Rusten in de Lichtsfeer

Mam, zal ik je nog iets vertellen over de sferen van licht?

De vorige keer vertelde ik je al dat ik in één van de bibliotheken van het licht ben geweest en dat mijn Engel en de professor mij voorbereiden op de onderste sferen.

In deze sfeer staan veel meer van dit soort bibliotheken: hoge, witte gebouwen met gouden en kristallen ramen.

Ze stralen een bepaalde waardigheid uit, misschien omdat ze zo groot en indrukwekkend hoog zijn.

Overal staan fonteinen met prachtige beelden, en de Engelen die hier rondlopen zien er heel anders uit dan wij ons voorstellen.

Ze kunnen namelijk elke vorm aannemen, zodat ze ons kunnen helpen, inzichten kunnen geven en ons niet laten schrikken.

Het kan dus zomaar zijn dat je ooit met een Engel hebt gesproken zonder het te weten, als hij tijdelijk de vorm van een mens aannam.

De Engelen hier lijken beslist niet op een mens met vleugels.

In hun neutrale staat zijn ze een omhullend licht dat zacht heen en weer beweegt.

Dat licht is hoger en breder dan een mens en straalt helende energie uit.

Soms zie je een Engel die breder straalt dan de anderen; dan lijkt het alsof hij vleugels draagt.

Hoe dichter bij God, hoe lichter ze zijn.

Hoe verder van God vandaan, hoe meer ze een zichtbare of zelfs fysieke vorm aannemen, zodat ze de mens beter kunnen helpen.

Je kunt het vergelijken met ons mensen: wij hebben een fysiek lichaam nodig om ervaringen op te doen, omdat wij het verst bij God vandaan staan.

De Engelen die dicht met ons in verbinding staan, hebben zelf geen fysiek lichaam, maar kunnen dat wél aannemen wanneer dat nodig is.

De Engelen die vooral in de hemel werken, tonen zich meestal als puur licht.

Zo worden ze niet zomaar aangesproken en kunnen ze ongestoord werken.

Maar zodra zo’n Lichtwezen iets opvangt dat gezegd moet worden, verandert het van licht en vorm en komt het naar je toe.

Dán zie je een Engel zoals wij denken dat Engelen eruitzien, maar veel mooier—en hun liefde is overweldigend.

Hun kennis is zuiver en hun waarheid is die van God zelf.

 

Engelen, of Lichtwezens zoals ze hier genoemd worden, hebben een groot scheppend vermogen, en dat gebruiken ze met vreugde.

Zo zijn de sferen ontstaan, zo is het universum geordend en zo past alles perfect in elkaar.

In de werelden van licht bestaat geen fout; alles is volkomen en wonderlijk mooi.

Dat had ik je al verteld, mam.

Tussen het gras dat hier in overvloed groeit, lopen gouden en zilveren paden.

Er staan prachtige, hoge bomen en exotische bloemen zo groot als voetballen, met een geur die overweldigend is. Ik kan er uren naar kijken.

De planten, struiken en bloemen die hier groeien zijn zo zuiver van kleur dat ze een helende werking hebben.

Ze geven een zachte, liefdevolle energie waar je telkens naar terug wilt keren.

Overal staan plekken waar je kunt zitten en genieten van het uitzicht.

Het is hier werkelijk paradijselijk.

De heuvels, de bossen, de zingende vogels, de schitterende kleuren die ik nooit eerder heb gezien, alles voelt volmaakt.

De zon zie je nergens, maar het is altijd licht, en dat licht geeft een aangename warmte.

Soms verandert het licht van kleur, in zachte pasteltinten die de hele sfeer een andere uitstraling geven.

Mijn Engel is bij mij. Hij loopt naast me als een jonge man.

Ik vind het prettig dat hij zich op die manier laat zien, en voor hem maakt het niets uit, zegt hij.

Wanneer hij contact zoekt met andere Lichtwezens, zie ik hem van gedaante veranderen.

Maar zodra hij weer naar mij terugkomt, verschijnt hij opnieuw als de jonge man die niet veel ouder lijkt dan ik.

Nu we elkaar beter kennen, lachen we veel samen en trekken we soms de aandacht.

“Dat mag,” zegt hij dan.

“Je mag blij zijn en plezier hebben. Dat is juist fijn. Wij Lichtwezens houden daarvan.”

De sfeer hier is immens en ik heb nog lang niet alles gezien.

Overal stromen kleine kabbelende beekjes die zich sierlijk door het landschap bewegen. Alles ademt rust.

Kleurrijke watervogels glijden over het water en maken het beeld helemaal af.

Over de stroompjes staan kleine gebogen bruggetjes en wanneer je een berg wilt beklimmen, verschijnen er trappen van goud en zilver.

 

Ik heb je ooit een berg laten zien. Weet je dat nog, mama?

Je kon niet slapen en dacht steeds aan mijn dood.

Toen nam ik je bij de hand en liet ik je de berg met de trappen zien.

Samen liepen we in hoog tempo naar boven en telden we elke trede.

