De kleine Engel die Vlinder heet.


 

Het was nog vroeg toen een vrouw wakker werd.

Ze had gedroomd en ze was nog even in de war van de droom die ze had gehad. Ze zat op de rand van haar bed en keek even achterom naar haar man die nog rustig lag te slapen.

Ze glimlachte even.

In haar gedachten probeerde ze de droom weer voor zich te halen, maar wist dat ze niet alles meer te zien kreeg.

Ze stond op en liep de slaapkamer uit richting de keuken.

Vanuit de keuken keek ze naar de tuin die er prachtig uitzag.

De kleuren van de bloemen leken helderder dan anders.

Zou het door de droom komen dat ik nu alles helderder zie?

Ze ging aan de keukentafel zitten en keek nog eens naar buiten en langzaamaan gingen haar gedachten weer terug naar de droom van afgelopen nacht.

Een kleine Engel had aan haar bed gestaan en haar wakker gemaakt. “Ga je mee?” Had ze heel zachtjes in haar oor gefluisterd.

Ze was opgestaan uit haar bed en was aan de hand van de kleine Engel meegenomen naar een andere wereld.

Een wereld waar alleen kinderen naartoe gaan als ze het moeilijk hebben of verdrietig zijn.

De kleine Engel bleef bij een gouden hek staan en wilde deze openen. Op het hek stond met grote letters ‘Zomerland’ geschreven.

De vrouw glimlachte, hier had ze weleens wat over gelezen.

Ook de kinderen die over zijn gegaan komen hier naartoe.

Ze leren er van alles en ze zijn weer gelukkig en blij.

“Ga je mee naar binnen?” Zei de kleine Engel. “Ik wil je graag aan iemand voorstellen.”

De vrouw pakte de hand van de kleine Engel weer vast en zo liepen ze samen door Zomerland. 

Ze liepen over gouden paden en aan weerskanten stonden prachtige bloemen.

De geur was overweldigend en de serene sfeer die hier hing, was voelbaar.

Langzaamaan werd de vrouw wat rustiger.

Het vele verdriet wat ze de laatste weken gevoeld had, was nu duidelijk minder.

Ook zagen ze prachtige bomen en de vogels en vlinders fladderden met hen mee.

Ze kwamen een groep herten tegen die even stil stonden om naar de vrouw te kijken, om vervolgens weer verder te lopen.

De vrouw keek haar ogen uit.

De natuur was hier ook zo prachtig. Eindelijk waren ze bij een groot gebouw aangekomen.

De kleine Engel deed de deur open en samen stapten ze naar binnen. Het gebouw was wit van kleur, had gouden raamkozijnen en van binnen was het nóg groter en mooier.

De hal was enorm. De vloer was van een soort marmer en het plafond was niet te zien, maar ze zag in plaats daarvan de sterren en planeten ronddraaien.

Ze ontdekte dat het hele universum te zien was, nu ze wat langer keek. Aan weerskanten van de hal stonden pilaren.

Ook de pilaren hadden geen einde en reikten het universum in.

“Waar zijn we?” Vroeg de vrouw.

“Wij zijn nu bij de ‘Hoogste Engelen.’ Ze hebben mij gevraagd of ik jou hier naartoe wilde brengen.

De Hoge Engelen zijn de meest wijze Engelen van allemaal en weten echt alles. Kom, laten we naar ze toe gaan. Ze zitten op ons te wachten.”

Samen liepen de kleine Engel en de vrouw door de hal, totdat er aan de linkerkant een deur open ging.

Een Gouden Engel stond hen op te wachten en had de deur al open gedaan.

“Kom, hier moeten we zijn.” Fluisterde de kleine Engel tegen haar. De kleine Engel knikte vriendelijk naar de Gouden Engel en liep vervolgens door.

Aan een grote tafel zaten twaalf Hoge Engelen.

Ze waren witter dan wit, ze leken wel van parelmoer.

Hun ogen waren groot en als ze goed keek, zag ze de planeten en sterren in hun ogen.

“Welkom, welkom!” Riep één van hen terwijl hij op de vrouw afliep. “Wat fijn om je hier te zien, heb je een fijne reis gehad?” En hij keek de vrouw de kleine Engel aan.

“Ja,” zei de vrouw wat verlegen.

Ze wist niet waar ze moest kijken.

