~ ♥ De Eerste dagen ♥ ~

Maandag

Donderdag 12 juni 2025, een warme zomerdag.
De gordijnen waren dicht zodat het in huis koel bleef.

Het is middag als de deurbel gaat en Ronald naar de deur toe loopt, waar hij de politie ziet staan. In eerste instantie schrikt hij, maar al snel heeft hij door dat ze niet voor ons komen, maar voor het hotel dat onder ons ligt.

Ons huis staat op een heuvel en recht onder ons zit het hotel waar arbeidsmigranten verblijven. Ze werken hier een half jaar en gaan daarna weer weg.

Het bleek een controle te zijn, om te kijken of er niet te veel mensen op één kamer slapen. Ze zaten verkeerd en dachten dat ons huis bij het hotel hoorde.

Wanneer Ronald weer binnenkomt en vertelt wie er aan de deur stonden, voel ik meteen een schrik door me heen gaan en zeg ik tegen hem dat ik blij ben dat ik zelf niet heb opengedaan, omdat je toch direct denkt dat er iets met Jesse is.

Vanaf dat moment lijkt er iets te veranderen bij Ronald.

Hij zegt dat hij een vreemd gevoel heeft dat hij niet goed kan plaatsen, alsof het op de dood lijkt, alsof hij niet meer gevangen zit in zijn lichaam of alsof niets er nog toe doet. Tegelijkertijd zit hij er nog wel in, en juist dat maakt het zo zwaar.

Het weekend staat voor de deur en door het moment met de politie krijg ik steeds de neiging om Jesse te bellen, maar telkens komt er iets tussen.

Dat voelt vreemd, net als de gedachte die steeds terugkomt dat ik hem niets meer kan vertellen.

Hoe graag ik ook wil, het lukt me niet om mezelf ertoe te zetten hem te bellen.

Het hele weekend blijft dat gevoel hangen: Ronald met zijn zware, onverklaarbare gevoel en ik met die voortdurende gedachte om te bellen, zonder dat het gebeurt.

 

Maandagavond.
Het is opnieuw een warme dag geweest, ik heb me even afgespoeld en samen kijken we naar het nieuws wanneer ik opeens begin te bewegen zonder dat ik het zelf doorheb. Ronald kijkt me aan en vraagt waarom ik dat doe, terwijl ik me er niet eens van bewust ben.

Op dat moment kijkt hij op en ziet hij opnieuw de politie de oprit oplopen, waarna hij alvast naar de deur loopt.

Ik kijk naar buiten en zie dat ze met z’n drieën zijn en dat een jonge man mij door het raam aankijkt.

Dan hoor ik Ronald mijn naam roepen en wanneer ik hem aankijk voel ik vooral irritatie, omdat ik denk dat ze weer voor dat hotel komen.

Ik wil ze laten voelen hoe het voor ons is om zomaar politie aan de deur te krijgen, terwijl je kind aan de andere kant van Nederland woont en je daarvan schrikt.

Ik sta op, loop de hal in, kijk de jonge vrouw aan en vraag direct of er iets met Jesse is. In mijn hoofd verwacht ik dat ze zal zeggen dat dat niet zo is en dat ze ergens anders voor komen, maar ze knikt en vraagt vriendelijk of ze even binnen mogen komen.

Ik vraag nog of het een grap is, al weet ik eigenlijk al hoe het zit.

Het is een vreemd gevoel, alsof je het al weet maar het nog uitgesproken moet worden, alsof je in een slechte film zit die je het liefst meteen zou uitzetten.

Demi, mijn dochter, komt op de stemmen af en ik vraag haar om erbij te komen.

De politievrouw spreekt even met haar en daarna gaan we zitten, kijkend naar de drie mensen die ons het nieuws moeten brengen.

Zij blijven staan, wat het moment alleen maar ongemakkelijker en zwaarder maakt.

Dan vertellen ze dat Jesse is overleden, dat het om zelfdoding gaat en dat hij woensdag tijdens zijn werk naar huis is gegaan na een gesprek, waarna niemand meer iets van hem heeft gehoord.

Collega’s hebben hem gebeld, zijn werkgever ook, en ze zijn bij hem langs geweest, maar zonder resultaat.

Wanneer hij zich maandagochtend nog steeds niet heeft gemeld, wordt de politie ingeschakeld. Zij nemen contact op met de huisbaas, krijgen de sleutel en openen de deur van zijn kamer.

