“Maak dat je wegkomt!” schreeuwde een vrouw tegen haar man.
“Ik wil je nooit meer zien!” gilde ze nog eens.
De man greep verslagen naar zijn autosleutels die op een kastje in de hal lagen.
Met zijn rug tegen de muur schoof hij steeds een beetje dichter naar de buitendeur toe.
Toen hij er bijna was, vloog de vrouw gillend op hem af.
“Ga weg!!!”
Maar hij was net iets sneller en gooide de deur voor haar neus dicht.
Met zijn rug tegen de buitendeur gedrukt kwamen de tranen.
Snel veegde hij ze van zijn gezicht.
Er was nu geen tijd om te huilen.
Hij moest handelen.
Snel raapte hij alle kleren bij elkaar die zij in haar woede naar buiten had gegooid.
Hij deed de kofferbak open en legde alles erin.
Daarna sloot hij de kofferbak weer en keek recht in het gezicht van zijn vrouw.
Ze huilde.
“Kom toch terug alsjeblieft.
Het spijt me zo.
Echt, ik zal het nooit meer doen.”
De man huilde nu ook.
Het was niet de eerste keer dat zij haar jaloezie en angsten op hem afvuurde.
“Ik kan niet meer”, zei de man.
“Ik kan niet meer.”
En hij keek haar verdrietig aan.
“Je hebt een ander hè?
Nou, zeg op, wie is het?
Ik zag je laatst wel lachen naar de buurvrouw.
Het is de buurvrouw hè!!”
De man, die tegen de auto stond aangeleund, huilde zachtjes.
Dikke tranen van onmacht stroomden over zijn wangen.
Huilend smeekte hij haar om hem te laten gaan.
“Je hebt een ander!!” schreeuwde ze nu nog harder.
Maar de man was stil geworden.
Er was een rust over hem heen gekomen.
Het enige wat hij deed, was haar recht in de ogen aankijken.
Hij voelde zijn kracht toenemen en zijn vrouw deed een stap achteruit.
“Ik heb geen ander”, zei hij zacht.
“Jij was mijn enige vriendin en je hebt alles stukgemaakt.
Alleen maar omdat je bang bent.
Jij hebt je laten leiden door jouw angst, jouw jaloezie en jouw herinneringen uit het verleden.
Ik bén jouw verleden niet!
Jij hebt alles stukgemaakt.
Alles!”
De vrouw deinsde nog verder achteruit en ging op de stoep zitten.
Hij keek haar aan.
Tranen liepen over haar wangen.
“Ik ben zo bang”, zei ze zacht.
De man wist dat dit het begin was van één van haar spelletjes.
Spelletjes die ze al zo vaak met hem had gespeeld.
Dit keer zou hij niet meer meespelen.
Hij deed het portier van de auto open en ging zitten.
Hij startte de motor en reed langzaam de straat uit.
In zijn binnenspiegel zag hij dat ze was opgestaan en scheldend achter hem aan rende.
Hij reed de hoek om.
Tranen van verslagenheid en verdriet stroomden over zijn gezicht.
Hij had zo van haar gehouden.
Hij had haar zo lief gehad.
Nu was hij weer alleen en reed hij een nieuw leven tegemoet.
