Zwevend op de wind


 

Opeens stond ze daar.

Kijkend omhoog, naar een vogel die haar zojuist had afgezet.

Het was voor haar de eerste keer dat ze op de rug van deze vogel mee mocht vliegen.

Ze wilde het al zo lang, maar het was er nog nooit van gekomen.

En nu juist, op het moment dat ze er niet aan dacht, had de vogel haar bij haar trui vastgegrepen en met zijn snavel zo achterop haar rug geworpen.

Het was een enge ervaring en ze was nog steeds niet helemaal van de schrik bekomen.

Ze moest heel snel handelen, anders gleed ze zo weer van zijn warme verenpak af naar beneden.

Ze was op de vlucht geslagen, want ze werd achterna gezeten door een buidelrat.

Ze had hem al een tijdje zitten plagen en daar werd hij boos om.

Hij had zich niet bedacht en was opeens op haar af komen stormen.

Ze moest heel hard rennen en was bijna ingehaald door hem, toen plotseling een vogel naar beneden zoefde en haar redde van deze boze buidelrat.

Ze ging op een steen zitten en dacht weer terug aan de vlucht die ze maakte op de rug van de vogel.

Hij had haar op zijn rug geworpen en haar toe geschreeuwd, dat ze zich heel goed vast moest houden.

Dat had ze ook gedaan.

Ze vlogen hoger en hoger en de vogel liet haar een wereld zien, die ze nog nooit had gezien. De wereld van bovenaf.

Hij liet eerst zien waar zij vandaan kwam. Een klein dorpje met heel veel kleine elfjes. Toen vloog hij richting het huisje van de buidelrat.

Wees niet bang, ik wil je alleen laten zien hoe hij leeft en wat voor lief dier het eigenlijk is.

Ze vlogen over het huisje en ze zag dat er nog een mama-buidelrat was met wel zeven kindjes.

De vader, die door jou zo geplaagd is, moet er elke dag voor zorgen dat deze kleintjes genoeg te eten hebben. Jij hebt hem gestoord in zijn zoektocht naar eten en nu hebben de kleintjes honger. Kijk maar, ze rillen van de kou en smeken om eten. Het elfje op de rug van de vogel keek naar het tafereel, dat door haar veroorzaakt was. “Wat erg, ik wist dat niet….”

“Misschien kun je straks je excuses aanbieden”, zei de vogel.

“Ja, dat is dan wel het minste wat ik zou kunnen doen”, zei het elfje.

“Kom, ik zal je nog iets laten zien”. En de vogel vloog nog hoger.

“Kijk, dat is de grote mensen wereld.”

Het elfje keek over de sluiers van haar wereld en zag een grijze, grauwe en onvriendelijke wereld.

Ooit waren deze bewoners net als wij. Ze hadden lol en genoten van iedere bloem, bij, of vlinder die ze zagen.

Ze hadden geen haast en wilden geen baas zijn over elkaar. Iedereen leefde zij aan zij, naast elkaar.

Maar waarom doen ze dat nu niet meer? Vroeg het elfje.

“Ik denk dat ze het vergeten zijn”, zei de vogel. Doordat ze geen mooie dingen meer konden zien, is er een sluier ontstaan tussen onze wereld en die van de grote mensen.

“Dus ze kunnen onze meerminnen en mij ook niet zien?” De vogel schudde met zijn kop van nee.

Het elfje dacht er even over na. “Maar hoe komt het dan dat jij er wel naartoe kunt?”

“Kunnen ze jou wel zien?”

De vogel begon te lachen. “Ja mij kunnen ze wel zien.”

“Wij zijn de boodschappers, wij proberen de grote mensen te laten zien, dat er nog meer is dan macht en hebzucht, jaloezie en haat. Allemaal woorden die jij niet kent.”

“Wij zijn er met de hoop dat de grote mensen naar ons kijken en ook willen zweven op de stroming van de lucht.

Dat ze ook willen spelen op de golven van de wind en dat ze in gaan zien, dat er geen grenzen zijn maar vrijheid.

Maar ze hebben het niet begrepen, ze keken naar ons en nu hebben ze ons nagebouwd om van hier naar daar te vliegen.”

“Het is een trieste zaak.” Zei de vogel. “Maar misschien is er nog hoop. We wachten het maar af.”

“Er zijn een aantal grote mensen, die het wel hebben begrepen. Die proberen wij nu vanuit deze wereld te vertellen wat er moet  veranderen.

Maar dat kunnen ze niet alleen, daar is hulp voor nodig.

Uiteindelijk zullen ook de grote mensen het grote geheel zien, precies zoals wij het zien.”

“Zo!” Zei de vogel. “Ik denk dat wij genoeg hebben gezien.

Ik ga je terugbrengen naar je dorp. En denk erom, geen buidelratjes meer plagen hè.”

Het elfje glimlachte en dacht nog even na over wat de vogel haar had verteld.

Er was nog een wereld naast die van hun. Een hele enge wereld. Hopelijk zal dat snel veranderen. Ze was ook wel nieuwsgierig geworden.

“Zo, we zijn er!” En de vogel lande op zijn pootjes.

Het elfje liet zich van het verenpak afglijden en bedankte de vogel.

“Denk eraan, voor je het weet pik ik je weer op om een ander deel van deze wereld te laten zien, dus hou je ogen open.” Lachend vloog de vogel weg.

Het elfje keek beduusd naar de vogel die haar zojuist had afgezet.

Opeens bedacht zei zich, rende naar huis en haalde daar wat eten van de plank en stopte het in een mandje.

Rende het huisje weer uit, richting het huisje van de buidelrat.

Hijgend klopte ze aan. De buidelrat deed open en wilde al op haar toe springen.

Maar ze zei snel: “Ik kom u eten brengen. Ik zag dat uw kindjes het zo koud hadden van de honger. Hier neem dit. Ik kan nog voor veel meer zorgen.”

De buidelrat keek verlegen naar de grote hoeveelheid eten, wat het elfje had mee gebracht.

Snel liep hij er mee naar zijn kindjes en ze aten alsof hun leven er van af hing. “Wat fijn”, zei moeder buidelrat, “ik ben je zo dankbaar.”

Het elfje bleef nog een tijdje bij hen en toen ze terug in haar dorpje was vroeg ze iedereen of ze wat eten wilden doneren voor de familie buidelrat. 

Zo kwam het, dat de elfjes zorgden voor alle dieren, die het moeilijk vonden om voedsel te vinden in de winter.

En tijdens de langste nacht van het jaar kwamen ze allemaal tezamen en zongen en dansten van plezier.

Het elfje keek dankbaar naar het feest. Dankzij de vogel was dit nooit tot stand gekomen. En in de verte hoorde ze hem krijsen. De buizerd!

En de kleine elf glimlachte.

 

© Jolanda Rhijnsburger.

 

 

 

 


Wilt u ook een reactie achter laten?

 Dan bent u van harte welkom in mijn gastenboek!

Commentaren: 0