Sprookje


Het was koud, de regen sloeg tegen de ramen.

Een meisje en een jongetje stonden voor het raam.

Ze hadden beiden hun neusjes tegen het raam gedrukt.

De warme adem die uit hun mondjes en neusjes tevoorschijn kwam, zorgde ervoor dat het raam besloeg.

Met hun vingertjes tekenden ze ieder een hondje op de ruit.

Hun hondje was nu in de Hemel en speelde nu met andere hondjes en was gelukkig. Maar het jongetje en het meisje misten hem zo.

Soms huilden ze nog stiekem om hem.

Het was inmiddels donker geworden.

Ze hadden gegeten en waren al in bad geweest.

Mama keek naar haar beide kinderen. Goh, wat hield ze toch van hen.

Ze ging achter haar kinderen staan en keek naar de tekeningen op het raam en zag beiden hun hond hadden getekend.

Moeder ging op haar knieën zitten, drukte haar neus tegen het raam en ademde net zolang totdat het besloeg.

Naast de twee hondjes die haar kinderen hadden getekend tekende ze een maan. In een wolkje zette ze met grote letters “Bedtijd”.

Haar kinderen wilden nog niet naar bed.

Ze wilden eigenlijk nog opblijven.

Maar moeder zei dat het tijd was en dat morgen weer een nieuwe schooldag was.

Met enige tegenzin liepen ze voor moeder uit naar hun slaapkamertjes.

“Mogen we nog een verhaaltje?” Vroeg Emma. “Ja, ik wil ook een verhaaltje!” Riep Gijs.

Moeder lachte. “Jullie mogen allebei een verhaaltje uitzoeken.”

Snel zochten ze een verhaal uit.

Eerst ging moeder naar Gijs.

Ze las hem een prachtig verhaal voor over een koe en een schaap die samen op avontuur gingen. Het was reuze spannend.

Moeder gaf Gijs een nachtzoen en wenste hem welterusten.

Daarna ging moeder naar de slaapkamer van Emma.

“En wat voor verhaaltje wil jij horen?” Vroeg moeder.

Emma stak het verhaal omhoog, “deze wil ik”.

Moeder pakte het verhaal en keek er naar.

Dit verhaal kende ze nog niet. “Hoe kom jij aan dit verhaal Emma? Deze hebben we nog nooit gelezen.”

Emma deed haar schoudertjes omhoog, “Ik weet het niet mama, het stond hier opeens tussen mijn boeken. Ik heb dit verhaal nog nooit gezien.” Vreemd, dacht moeder maar begon te lezen.

 

Dit verhaal ging over een broertje en een zusje.

Ze waren in een groot bos. Het bos was al heel oud.

Het was het grote toverbos waar alle verhaaltjes verdaan kwamen.

Ook kwamen daar de sprookjes vandaan.

Dus de grote boze wolf van roodkapje en van de zeven geitjes woonde hier. En ook de grote boze toverheks.

Maar in dit verhaal zullen we de wolf en de heks niet tegen komen.

Nee, de twee kinderen gingen op reis.

Ze hadden elk een rugtas om met daarin de nodige bagage.

Ze liepen over de zandpaden door het bos.

Langs het pad groeiden bloemen.

De één was geel de ander weer rood, maar zo nu en dan zagen ze ook paarse bloemen.

De zon scheen en het broertje en zusje liepen hand in hand.

De vogels vlogen voor hen uit en een hertje liep naar het jongetje. Het keek hen uitdagend aan. “Wat wil je dan hertje?” Vroeg het jongetje. “Wil je soms een stukje rennen?”

Het hertje begon al te rennen.

Beide kinderen renden achter het hertje aan.

Bij een splitsing sloeg het hertje linksaf.

Het jongetje en meisje volgden hem.

“Niet zo snel!” Riepen ze hem na.

Maar het hertje was al verdwenen in het struikgewas.

Ze gaven elkaar weer een hand en liepen naast elkaar over de paden verder. Een uil die in een hoge boom zat en alles gade sloeg keek naar beneden. Hij had hen al van veraf aan zien komen.

Hij zag dat de beide kinderen links afsloegen en door een onzichtbare poort liepen. Een poort naar een andere wereld.

Een wereld waar alleen maar Elfjes, Feetjes en lieve tovenaars woonden. Kaboutertjes kwamen uit hun huisjes en keken met liefdevolle blik naar beide kinderen. “Waar komen jullie vandaan?” Vroegen ze beleefd.

