"Hoe laat is het?" vroeg de vrouw aan haar man.
De man legde zijn krant neer en keek op de klok.
"Het is bijna acht uur," zei de man.
De vrouw stond op en deed de televisie aan. Het was bijna tijd voor het achtuurjournaal.
"Ik zal nog snel een kopje koffie voor ons inschenken," zei de vrouw.
Ze liep naar de keuken, pakte twee kopjes en schonk de koffie in.
Twee lekkere koeken haalde ze uit een trommeltje. Die had ze diezelfde middag bij de bakker gekocht.
De kopjes en de koeken zette ze op een dienblad en daarmee liep ze de kamer in.
Ze zette het dienblad op tafel, pakte het kopje van haar man en zette het voor hem neer. De lekkere koek legde ze op een schoteltje ernaast.
Ze wilde net gaan zitten toen ze van schrik opkeek.
Haar man had al die tijd niets gezegd en niet bewogen.
Een sterk gevoel van paniek schoot door haar heen.
Ze wist het. Ze wist het...
Snel belde ze de dokter, maar ze wist het al.
Het was te laat.
Een paar dagen later, na de begrafenis, zaten ze met z'n allen nog even bij elkaar.
De kinderen waren haar grootste steun geweest.
Maar ze wilde alleen zijn.
Even geen mensen om haar heen, even helemaal niets.
Ze vroeg heel vriendelijk of iedereen naar huis wilde gaan, omdat ze graag even alleen wilde zijn.
Ze wilde even tot rust komen.
Ze bedankte haar kinderen en nam afscheid, waarna ze de deur achter hen sloot.
Ze sloot de gordijnen, deed het licht aan en nam even de tijd om lekker te douchen.
Terug beneden schrok ze.
Het was acht uur en de televisie stond aan.
Het journaal begon.
Ze rook versgezette koffie.
De vrouw liep de keuken in en zag twee kopjes staan.
Naast de kopjes stonden twee lekkere koeken van de bakker.
Het vrouwtje was blij.
Ze wist dat haar man bij haar was.
Dit was een teken.
Het betekende dat het goed met hem ging.
's Avonds ging de vrouw naar bed.
Ze viel meteen in een diepe slaap.
Op datzelfde moment stond haar man naast haar bed.
Hij gaf haar een kus op haar mond.
De vrouw lachte en kroop uit bed.
"Kom," zei de man, "dan laat ik je iets moois zien."
Samen gingen ze naar een plek die veel weg had van een tuin.
In deze tuin stond een klein wit prieeltje.
Er klonk muziek, waarop de man zijn vrouw in zijn armen nam.
Samen dansten ze de hele nacht.
Tegen de ochtend bracht hij haar weer terug.
De vrouw gaf haar man een kus en stapte haar bed weer in.
Ze opende haar ogen.
Het ochtendlicht kwam al voorzichtig door de ramen.
De volgende avond stond haar man al op de uitkijk.
Zodra ze haar ogen sloot en in een diepe slaap viel, haalde hij haar op.
Ze dansten en wandelden tot de ochtend.
De vrouw was blij met dit grote geschenk.
Ze wist wel dat overleden mensen altijd even langskwamen.
Maar dansen met haar grootste liefde had ze niet verwacht.
Het dansen en wandelen ging door totdat de vrouw over haar verdriet heen was.
Ze wist dat als zij heenging, zij altijd bij haar man kon zijn.
En samen konden ze tot in de eeuwigheid met elkaar blijven dansen.
