Een weg terug



 

Een vrouw stond voor het raam en staarde naar buiten.

Ze dacht aan haar oma, die ze zo vreselijk miste.

Het waren fijne jaren samen. Maar een verhuizing verstoorde de innige band die ze samen hadden.

Ze had veel mee gemaakt in haar jonge jaren.

Ja, ze had het allemaal ervaren.

Voor sommige ervaringen was ze dankbaar. Het had haar bewuster en liefdevoller gemaakt. Bijna volwassen.

Andere ervaringen hadden haar verdrietig gemaakt en uit balans gebracht.

Het telkens weer haar eigen weg moeten vinden vond ze dan ook erg moeilijk.

De vrouw liep van het raam weg en ging op een stoel zitten, drapeerde een kleed over haar benen, deed haar ogen dicht en viel in een diepe slaap.

Langzaam werd ze de Aarde in getrokken.

Ze zag de lagen van de tijd en zakte steeds dieper de Aarde in.

Ze voelde een warmte die als thuiskomen aanvoelde.

Ze sloot heel even haar ogen om de warmte van Moeder Aarde in zich op te nemen.

Langzaam gingen de donkere tinten over in de wat lichtere kleuren.

De warmte veranderde in een fris heldere kou. Niet de kou waarvoor je een jas aan moet doen. Nee, deze kou was aangenaam en haar lichaam begon te tintelen.

Langzaam werd het licht helderder en ze kwam op een plek waar ze nog nooit iets over gezien of gehoord had.

Deze plek was adembenemend.

Er waren een zon en een maan, maar ze schenen allebei tegelijk.

Er was regen en er was wind, maar je werd niet koud of nat en het voelde verfrissend aan.

Er was zee en er was land, wat voor een prachtig panorama zorgde.

De vrouw zag dat ook zij mee veranderd was. Ze was geen vrouw meer, maar een jong meisje.

Het meisje keek om zich heen. ‘Waar was ze…?’

Ze liep naar het water en zag daar zeemeerminnen spelen.

Ze zwaaiden naar haar.

Op het land zag ze Engelen lopen.

In het bos zag ze, Elfjes, Nimfen en Natuurgoden hun werk doen. Ze gaven liefde aan alles wat groeit en bloeit.

‘Welkom!’ Hoorde ze opeens achter zich. Verschrikt draaide zij zich om.

Ze zag een lange vrouw staan in een prachtige groene jurk.

Ze had lang rood golvend haar en een zachte serene blik in haar ogen.

De vrouw spreidde haar armen en knielde neer op het zachte mos. ‘Welkom mijn kind, ik heb zo lang op jou gewacht. Hier ben je veilig, hier is je thuis.’ En het meisje wierp zich in de armen van de vrouw.

Het meisje begon te huilen. Dikke tranen rolden van haar gezicht.

Het was, alsof ze door dit huilen alle last van haar schouders liet afvallen.

Hier voelde zij zich welkom. Dit gevoel van thuiskomen had ze nog nooit eerder ervaren.

De vrouw streelde over het haar van het meisje. Dit was net zo rood als haar eigen haarkleur. ‘Huil maar mijn kind. Huil maar.’ En ze kuste de zachte haren van het meisje.

Na een tijdje was het meisje uitgehuild. Ze veegde de tranen van haar gezicht.

‘Kom, laten we daar even gaan zitten.’ Zei de vrouw en ze wees naar een bankje dat bij het water stond.

Samen liepen ze er hand in hand naartoe.

Een vlinder kwam aangevlogen en ging op het haar van het meisje zitten. De vrouw glimlachte tevreden.

Ze gingen naast elkaar zitten en er kwamen nu ook vogeltjes in de mooiste kleuren aangevlogen. Ze gingen naast het meisje aan de andere kant van het bankje zitten.

Twee kleine reetjes kwamen aan gelopen en gingen op het zachte mos voor hun voeten liggen.

Vlinders gingen op haar jurkje zitten en wachtten geduldig op wat de vrouw zou gaan zeggen.

Ook waren er twee zwanen naar de oever van het water gekomen en wachtten geduldig af.

‘Ik geloof dat nu iedereen een plekje gevonden heeft.’ Zei de vrouw, terwijl ze liefdevol naar het meisje lachte.

Het meisje had haar ogen uitgekeken, zoveel diertjes en zo lief allemaal. Ze keek de vrouw dankbaar aan.

De vrouw streelde haar opnieuw betraande gezichtje en begon te praten.

‘Lief kind, ik ben zo blij dat je hier bent. Ik heb je zo gemist.

Ik ben je moeder. Ik ben de moeder van deze wereld. Ik hou oprecht van jou.

Hier bij mij ben je veilig. Bij mij zul je de liefde vinden die jij je hele leven hebt gemist.

Kom naar mij als je verdrietig bent. Hier is jouw thuis.

Ik zal je beschermen, helen en omarmen.

Geef jezelf nooit meer weg, leef voor het eerst eens jouw leven en niet dat van een ander.

Ik zal je helpen. Ik wijs je de weg.

Wees niet meer verdrietig en doe het wat rustiger aan.

Je zal zien dat het leven dan wat makkelijker zal gaan worden. Het hoeft allemaal niet zo moeilijk te zijn.’

En ze glimlachte naar het meisje.

Het meisje knikte, ze had het begrepen.

‘Kom, ik breng je terug. Je weet nu waar je thuis is, dat is hier bij mij.’ En ze gaf het meisje een kus op haar voorhoofd.

‘Jij bent een kind van Moeder Aarde.’

De vrouw gaf het meisje een hand en samen gingen ze terug door de lagen van de tijd.

Terug op de stoel zei haar moeder; ‘Wees jezelf en laat niet door anderen bepalen wat je moet doen.

Dit is jouw leven! Een leven dat vanaf nu vol liefde zal zijn, omdat wij elkaar hebben teruggevonden.’

Het meisje bedankte de vrouw die langzaam in de stilte verdween.

Bij het wakker worden keek de vrouw verschrikt om zich heen. ‘Waar was ze nu?’

Op een tafeltje voor zich, zag ze een ketting liggen met een klein briefje er naast.

De vrouw pakte het op en las de woorden die er op stonden.

‘Hier een kleine herinnering aan onze eerste ontmoeting in de binnen wereld. Ik schenk jou een ketting met amulet, afkomstig uit Atlantis. De steen die erin verwerkt zit is een amethist, met daarin de kronieken van jouw tijd.

Doe haar om en draag haar altijd, want zij wijst je de weg terug naar mij. De weg naar Moeder Aarde.

 

 

         Einde