De kinderen begrepen niet wat ze zagen. Ze hadden weleens van kaboutertjes gehoord, maar er nog nooit één gezien. “Wij komen van huis.” Zei het zusje. Een oud kaboutervrouwtje begint te lachen en zegt: “Ik denk dat jullie een beetje verdwaald zijn. Kom, ik zal jullie naar de Elven brengen. Zij zullen ervoor zorgen dat jullie op de juiste pad en weer thuis komen. Kom, volg mij maar.”

De beide kinderen liepen achter het kaboutervrouwtje aan.

Niet alleen de kinderen, maar heel het kaboutervolk volgde de kinderen. De Feeën die rond fladderden vroegen wie die kinderen waren en waar ze naar toe gingen. “Wij gaan naar de Elven!” Zei het jongetje trots. De vogels en vlinders volgden de stoet op de voet en de lieve diertjes sloten de rij af. Een grote optocht was ontstaan in dit prachtige toverbos met het kaboutervrouwtje voorop.

Steeds dieper liepen ze het toverbos in.

De bossen gingen over in grote heuvels en het gras was prachtig groen. De paden waren hier breder en het meisje en het jongetje keken hun ogen uit. Ze zagen watervallen, besneeuwde bergtoppen en telkens kwamen ze weer in een ander landschap terecht.

We zijn er bijna zei het kaboutervrouwtje. Nog een paar heuvels over en dan zijn we er. Het broertje en zusje knikten, ze hadden het begrepen. De heuvels waren nu bebost en de bomen waren hier zo ontzettend hoog dat je de toppen niet kon zien. De heuvels waren met mos begroeid en ze zagen prachtige bloemen. De geur was zoet en het voelde zo veilig.

Ze liepen over een loopbrug en liepen het Elfendorp binnen.

Midden op het plein stond het kaboutervrouwtje stil.

“We zijn er.” Zei ze vriendelijk. “Ik zal de koning van deze wereld ophalen. Hij zal wel weten hoe hij jullie weer thuis kan brengen.”

Het kaboutervrouwtje liep naar een kasteeltje.

Ze beklom de treden van de trap en klopte aan op een grote houten deur. De deur ging meteen open. Ze keek omhoog en zag de oude Elfenkoning staan. “Majesteit, ik heb hier een broertje en een zusje meegebracht. Ze zijn een beetje verdwaald. Kunt u ze weer naar huis brengen?” De Elfenkoning lachte vriendelijk toen hij naar de beide kinderen keek. “Maar natuurlijk kan ik dat!” Riep hij enthousiast uit. Naast de koning kwam een man staan.

Hij had een grote cape om met grote zilveren sterren.

Hij was al oud want hij had grijs haar en een lange baard.

Hij lachte vriendelijk naar beide kinderen.

“Laat ze toch binnen komen, dan kunnen ze even wat eten en drinken!” Zei hij vriendelijk.

De Elfenkoning nodigde de beide kinderen uit om binnen te komen.

Heel voorzichtig, stapje voor stapje liepen ze achter de Elfenkoning en de oude man naar binnen.

Eenmaal binnen mochten ze aan een grote tafel zitten waar opeens de meest lekkere dingen op tafel stonden.

Verschrikt keken de beide kinderen elkaar aan. “Maar hoe kan dat?” Vroeg het jongetje aan de oude man. “Ik ben de oudste tovenaar hier in dit sprookjesbos. Ik ben de liefste, aardigste, leukste en vrolijkste tovenaar die je ooit zult tegenkomen. Ik help ieder kind dat bang, eenzaam of verdrietig is. “Oh, maar hoe doet u dat dan?” Vroeg het meisje nu. 

“Het is heel simpel.” Zei de oude man. “Neem bijvoorbeeld jullie rugtas.

Doe die eens af?” De beide kinderen deden wat hen gevraagd werd.

Maak deze maar eens open en leg alle spulletjes maar eens op tafel neer.” De kinderen haalden hun tassen leeg.

Ze hadden allebei een appel voor onderweg bij zich.

Een boekje waarin ze konden schrijven en een warme trui voor als het koud mocht worden. De oude tovenaar keek tevreden.

Als jullie weer thuis zijn wil ik jullie graag aanraden om een deken te maken of kopen die je echt heel erg mooi vind.

Een dekentje die warmte geeft maar ook bescherming. Als je verdrietig of bang bent dan kun je dit dekentje om je heen slaan. Je kunt er ook onder slapen en ik weet zeker dat je dan heerlijk zult slapen. Het boekje dat jullie bij jullie hebben is een goede keus. Schrijf hier alles in wat je hebt meegemaakt, leuke en minder leuke dingen. Vind je schrijven nog een beetje moeilijk dan kun je het ook tekenen. Het zal dan jouw geheime boekje zijn.

