*** Hemelse Brigade 2. ***

Maanden aan voorbereiding hadden we achter de rug en telkens werd het uitgesteld omdat het weer niet echt meezat.

We wisten waar we zouden moeten landen en wat ons te doen stond.

Wij zouden als eerste gedropt worden en mijn mannen en ik waren zichtbaar gespannen.

We controleerden alles voor de laatste maal en we hielden elkaar scherp.

Eindelijk hoorden we het nieuws dat de invasie van start ging.

Mijn naam is Robert en samen met mijn mannen zat ik in één van de eerste vliegtuigen die naar Normandië vlogen.

Er hing een gespannen sfeer in het vliegtuig en iedereen rookte of at nog wat.

We vlogen boven zee en alles verliep rustig.

Onder ons zagen we de donkere silhouetten van de schepen die onder ons voeren.

Zij zouden aan land komen zodra het ochtend werd.

Wij, de para’s, werden vooruit gestuurd om zo de vijand van achteren aan te kunnen vallen en om bepaalde bruggen te veroveren.

Een zware taak, die veel langer duurde dan vooraf gedacht was.

Het gebulder van de vliegtuigmotoren kwam boven onze stemmen uit.

Het vliegtuig begon lager te vliegen en wij maakten ons klaar voor de sprong in de donkere nacht.

De parachutes sprongen meteen open en er stond meer wind dan we hadden gedacht, waardoor veel van onze jongens afdreven van de rest.

Velen van ons kwamen in het water terecht.

De vijand had landerijen onder water gezet en door de zware bepakking en de touwen van de parachute raakten we verstrikt, waardoor we niet meer overeind konden komen.

Velen zijn op deze manier verdronken, waaronder ikzelf.

Het is een rare gewaarwording als je worstelt en niet kunt winnen van je eigen kracht.

Ik voelde het water mijn longen binnenstromen, wat ondraaglijk veel pijn deed.

Ik zag in de verte een wit licht op mij afkomen, maar tijdens het verdrinken was ik aan het vechten en voor dit licht had ik geen tijd.

Ik voelde mij zo uit het lichaam stappen en ik klampte met mijn armen en benen om mijn lichaam heen.

Ik wilde terug mijn lichaam in.

Ik wilde naar de mannen, want die stonden ergens op mij te wachten, maar deze kracht was sterker en ik keek op mijn dode lichaam neer.

Een lichaam dat in het donkere water lag en niet meer gered kon worden.

Ik stond daar te huilen en ik voelde geen kou of warmte meer.

Het besef van mijn eigen dood kwam pas echt nadat ik de lichtstralen van mijn overleden broeders zag.

Bedroefd liep ik bij mijn lichaam vandaan en keek naar boven, waar ik nog meer mannen uit vliegtuigen naar beneden zag springen.

Onderweg zag ik mannen die, net als ik, geknield bij hun lichamen zaten en het was hartverscheurend!

Het gejammer en gesnik hoorde je van veraf, maar ik weet dat de vijand ons niet gehoord heeft.

Samen met nog een aantal mannen hebben wij de jongens tot bedaren weten te brengen.

Net als ik hadden ze het licht wel gezien, maar we werden niet meegenomen.

We beseften dat we niet meer onder de levenden waren en dat de weg naar het licht niet voor ons was.

We waren nu in een soort schemersfeer terechtgekomen en we konden de Engelen zien, die voor de mannen kwamen die geraakt waren door een kogel en het besef en de berusting hadden dat ze het niet zouden halen.

Wij mannen die verdronken waren, vochten onszelf de dood in en konden het niet accepteren en ons overgeven aan de dood.

Dit was een groot verschil, zagen we.

De Engelen keken ons vaak glimlachend aan en we bleven altijd even kijken hoe een Engel heel voorzichtig de ziel in zijn armen nam en mee terugnam naar het licht.

Het licht zagen we wel, maar het was niet meer voor ons.

Eén van de mannen stormde naar een Engel toe en wilde deze vastpakken, maar de Engel verdween.

De man zakte door zijn knieën en huilde zo hard dat de Engel terugkwam.

Ze zei dat er hulp kwam en dat we het geloof in het licht niet moesten opgeven.

Er komt altijd een volgend moment, en ze nam de ziel van een stervende soldaat met zich mee.

We stonden in de nacht met onze voeten in het water.

We voelden de kou niet, maar onze gevoelens en emoties waren nog steeds aanwezig.

Er kwam wel een ander bewustzijn in ons naarmate we langer in deze sfeer verkeerden, maar zo vlak na de dood was er nog veel woede en onmacht.

Net als Richard in het vorige hoofdstuk verzamelden wij ons ook.

Ieder van ons die verdronken was, of vanuit de lucht was neergeschoten en later in het gevecht was neergehaald, sloot zich bij de groep aan.

We waren met velen en zo kwamen er elke dag meer bij.