De Hoge Engelen waren groter, mooier en veel krachtiger.

En ook de ruimte waarin ze zich bevonden, was betoverend mooi.

“Wij hebben je hier naartoe gehaald, omdat wij jou graag iets willen laten zien.”

De Hoge Engel draaide zich om en wees naar een groot scherm dat tevoorschijn kwam.

“Je bent een lief kind”, zei hij terwijl hij even haar wang aanraakte. “Zullen we even naar het scherm kijken?”

De vrouw knikte en zag haar eigen leven.

Ze was jong, het ging niet goed met haar. Ze was ziek en niemand begreep haar.

De Hoge Engel begon te praten.

“Soms kom je in je leven iemand uit je eigen zielengroep tegen. 

Je herkent elkaar meteen en de liefde die dan gaat stromen, is heel erg voelbaar. De zielen hebben elkaar herkend.

Ze helpen elkaar en gaan dan weer uit elkaar.

Maar dat uit elkaar gaan is vaak een probleem.

Voordat je aan deze reis op Aarde begon, heb je een leven uitgekozen. Je wijkt wel eens af van de weg, maar je komt ook weer op deze weg terug. Zo hebben je zielenmaatje en jij, ieder een eigen weg uitgekozen.

Jullie hebben elkaar ontmoet en even samen de weg bewandeld. jullie hebben elkaar herkend en de liefde gevonden.

Het vasthouden van die zielenliefde is moeilijk.

Je ziel wil wel, maar het hoofd met al zijn emoties, angst, verdriet en eenzaamheid, zorgt voor de problemen.

Ook andere mensen gaan zich ermee bemoeien, omdat de liefde tussen twee zielenmaatjes ook bij de anderen voelbaar is, waardoor het hoofd zegt dat deze liefde niet hoort of kan.

Er worden keuzes gemaakt, want het pad dat is uitgekozen roept. Ieder gaat zijn eigen kant op en niet zonder gevolgen.

Die liefde is zo sterk, dat je daar altijd naar terug blijft verlangen.

Alle anderen die je na de ontmoeting met je zielenmaatje tegenkomt, voelen niet hetzelfde.

Je hart wordt verscheurd en de onmacht grijpt je naar je keel. Uiteindelijk moet je verder en pak je langzaam je leven weer op.”

De vrouw zag haar leven aan zich voorbij gaan en huilde zachtjes.

“Ik hou zo van hem.” Zei ze zacht. “We hadden een kindje samen.” Verdrietig keek ze de Hoge Engel aan.

“Ik weet het mijn kind. Dat vlindertje is nu een kleine Engel geworden. Ze heeft juist deze reis uitgekozen, om heel even te ervaren hoe het is, om geboren te worden en weer terug naar huis te komen. Ze is nu klaar en een Engeltje geworden.” De Hoge Engel keek even naar de kleine Engel die achter haar stond en glimlachte.

“Maar ik wil je graag nog meer vertellen.” Zei de Hoge Engel.

Je man, kinderen en kleinkinderen behoren allemaal bij de ervaring die jij hebt uitgekozen.

Ze hebben je lief en houden ontzettend veel van je. Ze willen niets liever dan jou gelukkig zien.”

De vrouw keek naar een portret dat inmiddels op het scherm te zien was. Ze stonden er allemaal op.

“Zou ik hem misschien ook kunnen zien en spreken?” Vroeg ze nu aan de Hoge Engel.

De Hoge Engel keek naar de andere Hoge Engelen die rond de tafel zaten. Ze knikten instemmend.

“Ga jij met haar mee?” Vroeg de Hoge Engel aan de kleine Engel achter haar. 

Deze glimlachte en zei tegen de vrouw: “Kom, dan gaan we je zielenmaatje opzoeken, hij wacht al op je.” 

De vrouw nam afscheid van de Hoge Engelen en ze gaf de kleine Engel weer haar hand.

Samen liepen ze door de hal van het grote gebouw.

Toen ze weer buiten stonden, keek de vrouw de kleine Engel verdrietig aan.

“Ik had zo graag iets anders gehoord.

Ik wil zo graag bij hem zijn, waarom kan dat niet?”

De kleine Engel ging voor haar staan.

“Hij was er voor je toen jij hulp nodig had.