In eerste instantie wordt er nog gedacht aan een misdrijf, omdat er een klein raampje openstaat, maar al snel wordt duidelijk dat dat niet het geval kan zijn.

Er worden foto’s gemaakt en terwijl dit allemaal gebeurt, ligt Jesse nog in zijn studentenkamer in Groningen, en ben ik degene die toestemming moet geven voor wat er verder gebeurt.

Er blijkt in de nacht van woensdag op donderdag een schreeuw te zijn gehoord en rond middernacht is het buurmeisje nog bij hem langs geweest om te vragen of hij last had van haar feestje.

Ze zegt dat hij rustig overkwam en dat ze niets bijzonders aan hem heeft gemerkt.

De schatting is dat Jesse rond twee uur ’s nachts, op donderdag 12 juni, uit het leven is gestapt.

We stellen vragen, proberen te begrijpen wat er gebeurd is, maar uiteindelijk gaan ze weer weg en laten ze ons achter in een stilte die alles overneemt.

 

Hoe is dit mogelijk…

Ergens heb ik altijd gevoeld dat dit ooit zou kunnen gebeuren.

Jesse was geen jongen van deze tijd, hij was anders en vond het leven moeilijk, alsof hij hier niet helemaal op zijn plek was.

Wat ik voel is dubbel en moeilijk uit te leggen, omdat er aan de ene kant schrik en ongeloof is, maar aan de andere kant ook een gevoel van opluchting voor hem.

Hij hoeft niet meer te vechten, hij is vrij.

Er komen nog geen tranen, omdat de schrik zo groot is dat er geen ruimte is voor gevoel, en ook omdat het onvoorstelbaar is wat er precies gebeurd is.

Dat kan je met je verstand niet bevatten.

Wanneer ik naar de wc loop en de deur wil openen, hoor ik opeens zijn stem die zegt: “Het spijt me mama, het spijt me zo”.

Op dat moment voelt het alsof mijn adem stopt en zijn pijn mijn hart raakt, waarna de eerste tranen komen.

Misschien klinkt het vreemd, maar ik heb vaker contact heb met mensen die er niet meer zijn en die mij dierbaar waren, alleen was dat altijd pas na verloop van tijd.

Nu is het anders en voelt het direct.

Ik kan met Jesse praten en hij laat me weten dat hij er klaar mee was, dat er voor hem geen weg meer terug was.

Hij vraagt of ik hem kan vergeven en zonder twijfel doe ik dat, omdat ik hem begrijp en hoop dat hij nu de rust heeft gevonden die hij hier niet kon vinden.

Het gesprek is kort, want ik moet mijn hoofd erbij houden.

Het is al laat en er moeten nog mensen op de hoogte gebracht worden.

Ik ben dankbaar dat ik altijd zijn verzekering heb geregeld, iets waar jonge mensen vaak niet bij stilstaan. Ik bel de uitvaartverzorgster, Demi neemt contact op met Jesse’s vrienden en familie aan zijn vaders kant en Ronald belt onze familie en vrienden.

Binnen korte tijd is iedereen op de hoogte en zijn de eerste afspraken gemaakt, waarna er eindelijk ruimte komt om samen te zijn, te praten en te huilen, voordat we rond middernacht naar bed gaan.

 

Slapen lukt eigenlijk niet, want juist dan komen de gedachten en beelden die je overdag nog een beetje weg kunt houden. Zijn laatste uur blijft door mijn hoofd gaan en het voelt alsof ik het kan voelen, alsof ik er dichtbij ben.

Dat ene moment, die schreeuw, het blijft zich herhalen en ik krijg het niet uit mijn hoofd, tot het punt dat ik gek word van mezelf.

Als ik er nu op terugkijk, voelt het misschien vreemd dat ik vrede heb met het feit dat hij er niet meer is, maar dat het vooral de manier is waarop, zijn laatste eenzame uur, dat mij diep van binnen breekt.

Dinsdag

Slapen hebben we amper gedaan. De adrenaline stroomt nog steeds door mijn lichaam, waardoor echte rust er niet is.

We zitten buiten in het zonnetje te wachten tot de uitvaartverzorgster om tien uur zou komen.

Ze belt dat ze wat later is en dat ze nog een telefoontje van de politie verwacht.

Ik kijk Ronald aan en zeg:
“Raar eigenlijk… dat verhaal wat ik zondag heb geschreven ging over Jesse.”

Ik pak het erbij en lees het aan hem voor.

