Winterverhaal



Het was koud en de regen sloeg tegen de ramen van een klein huisje aan.

Een klein jongetje had zijn neusje tegen het raam aangedrukt en keek naar de striemende regen.

Het raam besloeg door zijn ademhaling en daardoor kon het jongetje met zijn vinger een klein kaboutertje tekenen.

Bij de volgende ademhaling besloeg het raam weer, waardoor hij een boom naast het kaboutertje kon tekenen. Ook tekende hij een kruiwagentje en appels aan de boom.

Veel van de appels waren van deze appelboom afgevallen, door de harde wind die nu rond zijn huisje gierde. Het jongetje ging zo in zijn tekening op, waardoor hij niet opmerkte dat hij nu iets aan het creëren was, dat achter de sluiers ook werkelijk gebeurde.

Het hout in de houtkachel knapperde zachtjes en gaf een behaaglijke warmte af.

Door de warmte werd de jongen rozig en begon te gapen.

Hij verliet het raam en kroop met een dekentje op de bank.

“Ben je moe mijn kind?” vroeg moeder die aan het breien was.

Het jongetje knikte en zakte verder weg onder zijn warme deken.

Hij sloot zijn oogjes en viel langzaam in een diepe slaap.

Opeens schrok hij wakker en keek verschrikt om zich heen.

Hij zag een klein huisje met daarnaast een grote appelboom.

Een kleine kaboutermannetje raapte de gevallen appels op en legde deze in zijn kruiwagentje.

Zodra het wagentje vol was, duwde hij deze zijn huisje binnen en legde de mooie rode appels in een mandje dat in de hoek van zijn huisje stond.

De jongen keek zijn ogen uit en hij was er zich bewust van, dat hij dit kaboutertje gecreëerd had. Precies zo had hij hem getekend en zich voorgesteld.

De jongen keek het huisje binnen en zag dat er binnen in het huisje verder niets aanwezig was.

“Wat raar”, dacht de jongen.

“Waarom heeft hij geen tafel en stoeltjes en waarom heeft hij geen kacheltje om hem warm te houden?” De jongen bekeek de handelingen van het kaboutermannetje en zag dat hij met zijn kruiwagentje weer naar buiten liep om opnieuw de appels van de grond te rapen.

De jongen keek weer naar binnen en zag dat de appels die het kaboutermannetje naar binnen had gedragen verdwenen waren.

“Nee, dit kan niet”, dacht de jongen terwijl hij weer naar het kaboutermannetje keek dat elke keer opnieuw zijn kruiwagentje vulde en daarmee het huisje binnen reed.

Vervolgens de appels in de hoek van het huisje neerlegde en weer naar buiten ging.

Vanaf het moment dat hij weer naar buiten ging, was alles uitgewist en begon het ritueel weer van voren af aan. Het kaboutermannetje was zich er niet bewust van dat hij telkens dezelfde handelingen verrichtte. Het jongetje bedacht zich dat hij weleens degene kon zijn, die dit kaboutermannetje telkens opnieuw dezelfde handeling liet verrichten.

“Misschien moet ik iets veranderen”, dacht de jongen.

“Misschien kan het kaboutertje dan de appels behouden die hij opraapt.”

De jongen dacht aan de tekening die hij op het raam had gemaakt en in zijn gedachten tekende een tafel en een stoel in het huisje. In de hoek van het huisje tekende hij een mooi klein kacheltje.

Ook tekende hij een stapel appels op dezelfde plek waar hij het kaboutermannetje de appels al neer had zien leggen. Snel keek hij of er ook echt iets was veranderd bij het kaboutermannetje en tot zijn verbazing zag hij dat het huisje er nu veel gezelliger uitzag.

He kaboutermannetje had nu alle appels die op de grond lagen naar binnen gebracht.

De jongen zag nu dat het kaboutermannetje de kachel aan probeerde te maken, maar hij had geen houtjes en geen vuur. De jongen bedacht zich niet en keek in zijn gedachten weer naar het raam.

Hij tekende in zijn gedachten hout voor de kachel en een doosje met lucifers.

Snel keek hij of het kaboutermannetje het begrepen had.

