“Lieverd, wil jij je jas alvast pakken? Het is koud buiten en zo vat je misschien kou.”
Het meisje pakte haar jas van de kapstok.
Ze pakte haar nieuwe jas, de jas die ze gisteren van oma had gekregen.
Ze liep met haar nieuwe jas de keuken in en wilde hem aantrekken.
Moeder, die dit zag, glimlachte.
“Wil je vandaag je nieuwe jas al aan naar school?”
Het meisje lachte en knikte met haar hoofdje.
“Ja graag”, zei ze.
Vandaag wilde ze de nieuwe jas die ze van oma had gekregen aan en moeder vond het goed.
Moeder had ondertussen haar broodtrommeltje klaargemaakt en er ook wat te drinken bij gezet.
Fijn dat mama dit “s morgens voor me doet.
Het meisje vond het altijd zo gezellig samen met haar moeder aan de keukentafel.
Het meisje wist van veel kinderen in haar klas dat ze “s morgens zelf hun brood moesten smeren.
Ook was er niemand die met hen meeliep naar buiten om hun een fijne dag te wensen.
Door die gedachte begon het meisje een beetje sip te kijken.
“Wat is er, mijn kind?” vroeg haar moeder.
Het meisje keek haar moeder aan en zei:
“Ik moest denken aan die andere kinderen bij mij op school.
Zij moeten alles alleen doen zo “s morgens vroeg en hebben niet die gezelligheid die wij hebben.”
Moeder ging er even bij zitten en zei:
“Lief dat je zo aan andere kinderen denkt.
Maar het is niet allemaal zo zielig als jij denkt.
Soms is het ook goed dat een kind “s morgens alleen zijn brood moet smeren en dat er niemand is die het uitzwaait.
Het kindje weet niet beter en misschien is het wel heel erg trots op zichzelf dat het alles al alleen kan.
Alles heeft twee kanten, mijn kind.
Het is leuk om samen met jou aan de keukentafel te zitten zo “s morgens vroeg.
Het is gezellig en fijn, een mama die alles voor je doet.
Maar het kan ook zo zijn dat het door omstandigheden niet kan en dat een kindje het zelf moet doen.
Dat kindje mag dan erg trots zijn op zichzelf en het zal heel snel volwassen worden, omdat het al heel vroeg voor zichzelf moest zorgen.”
“Maar”, zei het meisje, “hoe komt dat kindje dan aan de liefde die het “s morgens niet krijgt?”
Ja, dat vond moeder een lastige vraag.
Ze wist dat er ook kinderen waren die gewoon aan hun lot werden overgelaten.
Kinderen van wie de ouders het zelf al moeilijk vonden om voor zichzelf te zorgen, laat staan met een kind erbij.
“Ja”, zei moeder, “deze kinderen krijgen het vaak erg moeilijk en gaan op zoek naar datgene waar ze altijd zo naar verlangd hebben.
Maar eigenlijk weten ze niet wat ze zoeken en waar ze dat gevoel moeten vinden.
Daarom zoeken ze het buiten zichzelf.
Veel van die kinderen raken dan een beetje hun weg kwijt.
Ze doen er alles aan om dat gevoel te vinden.
Maar ze zoeken het op de verkeerde plek.”
“Maar dat weten ze niet hè mam, dat ze niet buiten zichzelf moeten zoeken?”
“Nee, dat weten ze niet”, zei moeder.
“Ze komen daar vaak pas achter als ze bijna alles al hebben uitgeprobeerd.
En wanneer ze ontdekken dat al die dingen hun niet geven waar ze zo naar verlangden.
Totdat ze zichzelf overgeven aan wat er op dat moment gebeurt.
Ze vechten niet meer.
Ze gaan niet meer tegen de stroom in die hen zo uitput.
Ze laten het leven gaan en accepteren wat er op dat moment gebeurt.
Want vechten tegen die stroom is erg vermoeiend.
Als je niet meer zoekt, niet meer vecht en jezelf overgeeft aan wat is, dan komt de rust.
En die rust kan ervoor zorgen dat je weer geluk gaat voelen en steeds meer geluk ervaart.
Als de liefde en de rust samen terugkeren, dan is er geen zoektocht meer.”
Het meisje keek haar moeder aan en toen naar de klok.
“Het is alweer acht uur.”
Ze gaf haar moeder een zoen en zei:
“Ik hoop toch dat die kinderen een moeder hebben die “s morgens een broodje voor hen smeert, zodat ze niet zo ver hoeven te zoeken naar wat al in hen zit.”
Moeder keek haar dochter na.
Wat een heerlijk kind is dat toch, en al zo wijs.
Moeder zwaaide nog één keer en deed toen de deur achter zich dicht.
Ze ging bij de kachel zitten en dacht aan haar eigen leven.
Dat was ooit hetzelfde leven als dat van de kinderen die nu ook aan hun lot worden overgelaten.