We zagen dat de mannen die Normandië hadden gehaald langzaam terrein wonnen.

Het was een zwaar gevecht en iedere soldaat die gedood werd sloot zich bij ons aan.

We trokken met onze makkers verder en het licht kwam ons niet halen.

Elke dag waren we aan het bidden.

We zagen dat de Engelen vanuit de hemel nederdaalden en met ons meebaden, maar er kwam geen verandering.

Soms kwam er een Engel naar onze groep toe om ons te vertellen dat we hoop en geloof moesten houden.

“Het komt goed,” zei ze dan, maar het wachten duurde al zo lang.

We trokken van Frankrijk naar België en onze groep werd groter en groter.

We hadden geen haat, we wilden niet meer vechten, we wilden naar het licht, maar het licht bleef weg.

Soms probeerde een soldaat naar een lichtstraal van een opgehaalde soldaat te springen, maar dan vloog hij er dwars doorheen.

Moedeloos werden we ervan.

Maar na geruime tijd wendde je aan deze sfeer en merkten we dat we samen met de jongens die nog wel aan het vechten en in leven waren, dat we samen moesten werken.

Zij vochten en wij, de jongens uit de sferen, hielpen hen op weg naar het licht toe.

De mannen die meteen werden gedood sloten zich bij ons aan.

Omdat wij de onmacht van deze sfeer al doorgrond hadden, konden wij deze mannen er sneller doorheen helpen, waardoor ze niet eerst zoals wij van alles probeerden om naar het licht te komen.

Op een avond, we waren al in Holland, was het heel erg koud.

De mannen scholen in schuttersputjes en wij liepen om en door hen heen. Wij hielden hen gezelschap.

Vanaf de vijandelijke linies kwam een Engel naar ons toegelopen.

Hij was prachtig! Hij droeg een harnas en had een zwaard in zijn rechterhand.

Zijn bruine haren dansten op en neer in de wind en zijn ogen waren zo helderblauw en groot, dat als je erin keek, je door tunnels van licht zweefde.

Hij zag eruit als een ridder en hij was niet bang voor de kogels die rondvlogen.

Wij, de mannen die in de sferen leefden, gingen bij elkaar staan en wachtten op wat deze Engel ging doen of zeggen.

Hij bleef staan en keek ons allen één voor één aan, tenminste, dat gevoel kregen we.

We hadden echt het gevoel dat hij ons persoonlijk iets wilde vertellen, maar in wezen sprak hij tegen de hele groep.

Hij vertelde ons dat het niet zo heel lang meer zou duren voordat de oorlog voorbij zou zijn en dat wij nodig waren.

Hij vertelde dat wij de mannen die achter waren gebleven moesten helpen naar het licht te brengen, wat we nu ook al deden.

Hij zei: “Als de oorlog afgelopen is, dan zijn er veel soldaten die wel naar het licht zijn gegaan, maar waarvan de lichamen nog niet gevonden zijn.

Jullie moeten de mensen helpen door het geven van aanwijzingen, zodat ook deze mannen geborgen kunnen worden.

De desbetreffende soldaat zal vanuit de Hemel komen helpen, omdat hij graag wil dat ieder lichaam begraven wordt en dat iedere soldaat naar huis mag keren.

Dit is een belangrijke taak, dit is wat jullie ziel heeft uitgekozen.

Jullie zijn samen een collectief en jullie taak is om iedereen die achter is gebleven thuis te brengen.”

De mannen keken elkaar aan en de Engel verdween.

Gelijk kwamen de vragen: hoelang zal die oorlog nog duren en wat is niet zo lang?

Hoe moeten ze iedere soldaat thuiskrijgen? Maar niemand kon hier antwoord op geven en we moesten afwachten en vertrouwen hebben.

Vaak heb ik met tranen in mijn ogen staan kijken naar de mannen die huis voor huis, dorp voor dorp bevrijdden en steeds meer de vijand terugdrongen.

Vaak ging het hard tegen hard en deden onze mannen dingen die normaal gesproken nooit in hen op zouden komen, maar het was oorlog en alles wat nodig was om Europa te bevrijden deden ze.

De winter was koud en we schoten niet veel op, maar nadat de weersomstandigheden beter waren geworden, ging alles in een sneltreinvaart.

Wanneer ik zo om me heen keek, leek het of meer jongens in de sferen rondliepen dan er nog aan het vechten waren, maar ik kan me daarin vergist hebben.

We trokken samen met de manschappen Duitsland binnen en het werd langzaam voorjaar.

We zagen kampen die verlaten waren door de Duitsers, maar de gevangenen stonden voor de afgesloten hekken.

Te vermoeid om uit te breken.

Te mager om nog een stap te doen.

Het was onwerkelijk wat wij hier hadden gezien.

Niet alleen wat we hier aantroffen, maar ook wat er aan de andere kant van de sluier gebeurde.

