Vuurwerk


Een hondje liep eenzaam door de stille straten van een grote stad.

Hij was eenzaam en alleen.

Het was koud buiten en zo nu en dan begon het te regenen.

Zijn vacht die ooit zo mooi en glanzend was, was nu ruig en vies van het vuil.

Het hondje was verdrietig.

Hij miste zijn baasje zo.

Afgelopen zomer mocht hij nog mee naar de camping.

Daar hadden ze zo fijn gespeeld met de bal en lange wandelingen gemaakt.

En opeens waren ze verdwenen, zomaar vertrokken!

Het hondje ging elke dag terug naar de camping om te kijken of ze hem al kwamen halen.

Maar elke dag was weer een teleurstelling.

De baas van de camping stuurde hem elke keer weer weg, soms gooide hij een steen naar hem toe.

Maar de drang om elke dag te gaan kijken werd minder, het hondje was zo alleen en huilde ‘s nachts in zijn slaap.

Het begon kouder te worden en rond de camping kon hij geen eten meer vinden.

Hij besloot om zelf naar huis terug te lopen. En zo ging hij op weg.

Vaak liep hij langs de wegen met de hoop dat ze hem zagen.

Maar meestal was het te gevaarlijk en moest hij de weg verlaten en ging hij door het bos.

Het hondje kende het bos alleen van overdag, maar de nachten in het bos waren heel anders.

Hij was vaak bang en rilde dan over zijn hele lijfje.

Zo nu en dan stond hij oog in oog met een sluwe vos.

Dan liet hij zijn tanden zien en ging hij heel hard grommen.

Vaak liepen ze dan allebei door.

Eén keer heeft hij met een vos moeten vechten.

Hij had die vos in zijn bil gebeten en die was er huilend vandoor gegaan.

Ook de geluiden in het bos waren anders dan overdag, de uil hoorde hij vaak, maar ook het ritselen van blaadjes op de grond.

Vaak had hij het gevoel dat iedereen hem in de gaten hield en hij voelde zich zo kwetsbaar.

Op een dag had hij het bos verlaten en was hij door de velden gelopen en over sloten gesprongen.

Totdat hij aan de rand van een grote stad aan kwam.

Het was nu bijna winter en hij had honger.

Soms vond hij een boterham zomaar midden op straat of hij gooide een vuilnisbak om.

Hij vond altijd wel iets wat hij op kon eten.

De winter begon en de eerste sneeuwbuien waren al gevallen.

Hij sliep ‘s nachts in een schuurtje wat nooit dicht ging.

Daar stond wat tuingereedschap en er lag een oude deken.

‘s Avonds als het donker werd en hij moe was van het zoeken naar eten, liep hij verdrietig en alleen terug naar het schuurtje.

Het was kerst geweest, hij had naar binnen gekeken naar al die mensen.

Heerlijk eten had hij op tafel zien staan en hij had zo’n honger.

Gelukkig werd er veel weggegooid en had hij meer dan anders te eten.

Nu moest hij oppassen, kinderen in de stad hadden vuurwerk.

Hele dagen gooiden ze rotjes in vuilnisbakken, of in een verlaten steeg of gewoon zomaar op straat.

Hij was bang voor die knallen.

Hij had er al één van heel dichtbij af zien knallen, waarop hij hard was weggerend.

Nu stond hij aan de overkant van de straat, hij zag dat een vrouw eten weg gooide in haar vuilnisbak.

Langzaam liep hij naar de overkant, duwde de deksel omhoog en begon snel te eten.

Het was zoveel, dat hij niet in de gaten had dat drie jongens hem naderden.

Opeens werd hij vastgepakt, hij probeerde los te komen maar het lukte niet!

Hij was bang, hij huilde en trilde en wilde weg, maar het kon niet!

Twee van de jongens hielden hem stevig vast en de derde bond een rotje aan zijn staart.

Het hondje zag in zijn ooghoeken het vuur dat aan zijn staart ging en toen was het te laat.

Ze lieten hem los, hij keek naar zijn staart.   

Aan het uiteinde zat met plakband een rotje vastgebonden en het lontje was bijna bij het eind!

Het was een harde knal, het hondje viel op de grond en bleef doodstil liggen.

De jongens renden heel hart weg, af en toe nog omkijkend naar het verschrikkelijke tafereel dat ze hadden aangericht.

Het was nu een dag later, het hondje was nog steeds niet bijgekomen.

Hij lag op een mooi schoon dekentje bij het haardvuur.

Een jongen zat naast hem en aaide het diertje voorzichtig over zijn vacht.

Hij sprak steeds dezelfde woorden, ‘alsjeblieft wordt toch wakker, ik zal goed voor je zorgen en je te eten geven.’

Na een tijdje deed het hondje zijn oogjes open en hij keek in een vriendelijk gezicht van een jongen.

Hij keek eens naar zijn staart, die er niet meer aan zat.

Het hondje trilde weer, en begon weer zachtjes te huilen.

De jongen pakte het hondje voorzichtig op en liep er mee naar de bank.

Hij ging zitten en nam het hondje op zijn schoot.

Hij aaide hem, hij hield van hem, en het hondje keek omhoog naar de jongen.

Hij gaf de jongen een lik over zijn hand en viel weer in diepe slaap.

Het was nu ‘het nieuwe jaar’, de jongen en de hond waren buiten.

Buiten was het schuurtje wat altijd open stond.

De jongen gooide met de bal, het hondje was blij en bracht de bal terug.

Zo nu en dan keek hij naar het schuurtje en wist dat hij nu thuis was.

 

© Jolanda Rhijnsburger.

 

 

 

 


Wilt u ook een reactie achter laten?

 

Dan bent u van harte welkom in mijn gastenboek!

Commentaren: 0