 

Op zoek naar geluk

Wanneer een man opstaat van een bankje in het park, kijkt hij nog één keer om zich heen.
Hij heeft de wereld ingekeken en alles wat hij zag was verdriet en ellende.

Hij besluit om op zoek te gaan naar geluk.

Hij doet zijn rugtas op en begint te wandelen. Zo loopt hij het park uit.

In de stad komt hij al snel het eerste obstakel tegen.
Hij wordt aangehouden door twee politiemannen.

“Waar gaat de reis naartoe?” vraagt één van hen.

De man kijkt hen aan en zegt: “Ik ben op zoek naar geluk.”

De agenten beginnen te lachen.
“Hahaha, hij is op zoek naar geluk!

Nou, als je het gevonden hebt, laat het ons dan weten. Deze wereld is zo verdeeld. Geen mens is hetzelfde en we hebben allemaal onze eigen mening en gedachten. Maar als geluk bestaat… laat het ons dan weten.”

De man knikt en loopt verder.

 

Net buiten de stad verlaat hij de weg en loopt de landerijen in.
Bij een diepe sloot blijft hij staan.

Hij kan erlangs lopen, maar dan zal zijn weg naar geluk langer duren.
Of hij kan eroverheen springen.

Hij kiest voor het laatste.

Hij neemt een aanloop en springt, maar haalt het net niet en valt in het water.
Aan de overkant klimt hij eruit.

Hij voelt de kou in zijn lichaam en denkt dat hij ziek kan worden.
Daarom besluit hij rennend verder te gaan, op zoek naar geluk.

Bij de volgende sloot probeert hij het opnieuw.
Hij gelooft dat hij zo sneller bij zijn doel komt.

Maar deze sloot is breder.
Hij neemt een langere aanloop, rent en springt… maar komt weer in het water terecht.

Hij zwemt naar de overkant, klimt eruit en begint nog harder te rennen om warm te blijven.

Even later komt hij bij een kanaal.
Hij zucht. Hij weet dat hij hier niet zomaar overheen kan springen.

Dan ziet hij een lange stok liggen en krijgt een idee.

Hij neemt een aanloop, rent met de stok richting het water, zet hem neer en springt.
Tijdens de sprong probeert hij nog in de stok te klimmen.

Hij komt ver… maar niet ver genoeg.

Weer belandt hij in het water.

Hij zwemt naar de overkant en begint opnieuw te rennen, nog sneller dan daarvoor.

 

Na een tijd komt hij bij een kolkende rivier.
Het water is wild en gevaarlijk.

Hij zoekt naar een weg over de stenen.
Even verderop ziet hij een doorgang en hij rent ernaartoe.

Hij springt van steen naar steen en het lijkt te lukken, maar vlak voor de overkant struikelt hij en valt.

Het water grijpt hem en sleurt hem mee.

Hij wordt heen en weer gegooid door de stroming en vecht voor zijn leven.
Hij probeert zich vast te klampen aan de keien, maar die zijn te glad.
Hij probeert takken te grijpen, maar ze hangen net te hoog.

Hij raakt in paniek.

Waarom is hij op zoek gegaan naar geluk?
Waarom is hij niet gewoon langs de eerste sloot gelopen?
Waarom moest het sneller?

 

Hij gaat kopje onder.

En de rivier werpt hem uiteindelijk op de kant.

De zon schijnt op zijn gezicht.
De warmte voelt goed en langzaam doet hij zijn ogen open.

Een klein hertje snuffelt aan zijn gezicht.
Kleurige vlinders fladderen om hem heen.
Hij ruikt bloemen.

En de man begint te lachen.

Opeens komt het besef.

Geluk is niet iets om na te jagen.
Het ligt niet aan het einde van de reis.

Het was er al die tijd.

Als hij anders had gekeken, had hij gezien dat de bomen hem beschermden tegen wind en zon.
Dat de mensen in de stad, net als hij, op zoek waren naar geluk.
Dat hij langs de sloten had kunnen lopen en daar al geluk had kunnen voelen.

En dat hij met de rivier had kunnen meebewegen, in plaats van vechten.

De obstakels zijn er niet om tegen te vechten, maar om te zien… en los te laten.

De man steekt zijn hand uit en aait het hertje zachtjes.
De vlinders blijven om hem heen fladderen terwijl hij opstaat.

Hij kijkt opnieuw naar de wereld.

En nu ziet hij het.
Het geluk dat er altijd al was.

De man besluit terug naar huis te gaan.
Hij zwemt door het kanaal en de sloten.
Maar dit keer rent hij niet om sneller te zijn, maar omdat het goed voelt.