Hij heeft voor je gezorgd, omdat dat de taak is onder zielenmaatjes. Je helpt elkaar in moeilijke tijden, dat is afgesproken. Inmiddels was je weer beter en gezond.

Hoe graag jullie ook wilden, het door jullie gekozen pad was sterker.”

De vrouw keek nog eens droevig om zich heen.

“Waar zijn we nu?” Vroeg ze verbaasd.

Tijdens het praten was de omgeving veranderd.

“We zijn nu in de Hemel en in een sfeer waar alle zielen na het aardse leven naartoe gaan. Ze komen hier even tot rust.

Hier mag alles na een zwaar leven verwerkt worden.

Ook jouw zielenmaatje is hier nu.

Het is nog niet zo lang geleden dat hij de Hemel binnenwandelde. Kijk, daar zit hij.”

En de kleine Engel wees naar een boom, waaronder een man op een bankje zat. De vrouw kon haar ogen niet geloven.

Hij zag er weer net zo uit, als toen zij hem voor het eerst ontmoette. “Mag ik naar hem toe?” Vroeg ze de kleine Engel.

Deze glimlachte weer.

De vrouw rende naar de man die onder de boom zat toe en stortte zich voor hem aan zijn voeten.

Huilend keek ze omhoog naar de man voor haar.

“Lieverd, ik heb je zo gemist.”

De man keek naar de vrouw die aan zijn voeten lag en aaide met zijn hand over haar haar.

“Ach mijn kind, wees niet zo verdrietig, het komt allemaal goed.”  Hij stak haar een hand toe en hielp haar overeind.

Ze stonden nu naast elkaar en keken elkaar in de ogen.

Opeens omhelsde de man haar en kuste haar op beide wangen. “Kom, we gaan een stukje wandelen.”

Gearmd liepen ze over de paden.

Bij een groot meer bleven ze even staan en keken naar de zwanen die langs zwommen.

“Prachtig is het hier.” Zei de man.

“Ik ben hier nu een aantal weken en elke dag zie en voel ik dingen die ik voorheen niet gezien en gevoeld heb.

Ook heb ik onze levens gezien, we hadden het fijn samen.

Als je hier bent, zie je de dingen heel anders.

Wij en vele anderen komen uit één zielengroep.

Sommigen gaan terug naar Aarde en weer anderen blijven hier, om ons te helpen. Ze zijn dan onze gidsen.

Zo zijn wij met elkaar in contact gekomen.

Jij had dringend hulp nodig en onze gidsen konden jou niet bereiken. Ze hebben het daarom op een andere manier geprobeerd en dat was door ons samen te brengen.

Jouw leven was gered en dat was het allerbelangrijkste.

Maar je had een ander pad dan mij uitgekozen.

Daarom zijn wij niet bij elkaar gebleven.

Maar dat wil niet zeggen, dat ik niet van je hou…”

En hij keek de vrouw met tranen in zijn ogen aan.

Ik vond het heerlijk met jou, we hebben gelachen en gehuild.

Je hebt iets in mij wakker gemaakt, waarvan ik niet wist dat ik het bezat. Jouw liefde was grenzeloos. 

De vrouw huilde nu zachtjes om de mooie woorden die haar vriend tegen haar zei.

Samen wandelden ze nog een stukje verder.

Bij een bankje bleven ze even staan, waar ze over het meer keken en gingen zitten.

De zon scheen helder en ze werden omringd door een zoete geur van bloemen.

De man pakte haar hand vast.

“Ik moet dringend met je praten en ik wil dat je heel goed naar me luistert. Je bent een prachtige vrouw en je hebt nog vele jaren voor je. Je hebt een lieve man, prachtige kinderen en kleinkinderen. Dat is jouw leven.”

De vrouw keek de man verschrikt aan.

“Maar ik wil bij jou zijn”, zei ze wat verward.

De man pakte haar hoofd met beide handen vast.

“Nee lieverd, je leeft teveel in het verleden.

Wat wij hadden was fijn, heel erg fijn en niemand pakt ons dat meer af.

Maar door de omstandigheden van buitenaf mochten we niet langer bij elkaar zijn. Het kon niet anders.

En ook na al die lange jaren dat wij elkaar weer terug zagen, was het heerlijk.

Maar vergeet niet, dat je hier ook bent voor je eigen zielenreis.

