt of in een verlaten steeg.

Maar vaak zaten we in het park, omdat niemand ons daar weg stuurde.’

De vrouw knikte. ‘Eet jij eerst je soep op dan zal ik kijken wat ik kan doen.’

De vrouw stond op en liep naar de keuken.

Daar vulde een grote wasketel met water en zette deze op het vuur.

Daarin deed ze een paar verse worsten en een kilo speklapjes.

Ze zocht alle groenten bij elkaar en in een handomdraai had ze de soep klaar.

Alleen nog even doorkoken.

Terwijl de soep stond te pruttelen liep ze de trap op naar boven.

Daar lagen al haar eigen gemaakte dekens.

Dekens die ze in het afgelopen jaar in alle eenzaamheid had gemaakt.

Ze tilde drie grote stapels naar beneden.

Uit het schuurtje haalde ze een karretje.

Met dit karretje had haar vader nog gewerkt.

De hond liep voor de kar en dan haalden ze samen oude vodden op.

Nu stond het in de schuur weg te stoffen.

In de kar zette ze de grote wasketel met soep en daar omheen legde ze al haar dekens.

Ze sneed wat plakken brood af, pakte bekers uit de kast en lepels uit de la.

Alles stond nu klaar en ze liep terug de huiskamer in.

Haar man zat naar buiten te staren, ze wist dat hij veel had meegemaakt.

Ze legde haar hand op zijn schouder en zei; ‘Ik ben klaar. Doe jij je jas ook vast aan, dan kunnen we gaan.’

Toen de man buiten kwam wist hij niet wat hij zag.

Hij keek zijn vrouw met tranen in zijn ogen aan en kneep heel even in haar hand.

Wat waren dat prachtige warme dekens en wat rook die soep heerlijk!

‘Kom!’ Zei zijn vrouw. ‘Anders wordt de soep koud.’

En samen gingen ze op weg richting het park.

Het was nu donker. Alle kerkklokken begonnen tegelijk te luiden bij het uitdelen van de soep en de warme dekens.

De eerste sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden en vielen op de koude grond.

En ze wisten allen dat dit een lange koude kerstnacht zou worden.

 

Geschreven door Jolanda Rhijnsburger