 

In de stad houden de agenten hem weer aan.

“En? Heb je geluk gevonden?”

De man lacht en knikt.
“Het zit in ons. Het is nooit weggeweest.”

Hij loopt verder en voelt de neiging om iedereen vast te pakken en het te vertellen.
Maar hij weet dat ieder mens zijn eigen weg moet gaan.

Je kunt het zeggen… maar je moet het zelf zien.

De man loopt het park weer in.
Hij kijkt naar de bomen, hoort de vogels en luistert naar de geluiden om zich heen.

Voor het eerst voelt hij zich echt verbonden.

Met zichzelf.
En met de wereld om hem heen.

Hij heeft het geluk gevonden.

 

Dit was om mij alvast voor te bereiden op wat komen zou.

Zoals Johan Cruijff ooit zei:
“Je gaat het pas zien als je het doorhebt.”

Meteen voelde ik dat het nummer Als rennen geen zin meer heeft van Marco Borsato hier precies bij paste.
Samen luisterden we het nummer dat zo aansloot bij het verhaal.

In eerste instantie wilde ik dit verhaal voorlezen tijdens de dienst.
Dit verhaal wás Jesse.
Hij wilde alles, maar rende aan het mooie voorbij.

 

De uitvaartverzorgster kwam.

We liepen naar binnen en de standaardboeken kwamen op tafel te liggen, met daarin de rouwkaarten.
Ik vond dit moeilijk.

Ik was amper bekomen van het nieuws dat Jesse er niet meer was…
en nu zat ik rouwkaarten uit te zoeken.

Gisteren was er nog niets aan de hand en nu ben je de uitvaart van je eigen kind aan het regelen.

Er zat geen enkele kaart bij die goed genoeg voelde.
Het moest iets zijn waar mensen een herinnering aan zouden blijven houden.

Opeens kreeg ik het idee om een foto van hem te pakken, die ik een zomer daarvoor had gemaakt.
Daar stond hij op met een stralende lach.
Zo was hij… als hij het naar zijn zin had.

Ik liet de foto zien en zo kreeg zijn kaart langzaam vorm.

 

Tijdens de eerste nacht kwam ik op het idee om Jesse in een soort laken te wikkelen.
Hij was erg van de Noorse mythologie en dit paste bij hem.

Ik had er niet bij stilgestaan dat Jesse niet meer gezien kon worden.
Hij had bijna vijf dagen in zijn kamer gelegen.

De politie had tegen de uitvaartverzorgster gezegd dat wij niet mochten kijken.

Ze heeft ook meteen geregeld dat Jesse opgehaald werd.
Maar dat ging niet zo makkelijk.

Niet iedere uitvaartverzorger in de buurt van Groningen wilde dit doen.

Uiteindelijk hebben ze iemand gevonden die hem heeft opgehaald en in de koeling heeft gelegd.

Ze vertelde dat Jesse diezelfde middag van Tynaarlo naar Zuid-Limburg zou worden gebracht en dat we de volgende dag heel even de kist mochten aanraken.

Ik wist wat dit warme weer met een lichaam doet.
Jesse was niet meer toonbaar.
Sterker nog… eigenlijk had hij direct gecremeerd moeten worden.

Maar door toestemming van justitie mocht hij langer boven de grond blijven, zodat wij toch afscheid konden nemen.

Ook nadat hij in Zuid-Limburg was aangekomen, moesten de burgemeester en opnieuw justitie toestemming geven.

Het had allemaal meer regels dan bij een normaal overlijden.

Alles werd geregeld.
Wij zouden de adressen, liedjes en teksten nog doorsturen en daarna ging de uitvaartverzorgster weg.

 

Toen ze weg was, kwam mijn vriendin om te helpen met het opschrijven van alle adressen.
Ondertussen had Ronald contact met de politie.

Twee regisseurs vertelden hun verhaal over hoe ze Jesse’s kamer binnenkwamen.
Het was aangrijpend en moeilijk om te horen, maar ook fijn dat mensen zo met je meeleven op dat moment.

Ik heb ook Jesse zijn werk gebeld.
Ik wilde weten wat er was gebeurd, waarom hij midden op de dag was weggegaan.

Ik kreeg zijn baas aan de lijn.
Hij vertelde dat Jesse andere plannen had.