De jongen zag dat het mannetje zijn vingers aan de lucifers verbrandde en dat er hierdoor angst in dit mannetje ontstond. Het kaboutermannetje was bang voor deze vuurstokjes geworden en ging recht tegenover de kachel in een andere hoek van zijn huisje zitten.

“Oeps”, zei de jongen, “daar had ik niet aan gedacht.

Hoe krijg ik die angst weer uit dit mannetje?” dacht hij nu.

Opeens wist hij het, en hij ging weer in zijn gedachten naar het raam.

Hij veegde de kachel en de lucifers weg en zette er een centrale verwarming voor in de plaats.

Snel keek hij weer, maar er gebeurde niets!

“Waarom werkt die verwarming niet?” vroeg hij zich af en de jongen dacht eens na, over hoe de huizen in zijn wereld verwarmd werden.

“Ojee”, zei hij zacht. “Dan moet ik eigenlijk nog meer creëren dan alleen een kabouter en zijn huisje”, en hij keek naar het kaboutermannetje dat zat te rillen van de kou.

De jongen bedacht zich niet en tekende in zijn gedachten op een ander stuk van het raam een grote leiding die naar het huisje van de kabouter toe liep.

Daarna tekende hij een planeet, en tekende het andere uiteinde van de leiding zo diep mogelijk de planeet in. Met grote letters en een pijl richting de planeet schreef hij er ‘GAS’ naast.

Tegelijkertijd hield hij in de gaten, hoe het met het kaboutermannetje ging en zag het mannetje tevreden in zijn stoeltje zitten.

De jongen bedacht nog een plankje aan de muur erbij en een paar mooie boeken.

Tevreden keek hij naar het kaboutertje en zag dat hij het heel erg goed had gedaan.

Hier zag hij een gelukkig kaboutermannetje.

Maar wat was dat?! Het huisje van het kaboutertje begon opeens te schudden.

Zijn boeken vielen van de plank af en de boom naast zijn huisje viel om.

De jongen keek geschrokken naar het raam en zag iets verschrikkelijks.

De planeet, waar hij het gas vandaan haalde trilde, waardoor ook het huisje van de kabouter begon te schudden. “Oh wat erg!” riep de jongen en veegde in één beweging de planeet en de pijpleiding weg. De jongen durfde bijna niet meer naar de kabouter te kijken, omdat hij wist dat hij het nog altijd zo koud had. “Ik moet echt iets anders bedenken, iets wat voor niemand pijnlijk is.”

De jongen dacht eens goed na en opeens had hij het.

Hij tekende op het raam een rivier met een waterval.

De energie die door dit water werd opgewekt, gebruikte hij voor het huisje van de kabouter.

Hij tekende een lampje en een elektrische kachel en zette de boom weer rechtop.

“Nu was alles perfect”, dacht de jongen en keek tevreden naar wat de kabouter allemaal zou gaan doen. Na een half uur zag de jongen dat de kabouter nog helemaal niets had gedaan.

Hij zat daar in zijn stoel met een boek in zijn handen, maar hij had nog geen bladzijde omgeslagen. “Wat doe ik toch verkeerd?” vroeg de jongen zich af.

“Misschien moet ik om hulp gaan vragen?”

De jongen ging opnieuw in zijn gedachten naar het raam.

Met zijn vinger tekende hij een grote Witte Engel op het raam.

Ook tekende hij een pijl die naar de Engel wees, en daarnaast schreef hij het woord ‘BEWUST’ bij. Snel keek hij of het hem was gelukt en bijna meteen zag hij voor zich een grote witte Engel staan.

“Jij hebt mij getekend?” vroeg de Witte Engel.

De Jongen knikte.

“Ik heb u getekend, omdat ik niet meer weet hoe ik verder moet.

Ik heb per ongeluk deze kabouter met zijn huisje en zijn boom gecreëerd, maar het mannetje had het zo koud en toen ging er van alles mis. Ik wilde u vragen of u mij zou willen helpen?’

De Witte Engel keek naar het huisje en de kabouter die op zijn stoeltje met zijn boek in zijn handen zat. “Ach, ik zie al waarom er verder niets gebeurd.

Dit kaboutertje doet nog steeds wat jij van hem verlangt.

Dit kaboutertje is zich niet bewust van de mooie wereld waarin hij leeft.

