De Weg naar God

Net als de vorige keer verscheen er een tunnel, en samen met mijn Engel stapte ik naar binnen.

Het voelde vredig aan, en het was alsof mijn energie meebewoog met de draaiende stroming van de tunnel.
Mijn Engel zei dat wat ik hier voelde, heel belangrijk was.

“Eén ziel,” zei hij, “is verdeeld in vele delen.

En ieder deel heeft zijn eigen taak.
Jij, Jesse, bent naar de aarde geweest.

Een ander deel van jouw ziel heeft een andere wereld leren kennen.

Zo ervaren alle delen tegelijk, ieder op zijn eigen plek.”

Ik vond het bijzonder om deze informatie op zo’n zachte manier te ontvangen.
Mijn Engel vervolgde: “Door de ziel in meerdere delen te splitsen, hoeft niet elk deel álles mee te maken.

Misschien moet ik het anders uitleggen.

Stel je een groot schip voor dat op verkenning gaat.

Een kleine sloep vaart richting Europa, een andere naar Afrika, een derde naar Amerika.

Op elk van die continenten doen ze ervaringen op, en vervolgens keren ze terug naar het schip.

Zo werkt het ook met de ziel.

Uiteindelijk komen alle delen terug om hun ervaringen te delen.”

 

Het einde van de tunnel kwam in zicht, en een stralend wit licht begon ons te omringen.

Het nam ons beide op.
Mama, dit was zó intens… ik voelde me zo welkom dat ik moest huilen.
Ik had je verteld dat we hier geen zware emoties hebben, maar de herinnering aan thuiskomen haalde toch iets van verlangen omhoog.
Alles wat nog niet in balans was, werd in dat licht getransformeerd.

Het licht brak open en ik keek een schitterende wereld binnen.
Ze leek op de wereld waar de man verbleef, maar de energie was hier anders, veel zachter.

Ik knielde neer, streek met mijn hand over het groene gras—net zoals ik eerder in de groene lichtwereld had gedaan. Het was prachtig, mama.
De energievonkjes knetterden zodra mijn vingers de grassprieten raakten.

Ik vroeg mijn Engel of we werkelijk opnieuw in de groene wereld waren aangekomen.

Hij knikte lachend.
Ik vloog hem om zijn hals, zó blij.
Mijn verlangen had mij hierheen gebracht.
Ik keek meteen of ik de ene boom kon vinden, maar we waren de groene lichtwereld aan de rand binnengekomen.

We moesten eerst dieper naar binnen wandelen.

Bij elke stap lichtte het gras onder onze voeten op.
Achter ons zag ik onze voetsporen nog zachtjes nagloeien.
Langzaam verschenen de eerste klaprozen, boterbloemen en andere schitterende bloemen.
Er ontstond een pad dat in zilver oplichtte, net zoals het gras.
Vlinders verschenen zomaar uit het niets en fladderden om ons heen.
Het was alsof de wereld langzaam voor mij openvouwde.

Op een klein bruggetje, gebogen over een rustige rivier, bleven we even staan.
Onder ons zwommen vissen in alle kleuren die je je kunt voorstellen.
We zagen libellen, kikkers en waterlelies.
Een reiger stond aan de waterkant en speelde met een zalm.
Mama… het was alsof ik een sprookjesboek binnenwandelde.

 

We liepen verder, en toen zag ik de boom waar ik eerder ook was geweest.
Ik legde mijn handen erop en keek omhoog.
De gouden energie vulde mijn hart—het voelde zo welkom, zo vertrouwd.

De bloemen straalden en bogen hun kopjes als we voorbijliepen.
Hommels, glanzend als goud, vlogen rond.
De zon wierp stralen die de grond raakten, stralen waarvan ik wist dat ze je konden optillen.

Ik hoopte dat dit weer zou gebeuren.
Mijn Engel glimlachte: daar was nog alle tijd voor.

Het was hier een oase van rust.
Geen nare geluiden—alleen natuur.
Het water dat door het landschap stroomde, en vogels die zongen.
De eerste keer dat ik hun gezang hoorde, ging mijn hart open.
Nu klonk het als een concert.

We kwamen bij grote, eeuwenoude bomen.
Voor het bos stond een bankje en daar gingen we zitten.
Alles voelde veilig.
De zon draaide als een wiel over het landschap en het bos voor ons sidderde van energie.

We stonden op en liepen het bos in.

Mijn Engel raakte de eerste bomen aan, en hun energie viel naar beneden als gouden regen.
Mama, ik stond midden in een zee van licht.
Het was zo overweldigend dat ik opnieuw moest huilen—van geluk, van ontroering, van dankbaarheid dat ik jou dit mag vertellen.

