Mijn Engel en ik waren gaan wandelen.
We hadden al veel mogen zien, maar we hadden nog niet echt de tijd genomen om stil te staan bij de mensen die ik tijdens mijn aardse reis had gekend.
Mensen met wie ik vluchtige gesprekken had gehad, gedachten had gedeeld, korte ontmoetingen die toch betekenisvol waren.
Zij waren bij mij toen ik hier voor het eerst aankwam, toen ik deze wereld voor het eerst zag.
Maar nu wilde ik hen echt ontmoeten.
Mijn Engel vertelde mij dat niet iedereen in dezelfde sfeer woont.
Er bestaan verschillende sferen, en er is een sfeer waar iedereen naartoe mag komen, mits begeleid door zijn of haar eigen Engel.
Je kunt het zien als een ontmoetingssfeer.
Zielen die rondom deze lichtsfeer leven, kunnen hier naartoe komen.
“Is dit de enige ontmoetingssfeer?” vroeg ik mijn Engel.
Hij schudde zijn hoofd.
“Nee, er zijn er vele.
Iedereen resoneert met een bepaalde sfeer.
Jouw vader zal niet naar een andere sfeer gaan dan jij.
Zie het zo: alle mensen met wie jij verbonden bent tijdens deze zielenreis, van begin tot eind, zullen elkaar ontmoeten in deze ontmoetingssfeer.
Dat betekent dat jullie altijd verbonden zijn.
Maar er zijn ook andere ontmoetingssferen, waar weer andere zielen mee verbonden zijn.”
Hij keek me aan en glimlachte.
“En nu gaan we naar de sfeer waar jij mee resoneert.”
“Maar weet iedereen dat we vandaag een ontmoeting hebben?” vroeg ik.
Mijn Engel begon te glimlachen.
“Dit gebeurt eens in de zoveel tijd. Het voelt als een feest. Iedereen is uitgenodigd.
Kom,” zei hij zacht.
Het was magisch om te zien hoe we door de sferen heen liepen.
We liepen steeds langs de zijkanten, want om een sfeer binnen te gaan moet je er echt bewust naar binnen stappen.
De wereld aan de buitenkant zag eruit als een weidse vlakte, met paden van goud en zilver.
Hier en daar groeiden bomen, en ik zag bloemen bloeien. Het gaf rust.
“Dit is de overgangssfeer,” zei mijn Engel.
“Hier kun je lopend van de ene sfeer naar de andere gaan als je geen haast hebt, en van een rustige wandeling houdt.”
Hij keek me lachend aan. “Kom jongen, we zijn er bijna.”
We liepen verder, en toen zag ik haar: de ontmoetingssfeer.
“Mama,” zei ik zacht, “ik heb gezien dat jij al veel over deze sfeer hebt verteld.
Maar deze sfeer is toch anders dan waar jij vanuit schrijft.
Dat is ook een ontmoetingssfeer, maar die is voor mensen op aarde die heel even een dierbare mogen ontmoeten: een knuffel, een paar woorden, elkaar zien.
De sfeer waar wij nu zijn, is alleen voor mensen die hier leven, in de hemel.”
Ik keek om mij heen.
Het was werkelijk hemels.
Overal stonden kleine veranda’s met stoelen en banken, wit van kleur.
Bloemen groeiden langs de spijlen omhoog.
Ik wilde ze tellen, maar ik stopte al snel, het waren er te veel.
Je kon hier één-op-één met elkaar praten, maar ik zag ook grotere veranda’s, in ruime vormen, waar je met elkaar in een kring kon zitten.
Ik zag zilveren paarden.
Ik zag vijvers waarin kleurrijke vissen zwommen.
Alles werkte verzachtend, liefdevol, en tegelijk groots.
Op dat moment waren mijn Engel en ik nog alleen.
We gingen in een prieeltje zitten en keken om ons heen.
De vlinders waren druk vandaag; ik zag ze in grote getale rondfladderen.
Ik wilde me verbinden met deze sfeer.
Heel even sloot ik mijn ogen en voelde hoe de liefde van deze plek door mijn lichaam stroomde.
Het leek alsof een emmer vol liefde door mij heen werd gespoeld.
Ik voelde mijn vader. Ik voelde mij opa.
Ik voelde de mensen die ik had gekend, en degenen die ik had gekend voorbij dit leven.
Ik opende mijn ogen.
Daar stonden ze allemaal.
Heel even keek ik naar mijn Engel. Hij glimlachte.
“Je gaat je familie ontmoeten, jongen.
Het zal een fijn weerzien zijn. Praat, lach, maar geniet vooral.”
Ik bedankte hem, stond op, liep de veranda af en sloeg mijn vader in mijn armen.
We keken elkaar lachend aan.
Hij was jonger, hij zag er goed uit.
Hij leek ongeveer dezelfde leeftijd te hebben als ik.
Het voelde alsof we twee jongens waren die samen in de hemel woonden.
Naast hem stond opa. Hij wachtte geduldig tot papa en ik klaar waren.
Ik had hem nooit gekend, omdat hij al op jonge leeftijd hierheen was gegaan.
Hij leek op papa, maar iets ouder.
Ik had hem heel vluchtig gezien in het begin, toen ik het aardse voor het hemelse verruilde, maar nu konden we echt met elkaar praten.
Om mij heen stonden mensen die mij blij aankeken.
Ik hoefde niet te vragen wie ze waren, ik voelde het.
Ik zag jouw oma’s en opa’s van beide kanten.
Ik zag de ouders van Ronald.
Zijn moeder sloeg haar armen om me heen en gaf me zoenen op beide wangen.
“Waar ben je toch een lummel,” zei ze lachend, als een liefdevolle grap.
Ik zag zoveel mensen die mij hadden gekend, en mensen die mij niet persoonlijk hadden gekend, maar wel van mij hadden gehoord.
Familie waar ik mee verbonden was, maar ook zielen met wie ik in andere levens verbonden was geweest.
En toen zag ik Joel weer.
Hij en ik hadden tussen de aardse levens door samen een reis gemaakt, de reis die jij nu aan het opschrijven bent.
“Zo,” zei hij, “je moeder is verder gegaan met ons avontuur.
Het wordt echt heel mooi.”
Ik knikte. “Ik heb het gezien. Ze is er druk mee.”
“Zullen we binnenkort weer afspreken?” vroeg hij.
“Dan kunnen we verder waar we gebleven waren en de reis afmaken.
Ik ben erg benieuwd wat we nog mogen ontdekken.”
Ik glimlachte. “Dat lijkt me fijn.”
We namen afscheid met de wetenschap dat we contact zouden houden.
Ik had iedereen weer gezien met wie ik verbonden was.
Het was fijn om hen te ontmoeten die ik tijdens mijn aardse reis niet had gezien, maar die hier wel waren.
Het was een grote groep.
De grootste groep die ontbrak, die waren nog op reis, zoals jij en mijn zusje.
Mama, ik wil je iets vragen.
Ben je er klaar voor om het volgende avontuur van mij en de Joel op te schrijven?
Ik hou van je mama.