Ik heb nog nooit zoveel Engelen bij elkaar gezien. Je zag de ene lichtstraal na de andere naar beneden schijnen.

Elke minuut stierf er wel iemand en wij zagen hoe liefdevol de Engel de ziel in zijn armen nam en de Hemel in droeg.

We zagen overal Engelen naast de mensen zitten en staan.

De barakken waren overvol en de Engelen spraken de mensen moed in.

Ze moesten het volhouden en dat er hulp aankwam en eten.

Ik zag mensen die in de armen van hun Engel lagen en net als wij door de sferen heen konden kijken, zo dicht waren ze bij de dood.

Mensen die over waren gegaan, maar nu naar familieleden zochten, in de hoop hen te vinden of te kijken of het goed met hen ging.

Deze mensen zijn nooit alleen geweest, ze hadden altijd een Engel bij hen.

Het was droevig, maar ook heel mooi om te zien.

Het was verschrikkelijk wat we hier zagen, de dood die elk moment kon toeslaan, maar aan de andere kant was de hulp die door de sferen hier naartoe kwam wonderschoon.

Ik weet dat er mensen zijn die denken: “Konden de Engelen de oorlog niet tegenhouden, of God?” Maar wij zijn het die de oorlogen beginnen.

Wij zijn het die macht, geld of land willen.

De Engelen kijken toe en proberen de staatshoofden, de belangrijke mensen in de wereld, op andere gedachten te brengen, maar die luisteren niet naar hun eigen Engel. Die luisteren naar hun duiveltje of het ego binnen in hun hoofd.

Vanuit de sferen kunnen wij deze gedachten waarnemen en het is het hoofd dat ervoor zorgt dat er veel fout gaat in de wereld.

De gedachten die macht willen.

We trokken verder en ook Duitsland had zware verliezen geleden.

Net zoals bij ons zagen we grote groepen Duitsers in de sferen lopen.

Hier was geen haat, hier was geen oorlog en wij spraken zelfs met elkaar.

Ze zagen hun eigen gruwelijkheden in en ze schaamden zich dat ze zo met een machtsleider waren meegegaan, maar wat hadden ze voor keus?

De macht was te groot en ieder die niet meedeed werd als verrader gezien.

We hebben concentratiekampen gezien, we hebben de dodenmars gezien en we hebben de meest vreselijke bombardementen gezien door ons en van de tegenstanders. Het was gruwelijk! Maar wat konden we doen?

Langzaam werd het mei en de oorlog liep ten einde.

Eindelijk! De strijd in Europa was voorbij!

Een grote opluchting ging er over de wereld heen en ook in onze sfeer, waar wij nog altijd verbleven.

Wij hadden de hoop dat het licht ons nu zou komen halen, maar het tegendeel was waar.

Wij konden ons veel makkelijker verplaatsen door alleen maar aan een bepaalde plek te denken.

Ik was er benieuwd naar waar mijn lichaam gebleven was en dacht daaraan.

Gelijk was ik op de plek waar ik toen verdronken ben.

Mijn lichaam was niet meer hier, maar ik voelde een energie die mij liet weten waar ik naartoe moest gaan.

Ik zag een plek waar mensen bezig waren om de soldaten te herbegraven.

Er werd een terrein vlak bij zee uitgezocht waar één voor één onze lichamen werden begraven.

Met respect hebben wij naar de jongens gekeken die dit werk moesten doen.

Het waren veelal de donkergekleurde mannen die hiertoe werden aangewezen.

Tussen de graven door liepen veel soldaten.

Ieder van ons was benieuwd waar zijn of haar lichaam was gebleven.

Overal waren Engelen te zien en die hielpen de donkergekleurde mannen.

Ze gaven hen steun en moed en hielpen hen op te beuren in deze onmenselijke taak.

Alles lag er niet meteen zo mooi bij als het nu is.

Nee, het was één grote modderpoel en het heeft er moeten stinken.

Ik zag de mannen namelijk met doeken voor hun neus en mond rondlopen.

Wij mannen baden dat deze jonge jongens die de graven delfden rust mochten ontvangen zodra ze terug waren in Amerika en dat de mensheid in mocht zien dat ook zij gewone mensen waren van vlees en bloed en met gevoelens.

Veel tijd hebben we daar niet doorgebracht. We gingen ons werk doen en dat was de lichamen van soldaten zoeken die nog niet geborgen waren.

Omdat wij in een andere sfeer rondliepen, konden wij veel meer zien dan de mensen die de lichamen op kwamen halen.

We probeerden de mensen te laten weten waar iemand onder de modder terecht was gekomen of ergens door zijn makkers was begraven, maar vaak hoorden ze ons niet.

Later werden de lichamen wel geborgen, maar er zijn nog steeds jongens niet gevonden en zij zullen ook niet meer gevonden worden, tenzij het een stukje van het karmische op kan lossen.