*** Terug naar Huis ***

“Mama, waar gaan wij naartoe?”

Een jongetje keek omhoog naar zijn moeder.

Moeder keek haar zoon aan.

“Luister goed, wij gaan samen met z”n tweetjes op reis.”

De jongen was blij. Hij stond te dansen en te springen van blijdschap.

“Waar gaan we dan naartoe, mama?”

Moeder bleef staan, boog zich een beetje naar voren en keek haar zoon recht in de ogen.

“Wij gaan naar de Engelen.”

Het jongetje keek verbaasd.

“Bestaan er dan echt Engelen, mama?”

“Ja, die bestaan echt, maar niet iedereen kan ze zien. Wij wel.”

Ze gaf haar zoon een knipoog.

“Ik zie ze nu overal om me heen,” zei ze.

De jongen had nog nooit een Engel gezien. Hij dacht altijd dat het een verzinsel was. Nu ging hij met zijn moeder naar de Engelen en zijn mama zag ze wel.

“Maar als u ze nu al ziet, dan zijn we toch al bij de Engelen?” vroeg hij.

Moeder knikte.

“Dat klopt, maar er is één plek waar de Hoogste Engelen wonen en daar gaan we nu naartoe.”

Ze trokken hun jas aan en gingen samen op pad.

“Is het nog ver?” vroeg de jongen na een tijdje.

“Wij zijn er bijna. Alleen deze trap omhoog en dan zijn we bij de Engelen.”

Moeder en zoon beklommen samen de trap. Een trap die in het begin heel breed was, maar hoe verder je naar boven liep, hoe smaller hij werd. Helemaal bovenaan was de trap zo smal geworden dat je nog maar één voet op een trede kon zetten.

Boven aan de trap lag een groot plein. Als je omhoog keek, zag je een enorm gebouw. Het was gemaakt van wit marmer en had heel veel ramen. De bovenkant was niet te zien, want die lag verborgen in de wolken.

Moeder pakte haar zoon bij de hand.

“Dicht bij mama blijven hoor.”

Samen staken ze het plein over totdat ze bij het gebouw aankwamen.

Voor de deur stond een Gouden Engel. Deze Engel had een zwaard in zijn hand. Hij hield moeder en zoon staande en vroeg aan moeder wat ze kwamen doen.

Moeder, die niet bang was, zei:

“Ik kom voor de Hogere Engelen.”

De Gouden Engel die op wacht stond, liep naar de deur en deed hem open.

Moeder pakte haar zoon weer bij de hand en samen liepen ze naar binnen.

Binnen was alles wit. Er was een enorme zaal die geen einde leek te hebben. Pilaren reikten zo hoog dat je hun uiteinde niet kon zien. Overal liepen Engelen heen en weer.

Het jongetje kon ze nu ook zien en keek zijn ogen uit.

Maar ze moesten verder.

Moeder nam haar zoon opnieuw bij de hand en samen liepen ze naar een lift.

Voor de lift stond een prachtige Witte Engel.

“Waar wilt u naartoe?” vroeg hij aan moeder.

“Ik kom voor de Hogere Engelen,” antwoordde zij.

De Engel opende de lift, liet moeder en zoon instappen en drukte op een paar knoppen.

Er gebeurde niets. Geen vreemd gevoel van omhoog of omlaag gaan, helemaal niets.

De Engel had op enkele knoppen gedrukt en vrijwel direct daarna ging de deur alweer open.

“Bestemming bereikt,” zei de Engel.

Moeder pakte haar zoon weer bij de hand en samen liepen ze door een stille, witte gang. Aan het einde van de gang bevond zich een deur. Dit keer stond er geen Engel voor.

Moeder klopte aan.

De deur ging open en moeder en zoon stapten naar binnen.

In een grote ruimte zonder muren stond een ronde tafel. Aan die tafel zaten twaalf Hoge Engelen.

Moeder liep naar de tafel toe. De Engelen keken moeder en zoon aan en begonnen te lachen.

“Welkom terug,” zeiden ze allemaal tegelijk. “Jouw reis heeft lang geduurd. Wat zijn wij blij dat je weer terug bent!”

Moeder was ook blij. Ze omhelsde de Hoge Engelen en keek toen naar haar zoon.

“Dit zijn mijn vrienden. Zij hebben altijd voor mij klaargestaan en mij laten leren wat ik wilde leren. Maar nu ben ik thuis. En mijn kind, jij bent ook thuis. Jij mag spelen met de andere Engelen en ervan genieten om zelf een Engel te zijn.”

Moeder en zoon waren blij en genoten van alle liefde en aandacht die ze van iedereen kregen.

Het jongetje kreeg een zoen van zijn moeder en een lieve Zilveren Engel bracht hem terug naar beneden, waar allemaal andere engelenkindertjes waren.

Ze kregen les en mochten mee op schoolreis. Ze werden opgeleid tot Beschermengel, zodat ze, wanneer ze groot zijn, jou kunnen beschermen en liefhebben.