*** De Zwarte nacht van de Ziel ***

Een klein meisje ligt in haar bedje te slapen. Opeens schrikt ze op, stapt haar bedje uit, doet haar jurkje en schoentjes aan, loopt de trap af naar beneden, doet de voordeur open en loopt naar buiten.

Als ze op het zandpad aankomt, loopt ze richting het bos. Het bos is vlak bij haar huis. Aan het einde van de zandweg is de ingang van het bos.

Zodra het meisje het bos inloopt, zijn daar de eerste Elfjes al om haar te begroeten. Ook de vogeltjes vliegen rond haar en zijn blij. De reetjes springen van plezier voor haar uit op het zandpad.

Langzaam loopt ze van de ene wereld de andere wereld binnen en het meisje vindt het heerlijk. Telkens komt ze andere bijzondere wezens en dieren tegen, die dan weer een eindje met haar meelopen en haar op haar weg begeleiden. Diertjes en wezens die ze nog nooit heeft gezien en waarvan ze de naam niet weet.

Ze is al in alle werelden geweest en ze heeft al heel veel vrienden gemaakt, behalve in die ene wereld. Daar is ze nog nooit geweest.

Dat was een wereld waar iedereen over sprak. Maar ze was nog nooit verder gekomen dan tot aan deze wereld. Ze hadden wel verhalen gehoord, maar of die nu verzonnen waren of werkelijkheid, daar kon niemand een echt antwoord op geven.

Het meisje blijft lopen.

Het wordt langzaamaan stiller en donkerder. Ze hoort vreemde geluiden om zich heen, maar ze ziet niets. Alleen de weg voor haar is nog iets verlicht.

Het meisje blijft lopen en enge monsters proberen haar bang te maken, maar het meisje wordt niet bang. Spinnen, slangen, spoken en hele enge monsters proberen haar van haar pad af te duwen, maar het meisje ontwijkt ze allemaal en blijft stug doorlopen.

Ze voelt beestjes kruipen over haar lichaam en ze voelt allemaal handen die haar betasten, maar het meisje slaat het weg en loopt vol zelfvertrouwen verder.

Het pad verandert van een harde ondergrond naar mul zand en het lopen wordt zwaarder. Het begint te regenen en het zware zand wordt drijfzand. Het zuigt aan haar korte beentjes.

Ze wil verder lopen, maar het zand zuigt haar nog verder naar beneden. Het meisje probeert de kant vast te grijpen, maar het lukt niet.

Heel even slaat de paniek haar om het hart, maar snel corrigeert ze zichzelf weer. Ze wordt rustiger en laat het drijfzand langzaam bezit van haar nemen.

Ze geeft zichzelf over en doordat ze zichzelf overgeeft, is ze sneller aan de andere kant.

Weer is daar een pad.

Ze loopt verder en weer zijn er enge beesten die op haar af komen. Een tijger staat plots voor haar met zijn brullende bek wijd open en hij komt op haar af gelopen.

Rennen heeft geen enkele zin en als ze laat merken dat ze bang is, zal hij haar in stukken scheuren.

Het meisje blijft staan en laat alle liefde die ze in zich heeft stromen. Om haar heen hangt een licht van liefde en de tijger brult wel, maar loopt in een langzame beweging langs haar heen.

Het meisje is opgelucht, want ze begrijpt heel goed wat er aan de hand is.

Dit is “de zwarte nacht van de ziel” en als ze rustig blijft en niet in paniek raakt, dan heeft ze een kans om in die laatste wereld terecht te komen.

Het meisje loopt verder.

Nog steeds is het donker en opeens is het pad weg. Alleen de duisternis is om haar heen.

Ze wil teruggaan, maar wanneer ze zich wil omdraaien, zit daar op een steen een grote dikke slang.

De slang kruipt van zijn steen en sleept zijn logge lijf naar het meisje toe. Vlak voor haar komt hij omhoog. Zijn ogen kijken in die van het meisje en hij opent zijn bek.

En net op het moment dat hij toe wil slaan, springt het meisje de duisternis in.

In een vrije val valt ze naar beneden. In het donker, niet wetend wat er is gebeurd, niet wetend wat er komen zal, blijft ze maar vallen.

En ook hier begrijpt het meisje dat ze rustig moet blijven en niet bang moet zijn.

Ze ontspant zich en valt en valt en valt…

Opeens is er licht.

Ze ziet een pad dat zich voor haar uitstrekt en vanuit het niets begint ze weer te lopen.

Vlinders fladderen weer om haar heen, vogels vliegen voor haar uit en ze beleeft hetzelfde pad opnieuw.

Totdat ze weer bij de rand van de onbekende wereld is aangekomen.

Het is stil op het pad, maar de duisternis is nog niet begonnen. Het is er stil en vredig.

Ze kent dit gevoel niet. Ze kan het ook niet benoemen.

Ze loopt verder, totdat ze op een groot plein is aangekomen.

Op het plein staan alleen maar Hemelse Wezens in prachtige gewaden. Ze zijn blij en juichen van plezier. Ze omhelzen haar en zoenen haar wangetjes van blijdschap.

Ze heeft het gehaald.

De wezens om haar heen leren haar daarna wat ze mag leren uit deze wereld, totdat de deur opengaat.

Daar staat haar moeder in de deuropening.

Het meisje wordt rustig wakker met een glimlach om haar mond.

“Ik heb zo heerlijk geslapen mama.”

Moeder geeft haar kind een zoen op haar voorhoofd en glimlacht.

Vanuit de hoek kijken de Hemelse Wezens naar haar.

Zij ziet ze ook en weet dat ze nooit meer alleen zal zijn.