Een eigen wereld.

 

Lang geleden woonde er in een klein dorpje een lief meisje.

Ze was niet ouder dan een jaar of zes en ze was een mooi en schattig kind.

Het was een stil meisje en iedereen die haar zag keek altijd een beetje vreemd naar haar.

Waarom iedereen dat deed, begreep het meisje zelf ook niet.

Het wereldje waar ze graag ik leefde, was die van haar eigen fantasie en ze was daar ook vaak te vinden.

Het was een mooie wereld en er was er altijd wat te beleven en te zien.

Haar gedachten waren vaker in haar fantasiewereld, dan in de wereld waar ze eigenlijk echt moest wezen.

De echte wereld was niet zo leuk als haar eigen fantasie.

Dus elke dag ging ze naar haar eigen wereld en speelde daar met vriendjes en vriendinnetjes die veel van haar hielden. Het was daar zo fijn en de zon scheen er altijd.

Er kwamen ook nog andere lieve vriendjes, die je in de wereld waar ze eigenlijk moest zijn, niet kon vinden. Tenminste, daar zag ze hen nooit.

In haar eigen wereld waren ook kabouters en Elfjes, Natuurgoden en lieve Engeltjes.

Iedereen was altijd blij en er was er altijd feest. Iedereen hield van elkaar.

Dit was een wereld waar iedereen gelijk was en niemand was er beter dan de ander.

Het was de perfecte wereld.

Het was alleen jammer, dat ze er niet altijd kon blijven en de andere bewoners waren altijd een beetje verdrietig als het meisje weer terug moest naar de echte wereld.

Het meisje kwam er vaak en de jaren verstreken. Het meisje werd groter en groter.

Ze kwam nog vaak in haar eigen gemaakte wereld, maar er was in de loop van de jaren wel wat veranderd.

Ze was verdrietiger geworden, dat kwam door de gebeurtenissen, die ze in de echte wereld had mee gemaakt.

En telkens als ze haar fantasie wereld binnen ging, nam ze het verdriet met zich mee.

De Engelen konden het niet langer aanzien en gingen ergens anders spelen. Ze keken soms even om het hoekje van die wereld om te zien hoe het met haar ging.

Maar ook de kabouters en de elfjes verstopten zich als ze er aan binnen kwam en kwamen pas weer tevoorschijn als ze weg was.

Het was niet leuk van ze, maar ze konden niet anders.

Hoe kan ze liefde ervaren als ze niet meer weet wat liefde is. ‘Als ze het terug heeft gevonden zal ze ons weer zien.’ Zei een Engel op een dag.

‘Wij moeten ons verstoppen voor haar, maar in haar hartje weet ze dat wij er voor haar zijn, als ze de liefde terug gevonden heeft.’

Het meisje groeide verder op en werd een vrouw.

De vrouw ging niet meer naar haar fantasiewereld van lang geleden. Ze had het verzonnen en dus was het onzin.

 

Haar leven was nu hier, daar hoorden geen Engeltjes en Elfjes in thuis.

Tenminste, dat zei haar omgeving. Maar diep in haar hart voelde ze nog het geluk, dat ze als klein meisje had ervaren.

‘Het was een harde wereld.’ Vond de vrouw en ze merkte, dat hoe meer ze naar anderen luisterde, ze steeds verdrietiger werd.

Op een dag dacht ze aan haar hartje, dat daar geen liefde meer in zat.

Maar toch was daar opeens een klein vonkje in haar hart. Dat vonkje vertelde haar, dat er wel degelijk liefde was in haar hart. Niet veel, maar er zat nog wel wat.

Het vonkje werd groter en groter, en het hart van de vrouw begon te gloeien en krachtiger te kloppen.

‘Ik hoefde alleen maar naar mijn eigen hart te luisteren.’ Zei de vrouw.

En ze voelde weer echte liefde stromen. Alle puzzelstukjes van haar leven vielen op zijn plek. Ze leidde een leven, zoals anderen dat graag wilden, maar niet hoe ze het zelf graag wilde!

Ze begon weer geluk te voelen en hoe meer liefde en geluk ze kreeg, hoe meer Elfjes en Engeltjes weer tegen haar spraken.

Ook de kabouters kwamen terug en Natuurgoden en vele anderen die ze nog niet kende, kwamen haar leven binnen.

Ze hoefde niet eens een eigen wereld te fantaseren. Nee, deze keer kwamen ze uit zichzelf naar haar toe en haar leven werd met de dag mooier en mooier, het was één groot feest!

Het vrouwtje is nu gelukkig en heeft zoveel vrienden en ze laten elkaar allemaal in hun waarde.

Het lijkt op de wereld die ze als kind ooit eens had gemaakt. Alleen deze is veel mooier.

 

© Jolanda Rhijnsburger.