Hij kent geen geluk en kent geen echte liefde.

Hij kent alleen maar de angst die jij hem hebt gegeven, door hem met lucifers te laten spelen.

Wacht maar”, zei de Witte Engel.

Hij sloot zijn ogen en opeens veranderde het decor.

De kleine jongen zag dat het huisje nu in een groot groen bos kwam te staan.

Naast de rivier bedacht de Witte Engel een mooi gouden weg, en naast deze weg, kwamen nog meer kabouterhuisjes te staan. In ieder huisje kwamen drie kabouters. Een vader, een moeder en een kind. Ook de kabouter die de jongen had gecreëerd kreeg een lief kaboutervrouwtje en in de laatste hoek van zijn huisje stond een klein wiegje met een kabouter-baby’tje erin.

Deze begon meteen te huilen.

De Witte Engel bedacht een rammelaar en legde deze in het handje van de baby en het kraaide meteen van plezier. Hij creëerde vogels in de bomen, vissen in het water en hij creëerde bloemen, heel veel bloemen. De jongen wist niet wat hij zag en keek naar het kaboutermannetje.

Hij zat nog steeds in zijn stoeltje met zijn boek.

Nadat de Engel klaar was, keek hij tevreden om zich heen.

“Dit is een veel mooiere wereld, vind je niet?”

De jongen knikte en zei: “Het is een prachtige wereld geworden, maar ik zie nog steeds dat de kabouter die ik gecreëerd heb niets doet.”

De Engel liep naar het huisje toe en keek door het raampje naar binnen.

Hij draaide zich om naar de jongen en keek hem lachend aan.

“Ik zie al wat er mis is”, en hij liep naar de jongen toe.

Heel voorzichtig legde hij zijn hand op het hartje van de jongen neer.

De jongen voelde tegelijkertijd een warme energie door zich heen gaan.

Hij voelde nu zoveel meer liefde en de Witte Engel glimlachte.

Met zijn hand haalde hij een klein beetje liefde uit het hartje van de jongen en liep ermee naar het kaboutermannetje. Hij legde zijn hand voor het hartje van de kabouter en heel voorzichtig gleed de liefde van de jongen in zijn hartje.

De wangetjes van het mannetje kleurden hierdoor meteen in een gezonde rode kleur en rond zijn mondje verscheen een stralende glimlach.

“Kom”, zei de Witte Engel, “ik breng je weer terug naar huis.

Deze wereld is een creatie van jouw bewustzijn, maar wees je voortaan bewust van wát je creëert in jouw wereld. Voordat je er erg in hebt, heb je onbalans gecreëerd in jouw wereld en die van een ander.” Nadat hij dit gezegd had, nam de Witte Engel de jongen weer mee terug naar het huisje waar de jongen op de bank in slaap was gevallen.

Moeder zat nog steeds te breien en ook vader was inmiddels thuis gekomen.

Hij las de krant, waar met een grote kop op het voorblad ‘DE ANGST REGEERT!’ stond geschreven. De Witte Engel schudde zijn hoofd en tilde de jongen voorzichtig op.

Hij legde hem terug in het slapende lichaam van de jongen en aaide hem nog even over zijn blonde haar. Daarna keek hij weer naar vader en moeder en naar het kacheltje in de hoek van de kamer.

Hij deed zijn ogen dicht en creëerde een mand vol houtblokjes.

Een mand die nooit leeg zou raken en altijd voor warmte zou zorgen.

Daarna keek hij weer naar de krant van vader en zag dat er in de toekomst een ander kop op de voorpagina stond geschreven, namelijk: ‘SAMEN MET ELKAAR!’

De Witte Engel glimlachte, opende de deur en liep naar buiten.

Terwijl hij naar buiten liep, legde hij zijn hand op zijn hart en liet daar heel voorzichtig wat liefde opvallen. Nu kijkt hij de lezer van dit verhaal aan en blaast hij zijn liefde recht in jouw hartje.

Dan zegt hij: “Wees bewust van wat echte liefde is mijn kind.

De wereld is van ons allemaal”, en verlaat dan met een glimlach onze wereld.

 

Geschreven door Jolanda Rhijnsburger


Commentaren: 0