De gouden regen stopte en we liepen verder.
Stralen zonlicht vielen door het bladerdak en schilderden groengele kleuren op de grond.
Het zilveren pad liep door het hele bos, nog steeds oplichtend bij elke stap.

Naast het pad groeiden struiken met grote witte bloemen.
Toen ik er een wilde aanraken, boog ze naar mijn hand toe, alsof ze geaaid wilde worden.
Ik keek mijn Engel verbijsterd aan.

Hij glimlachte.
Deze bloem wíst dat ze geliefd wilde worden.

Ik streelde haar en zag hoe ze genoot.
De andere bloemen reikten naar mijn hand.
Mijn Engel zei dat in deze wereld iedereen bewustzijn draagt—ook de bomen, planten en dieren.

 

We liepen door en ik zag kleine zilveren flitsjes opduiken tussen de bomen.
Ik probeerde ze te volgen, maar ze waren te snel.
Mijn Engel lachte om mijn poging.

Toen kwamen we bij een waterval die vloeide als gesponnen zilver.
De zilveren lichtflitsjes kwamen uit het water en verspreidden zich door het bos.
Mijn Engel ving er één op zijn hand.
Het flitsje werd een druppel, groeide, en toen hij het omhoog gooide, spatte het uiteen in honderden nieuwe lichtjes.

Het was water in zijn puurste vorm, zei hij—levend water dat bomen en bloemen voedt.

 

De liefde in het bos drukte op mijn hart.
Ik vroeg waarom dat zo voelde.
Mijn Engel legde zijn hand op mijn hart en zei: “De liefde van God vult je.
Als jouw hart resoneert met Gods liefde, opent het zich vanzelf.
In het aardse leven moet je eerst door pijnlagen heen om bij je hart te komen.
Hier is het andersom: de liefde komt van buiten naar binnen.
Stel je hart open. De rest volgt vanzelf.”

Maar ik wist niet hoe.
Mijn Engel lachte. “Geduld, dat was toch de les van vandaag?”

 

We liepen verder toen ik opeens een slak zag.
Hij liet een gouden spoor achter.
Ik zette hem voorzichtig aan de andere kant van het pad.

En toen hoorde ik een klein stemmetje zeggen: “Dank je wel.”

Mama, ik schrok zó!
Mijn Engel lachte. “Nu kun je met dieren praten.”

De slak zei dat hij reisde “waar God hem wilde hebben.”
Mijn Engel legde uit dat dieren hier geen angst kennen.

Ze volgen puur instinct, puur vertrouwen.

Niet veel later kwam een hert naar me toe.
Hij snuffelde aan mijn hand en zei: “Fijn dat je hier bent, Jesse.

We hebben op je gewacht.”

Vanuit alle kanten kwamen dieren dichterbij.
Mama, ik stond te trillen.
Een wolf, een uil, een eekhoorn die een bloem voor mijn voeten legde—allemaal blij dat ik er was.
Ik voelde me één van hen.

Toen ik vroeg of ze namen hadden, schudden ze hun kopjes.
“Met namen maak je onderscheid,” zei de uil. “En dat bestaat hier niet.”

Ik begon deze wereld met andere ogen te zien: niet als losse dingen met namen, maar als één geheel—één creatie van God.

 

We bleven lopen tot we in een open plek kwamen waar het mos groen licht uitstraalde.
Op de takken zaten grote uilen die nieuwsgierig toekeken.

Mijn Engel pakte mijn hand.
“Dit is de beste plek om jou nu iets over God te vertellen,” zei hij.

We gingen zitten.
Hij vertelde dat er vele wegen naar God zijn, maar dat vertrouwen de sleutel is.
Dat de aarde vol tegenstellingen zit die het vertrouwen beproeven.
Dat zielen afspraken maken voor ze naar de aarde gaan—ook over moeilijke levens, korte levens, opofferingen voor elkaar.
Dat de aarde én andere werelden buiten God zelf zijn geplaatst om dualiteit te ervaren.
Dat alles uiteindelijk terugkeert naar God.

“God is groot,” zei hij.

“God is liefde. En net zoals de waterval haar druppels verspreidt, zo stuurt God delen van zichzelf naar buiten om te ervaren—en weer terug te keren.”

Mijn Engel stond op en trok me zachtjes aan mijn hand omhoog.
Hij keek naar de zon, die als een groot lichtend wiel over deze wereld rolde.
“Zullen we nog een keer meegaan op de stralen van de zon?” vroeg hij, terwijl zijn ogen nieuwsgierig de mijne zochten.

Verheugd keek ik hem aan. Dat had ik gehoopt.
Ik was, toen ik hier eerder was, al eens meegereisd op de zonnestralen—een poort naar een andere wereld.

En nu was het opnieuw zover.