Je hebt een opdracht en dat is om een zo fijn mogelijk leven te leven op Aarde.

Je moet niet blijven hangen in het verleden en je telkens afvragen; ‘wat als hij dit, of wat als wij dat, of zus of zo….’

Het verleden kun je niet veranderen. Je leeft nu!

Wij zien elkaar nu, ik praat nu tegen jou en ik wil dat jij nu eens van je leven gaat genieten.

Ik zal je zo nu en dan eens komen opzoeken.

We zijn vrienden voor het leven en ook na dit leven.”

De vrouw keek de man verdrietig aan.

“Ach meisje toch, je kunt in het leven wat je nu hebt zo gelukkig zijn. Je moet het alleen durven binnen te laten.”

De vrouw keek nog steeds verdrietig, maar ergens begreep ze het ook wel.

“Kom je mee, ik ben moe.” Zei de man.

“Ik ben nog altijd niet hersteld van de reis naar de Aarde.”

Langzaamaan liepen ze weer terug.

Toen ze terug waren liepen ze een gebouw binnen.

Overal zag de vrouw bedden staan. In ieder bed lag iemand.

“Wij rusten hier uit van het aardse leven.” Zei hij tegen haar. “Daarna gaan we naar een andere sfeer.

Ik ben hier nog wel even, de reis die ik had uitgekozen was zwaar, net als die van jou.

Om de reis minder zwaar temaken, is het beter om te genieten van de tijd die er nog is.

Haal alles uit het leven wat je maar kunt. Ga reizen en ga leuke dingen doen.”

Ondertussen ging de man op een bed liggen.

Een Engel kwam naar hem toe en haalde uit het niets, de meest prachtige edelstenen tevoorschijn en liet deze boven de man rondzweven.

De man keek de vrouw nog één keer aan en zei: “Ga leven, ik zal je zo nu en dan opzoeken. Zodra je een witte vlinder voorbij ziet fladderen, weet dan dat ik heel even bij je ben en aan je denk.

Glimlach dan voor mij en geniet weer verder van je leven.”

De vrouw knikte. De man boog nog één keer naar de vrouw toe en gaf haar een zoen.

“Tot ziens,” zei hij slaperig en hij viel terug in een diepe slaap.

De kleine Engel die al die tijd op de achtergrond had mee gelopen, liep naar de vrouw toe.

“Het is tijd om je weer terug te brengen.”

De vrouw knikte en streelde nog eenmaal over het haar van haar beste vriend.

Hand in hand liepen de kleine Engel en de vrouw door de sferen van de tijd.

De kleine Engel had haar weer in bed gelegd en haar een zoen op haar voorhoofd gegeven.

De vrouw sloot haar ogen en de kleine Engel zei zachtjes in haar oor: “Ik ben het mama! Je vlindertje wat nu een Engeltje is geworden. Ik ben altijd bij je en ik waak over je.

Geniet van de mooie dingen in het leven en van elkaar.

Zorg dat je gelukkig wordt mama, je hebt het zo verdiend.”

En langzaam verdween de kleine Engel.

Ze had traantjes in haar ogen, ze was zo blij dat haar moeder nu wist dat zij een Engeltje was geworden.

 

De vrouw die aan de keukentafel zat, glimlachte door haar tranen heen. Ze had hem ontmoet, hij had tegen haar gesproken.

Nu had ze nog maar één doel en dat was genieten van het leven.

En het kleine Engeltje wat haar gadesloeg, keek blij naar haar moeder en huilde kleine traantjes van geluk.

 

© Geschreven door Jolanda Rhijnsburger


Wilt u ook een reactie achter laten?

 

Dan bent u van harte welkom in mijn gastenboek!


Commentaren: 1
  • #1

    Lenie (zondag, 07 juni 2020 12:45)

    Lieve Jolanda,

    Ik voelde meteen dat dit verhaal wat ze voor me zal gaan schrijven me troost zal brengen.
    Ondanks dat het pas heel kort geleden is kreeg je contact.
    Het verhaal is zo mooi en ik zal er moed uit moeten halen.
    Daar heb ik nu nog teveel verdriet voor.
    Maar ik heb hem gesproken, mijn Vlindertje is bij me.
    Ik ben zo moe, dank je wel voor alles.
    Liefs,
    Lenie