In alle eenzaamheid


 

Het was winter en een klein meisje stond aan de grond genageld.

Ze keek naar de situatie die voorhaar ogen afspeelde.

Een man stond met zijn kruk in de ene hand en met zijn andere hand had hij een bekertje vast.

Hij verkocht de dakloze krant.

Hij steunde met zijn volle gewicht op die ene kruk, waardoor hij naar voren helde. Hij had zijn mondkapje aan zijn kin hangen en hij smeekte werkelijk ieder mens die naar binnen en naar buiten kwam, om een beetje geld.

Zijn schoenen waren versleten, zijn broek te groot en hij had een fluoriderend hesje aan, om zo kenbaar te maken dat hij hier mocht staan.

Het meisje die deze situatie bekeek was ontzet.

De man huilde bijna, hij keek bang om zich heen, hij had duidelijk al veel mee moeten maken.

Het meisje keek naar de deur van de supermarkt.

Mensen pakten hun karretje en liepen naar binnen om even later weer naar buiten te komen met een kar vol boodschappen.

Het was een treurig gezicht hoe deze man met zijn ene kruk de mensen probeerde te overtuigen van zijn doel.

Het was nog treuriger om te zien hoe deze mensen hem niet zagen staan. Alsof hij van lucht was liepen ze langs hem heen.

Er was geen één die zijn beurs open trok, er was er geen één die de 0,50 cent van het winkelwagentje in zijn bekertje gooide.

Er was geen één die hem een glimlacht gunde of een fatsoenlijk woord. Het meisje was teleurgesteld. De wereld was zo verdeeld.

Velen praten over liefde, liefde voor de medemens. Maar het meisje had hier geen liefde gezien.

 

De winkel ging dicht en de man was moe.

Hij slenterde met zijn ene kruk naar het nachtcentrum om daar te kunnen slapen. Maar hij was te laat.

Alle bedden waren al voorzien van iemand die deze koude nacht lekker warm wilde slapen.

De man stak zijn hand in zijn zak van zijn jas en haalde daar een handje met kleingeld uit en probeerde het te tellen.

Maar hij was te moe om het nog uit te rekenen.

Hij ging uitgeput op een bankje zitten en keek verdrietig om zich heen. Hij dacht aan vroeger.

De oorlog, het vluchten en hoe hij hier zwervend op straat was terecht was gekomen.

De man huilde zachtjes, hij wist niet meer hoe hij verder moest.

Hij dronk niet, was nergens aan verslaafd, maar hij was ziek van heimwee. Maar terug gaan was geen optie.

De man ging op het bankje zitten en legde zijn hoofd op de tas die hij altijd met zich mee droeg en viel in slaap.

Langzaam werd hij door de kou overmeesterd en had de dood hem ingehaald.

De volgende dag vonden ze hem daar.

Niemand die op zijn begrafenis aanwezig was.

Niemand met een vriendelijk woord.

Hij stierf alleen, maar in de Hemel verwelkomden ze hem met al hun liefde.

 

 

Geschreven door Jolanda Rhijnsburger. 


gastenboek


Commentaren: 0