De zon schijnt hier niet zoals op aarde, maar beweegt als een wiel over het landschap.
Iedereen krijgt zo de kans om mee te reizen op haar stralen.
We wachtten tot het licht ons zou optillen.

Mijn Engel hield mijn hand nog steeds vast.
Hij sloot zijn ogen en zei: “Wees stil, mijn jongen, en bid tot God.”

Ik deed mijn ogen dicht, maar wist niet hoe ik moest bidden.
Ik had het nog nooit gedaan.
Ik wilde mijn ogen alweer openen om mijn Engel te vragen hoe ik moest bidden, maar ik voelde dat de stralen van de zon dichterbij kwamen.

Een diepe rust kwam over me heen.
Mijn hart begon krachtiger te slaan en zonder erbij na te denken fluisterde ik:
“Vader, mag ik deze reis maken vanuit uw liefde?”

Op dat moment tilden de stralen ons op.
We stegen omhoog en halverwege de lichtbundel liet de zon ons los.

Ik opende mijn ogen.
We stonden nog steeds op het zachte mos, maar nu op een open plek midden in het bos.
Ik keek om me heen.

De bomen stonden er nog, maar de uilen waren verdwenen.
Wel zag ik gekleurde huisjes in de takken hangen—zoals vogelhuisjes, maar met ramen en een kleine deur.

Er was tijdens onze reis door de straal iets gebeurd.
Ik keek naar mijn Engel, die glimlachend naast me stond.

“Hier wilde ik je mee naartoe nemen,” zei hij. “Dit is één van Gods creaties.
De aarde bestaat, net als de mens, uit vele lichamen.

Het aardse leven heb je achter je gelaten, maar je kunt nog steeds in andere werelden wonen.
Alles waarmee de aarde verbonden is—alle sferen en werelden—mag je bezoeken.

De fysieke aardse sfeer is de laagste laag. Daar hoef je niet meer heen.
Heel lang geleden was er zelfs nóg een lichaam onder die laag.

Dat is nu verdwenen.
Daar leefde al het kwaad dat je je maar kunt voorstellen, maar het is getransformeerd naar een staat van liefde—voor zover dat mogelijk was.”

 

Hij zweeg even en vervolgde toen: “Misschien kan ik het anders uitleggen.

Er is een hoger bewustzijn in de mens gekomen.
Jij hebt die onderste laag in jezelf ook gekend, maar de mensheid heeft zich omhoog gewerkt in bewustzijn en liefde.

De laag van puur kwaad is niet langer nodig.

Velen zijn jullie al voorgegaan. Ze wonen nu in de sferen rondom de aarde.
Ze hebben een ander bewustzijn, zijn liefdevol, en in hun wereld bestaan geen tegenstellingen of dualiteit.

Het is een hemel op aarde.

Maar er zal een tijd komen dat ook het aardse leven, waarin jij hebt geleefd, zal vervagen.
Dan blijven deze werelden over.

 

Zoals ik je al zei: de aarde heeft vele lichamen, elk met een hoger bewustzijn.
Dat betekent dat de bewoners kunnen blijven groeien, maar omdat ze geen tegenstellingen kennen—zoals in jouw oude wereld—gebeurt die groei op een heel andere manier.

Ze geloven hier niet alleen in God, maar ook in de Moeder.
De Vader, God, is het onzichtbare; de Moeder is het zichtbare.
Samen hebben ze alles gecreëerd. Wat je hier ziet is van hen beiden.

De God is de liefde, en de Moeder is het bewustzijn.
Samen zijn zij het hoogste, liefdevolste en bewuste van al onze werelden.”

Oh mama, ik wist niet wat ik hoorde.
Ik begreep het, maar moest het ook even laten bezinken.
Het was alsof een bewustzijnsschok door me heen ging, maar al snel voelde het vanzelfsprekend wat mijn Engel me vertelde.

Hij wees naar een boom.
Ik keek, en zag kleine elfjes uit hun huisjes tevoorschijn komen.
Ze zwaaiden naar mij.

Ook hier rollen de zonnestralen voorbij, maar alleen om ons weer terug te brengen.
Opnieuw zweefde ik mee door het licht, en toen het zonwiel verder trok, openden wij onze ogen.

We waren terug in de groene lichtwereld.
Het was prachtig—overal bloemen, vlinders die zachtjes rondfladderden.
Alles voelde vredig en licht.

We liepen naar de grens. Daar wordt alles steeds minder.
Het blijft mooi, maar wat je ziet wordt eenvoudiger: alleen het gras en het zilveren pad.

Tot zelfs het pad ophield.

Mijn Engel bleef staan. “Ben je klaar voor een nieuwe reis?” vroeg hij.

Ik knikte.
Hij tikte met zijn vinger in de lucht, en de groene lichtwereld vervaagde opnieuw.