Als je het boekje dan op een geheime plek in je eigen slaapkamertje neerlegt, weet ik het boekje te vinden en zal ik er alles aan doen om jou te helpen als je verdrietig bent.

Als je leuke dingen hebt opgeschreven, zal ik er om lachen en zal het mij nog gelukkiger maken.

De beide kinderen knikten dat ze het begrepen hadden.

De Elfenkoning kwam nu naar hen toe gelopen. “Wisten jullie dat er op dit moment over jullie word geschreven?”

De kinderen keken elkaar verbaasd aan.

“Ja, jullie hebben iets heel erg liefs gedaan. Weten jullie nog wat?” Vroeg de Elfenkoning.

De kinderen dachten eens na, maar ze wisten het niet meer.

 

“De mevrouw die jullie ooit eens een deken heeft gegeven was erg ziek. Hebben jullie voor haar niet een hele mooie tekening gemaakt om haar op te vrolijken?” De kinderen wisten het weer, ze waren het bijna vergeten. “Ja, dat hebben wij gedaan. Mama zei dat deze mevrouw ziek was en wij vonden dat heel erg. Daarom hebben wij haar een tekening gestuurd met onzichtbare inkt.”

 

De Elfenkoning ging verder met zijn uitleg. “Nou, wisten jullie dat deze vrouw sprookjes schrijft en dat jullie nu in één van haar sprookjes voorkomen?”

Nee, dat wisten de kinderen niet.

“Deze mevrouw was zo dankbaar en blij met jullie tekeningen en daarom is ze dit verhaal voor jullie gaan schrijven.   

Een verhaal speciaal voor jullie. Om jullie te bedanken.

Ze zal het aan jullie geven, zodat mama het zo vaak als jullie willen voor kan lezen.”

De kinderen keken blij naar elkaar en naar de Elfenkoning.

“Maar ik denk dat het tijd is en dat jullie nu naar huis moeten.

Het is bedtijd en het verhaal duurt nu wel heel erg lang.

Morgen zal mama het weer voor lezen en overmorgen net zo vaak als jullie het willen. Ga met deze oude tovenaar mee, hij word ook wel vadertje tijd genoemd. Hij zal er voor zorgen dat je lekker kunt slapen. Vraag naar hem als je wilt dat hij langs komt.

Hij zal je dan om de juiste tijd bezoeken en je in slaap laten vallen.”

De kinderen knikten.

Nog voor ze weg gingen liepen de beide kinderen naar de deur en deden deze open.

Buiten stond het plein vol met kabouters, feetjes, hertjes, konijntjes, ganzen, biggetjes, geitjes, vogels en vlinders. Iedereen begon te juichen.

De kinderen zwaaiden en liepen vrolijk terug naar binnen.

Ze gaven Vadertje Tijd een hand en verdwenen terug naar huis.

 

Emma die in haar bed lag en met open mond naar haar verhaal had geluisterd, keek haar moeder verbaasd aan.

Gijs die nog niet kon slapen en in de deuropening het verhaal stiekem had mee geluisterd keek naar zijn zusje en zijn moeder.

‘Mama’, zei hij zacht. “Wil je morgenavond dit verhaal nog eens vertellen?” Moeder stond op. Ze knikte. “Ja, ik zal jullie dit verhaal net zolang voorlezen totdat jullie er genoeg van hebben.”

En ze gaf haar dochter een zoen. “Lekker slapen hè, vadertje tijd komt zo langs.” En ze liet het nachtlampje aan.

Snel bracht ze haar zoontje naar zijn bed. “Ik zal het morgen weer vertellen.” Zei ze zacht en stilletjes liep moeder de slaapkamer en het verhaal uit.

 

Slaap lekker!

 

© Jolanda Rhijnsburger.


Wilt u ook een reactie achter laten?

Dan bent u van harte welkom in mijn gastenboek!


Commentaren: 1
  • #1

    Gerda (donderdag, 06 augustus 2020 15:23)

    Beste Jolanda ,
    Toen ik aan het begin van het sprookje de tekening zag maakte mijn hart een sprongetje ! Deze afbeelding heb ik ooit gekocht als een behang rand voor in de kinder kamer Van onze dochter. Ik was getroffen door de blijheid van de elfjes en al het andere die op de tekening staan.
    Het bracht mij meteen terug naar het moment. Dank je wel.