Om de vijftig treden stonden we stil en keken we uit over het landschap.

Zo haalde ik je weg uit die nare gedachten en deden we samen iets moois.

Alles wat je hier ziet, bestaat ook op aarde, maar dan lichter, helderder en veel zuiverder.

Hier is geen dualiteit, alleen pure liefde.

Er is zoveel te ontdekken en verveling bestaat niet.

De bibliotheken hier zijn plaatsen waar je oude geschiedenissen kunt inkijken, en binnenkort ga ik weer met mijn Engel naar binnen.

Dat vind ik spannend, want dan beginnen we opnieuw aan een reis die ik later met jou mag delen.

Mijn Engel vertelde me dat er vele sferen bestaan en zelfs sferen tussen de sferen.

Dat zijn verkenningsgebieden waar een ziel kan voelen hoe het ergens anders zal zijn.

Wanneer je bewuster en liefdevoller wordt, verschuif je vanzelf van de ene sfeer naar de andere.

De tussensferen bezoeken we niet.

We reizen alleen naar sferen die een duidelijk verschil laten zien, zoals de onderste sfeer en de sfeer waarin ik me nu bevind.

Ze zijn elkaars uitersten, maar daartussen ligt ook de sfeer waar ik die man bezocht heb, de plek waar mensen nog zo materialistisch zijn en alles willen bezitten.

 

Mijn Engel vertelde dat er, buiten de hemelse sferen, vele andere werelden bestaan die met deze hemel verbonden zijn.

Ik keek hem nieuwsgierig aan.

Hij glimlachte en zei: “Er zijn veel meer hemelen, mijn kind.

Dit is er slechts één.

Het universum is groot, en daarin leven zielen die heel anders zijn dan mensachtigen.

Ze hebben een hogere intelligentie en leren andere lessen dan jullie.

Voor hen bestaan weer andere hemelen.”

Zijn woorden verrasten me.

Ik had gedacht dat alleen de mens naar de hemel ging. Naïef, natuurlijk.

Het universum is zo groot; vanzelfsprekend zijn er meer zielen met eigen beschavingen en eigen werelden.

Alles wat ik tot nu toe had gezien, kent een weerspiegeling op aarde.

Wat wij ‘fantasie’ noemen, is ergens hier werkelijkheid.

Het zijn creaties die de mens samen met een cluster van zielen heeft gevormd, zielen die met ons meebouwen aan onze wereld.

 

Ik keek mijn Engel bedenkelijk aan.

“Dus buitenaardse wezens die naar de aarde komen, zijn met ons verbonden?”

Hij knikte. “Sterker nog,” zei hij, “de mens stamt van hen af.

Ze zijn jullie verre voorouders.

Net als wij Engelen doen zij er alles aan om jullie op aarde en op andere planeten te helpen.”

Ik moest dat even laten bezinken en we gingen op een bankje zitten, recht voor een zacht kabbelend riviertje.

“Dus alles wat wij bedenken en fantasie noemen… dat zijn echte wezens?

Als ik vier dieren samenvoeg met poten, vleugels, een lange nek en een slurf, bestaat dat wezen dan ook echt?”

Mijn Engel moest lachen.

“Nee, dat niet. Maar er bestaan wel zielen die half mens en half dier zijn.

Wat jij nu doet, is creëren vanuit menselijke fantasie.

Fantasie betekent dat het niet echt is.

Maar de wezens uit oude legendes, die zijn wel echt.

Zij zijn door Engelen en andere zielen gevormd.

Jullie als mens kunnen nog geen echte wezens scheppen, maar jullie kunnen er wel over droomdenken.”

“Dus er is onderscheid in wie wel en niet nieuwe wezens mag creëren?” vroeg ik.

“Dat klopt,” zei hij.

“Daarvoor moet je een bepaald bewustzijn hebben.

Op aarde is dat bewustzijn nog niet zo hoog. Jullie creëren op een andere manier.

Een kind dat uit liefde wordt geboren, is een creatie van de mens met hulp van de lichtwereld.

En de ervaringen die mensen meemaken, zijn ervaringen die vooraf zijn afgesproken.

Maar de mens denkt dat hij alles zelf bedenkt.

In werkelijkheid staat hij nog ver af van waar hij uiteindelijk naartoe groeit.

Als de mens nu al onze scheppingskracht zou hebben, dan zou het niet goed aflopen.

De aarde zou binnen één dag vernietigd zijn, het universum gewelddadig, en de mens zou in oorlog zijn met alles en iedereen.”

Ik moest om dat beeld lachen.

Ja, het is maar goed dat de mens denkt dat hij alles kan, maar nog niet weet dat zijn ervaringen vooraf al zijn vastgelegd.

Mijn Engel keek me aandachtig aan.

“Daar komt ooit verandering in, mijn jongen. Maar nu is het nog niet zover.

Kom, laten we verder wandelen en genieten van deze sfeer.

Later gaan we terug naar de bibliotheek en mogen we zien waar onze reis ons dan naartoe brengt.”