Er waren cursussen aangeboden zodat hij verder kon groeien als schilder, maar Jesse gaf aan dat hij naar het buitenland wilde.
Dat hij nog niet wist of hij wel schilder wilde blijven.

Hij was opstandig geweest.
Dat kenden ze niet van hem.

Daarom maakten ze zich ook zo’n zorgen.

We hebben een lang gesprek gehad.
Zijn baas was een meelevende man.

Toen ik vroeg of hij misschien een bedrijf wist in de buurt van Groningen dat Jesse’s spullen kon ophalen, bood hij meteen aan om dat te regelen.

Hij vond dat het te zwaar was voor mij als moeder om die kamer binnen te stappen.

Het voelde alsof er een zware last van mijn schouders viel.
En nog elke dag ben ik dankbaar dat er mensen zijn die op zo’n moment voor je klaarstaan.

Dat er nog lieve mensen bestaan.

 

De dag zat erop.

Er viel niets meer te regelen.

We waren moe en keken wat tv, maar niets kwam echt binnen.

En dan de avond…

weer die beelden,
weer dat laatste uur…

en ik kreeg het niet uit mijn hoofd.

Woensdag

Het was woensdag en het was warm.

Deze ochtend mochten we de kist van Jesse bezoeken, omdat hij later die dag overgebracht zou worden naar Valkenburg, naar het rouwcentrum.

Het rouwcentrum was klein, maar toen we naar binnen liepen voelde het toch veilig, alsof we even in een andere ruimte stapten waar alles zachter was.

Achter een papieren wand stond zijn kist.

We liepen er langzaam naartoe, bijna schuifelend, alsof iedere stap zwaarder voelde dan normaal.

Ik zag zijn kist staan, met daarop de foto die ik had meegegeven, en aan die foto hing zijn ketting.

Ik liep er alleen naartoe, keek naar zijn foto en zei:

“Wat ben je toch een klootviool hè?”

 

Ik had een mooie witte deken meegegeven, met twee engelenvleugels die ik er ooit zelf op had geborduurd, maar die schoof ik opzij, omdat ik niet naar de buitenkant wilde kijken maar wilde voelen.

Ik wilde de kist voelen, ik wilde mijn kind voelen, zijn hoofd, zijn hart… en het liefst was ik er bovenop gaan liggen en daar blijven liggen, net zo lang tot ik zelf zou bepalen dat het genoeg was.

Maar dat kon niet.

We hadden maar een klein half uur om daar te zijn, een half uur om het besef toe te laten, om zoveel mogelijk bewust in ons op te nemen, zodat je later niet hoeft te zoeken naar hoe het ook alweer was.

 

De warmte van buiten en de kou die van de kist afkwam zorgden samen voor een geur die niet goed was, en al snel werd besloten dat de kist weer terug moest naar de koeling.

We bleven nog even staan en praten, want er moesten keuzes gemaakt worden.

Het plan om de kist in de aula te laten staan viel af, en ook de tuin bleek geen optie meer te zijn, omdat zaterdag de uitvaart zou plaatsvinden en het een hele warme dag zou worden.

Hoe langer we erover praatten, hoe meer duidelijk werd dat er minder mogelijk was dan we hadden gehoopt, en hoewel dat moeilijk was, begreep ik het wel.

Samen met de uitvaartverzorgster zochten we naar een oplossing, zodat de mensen die afscheid wilden nemen van Jesse hem toch nog even konden zien.

Uiteindelijk werd besloten dat de kist vóór de dienst naar de aula zou worden gebracht in de rouwauto, dat de kist in de auto zou blijven staan en een klein stukje naar buiten gereden zou worden, zodat iedereen er langs kon lopen en de kist kon aanraken. Daarna zou de rouwauto met Jesse weer vertrekken en pas daarna zou de dienst beginnen.

We dachten met haar mee, om het, binnen alles wat niet meer kon, toch zo goed mogelijk te laten verlopen.

 

In de middag gingen Demi en ik samen muziek uitzoeken.

We keken in Jesse’s speellijst en kozen nummers die hij vaak draaide en die ook pasten bij dit moment en bij wie hij was.

Ondertussen ben ik gaan schrijven.

Ronald keek het verhaal na dat ik die zondag had geschreven, terwijl ik alles opschreef wat er tot nu toe was gebeurd, wie er had gebeld en wat er precies was gezegd.

Ik raad het iedereen aan, als er iets traumatisch gebeurt, om het elke dag op te schrijven, zodat je het later nog eens terug kunt lezen, omdat je anders veel vergeet of alles door elkaar gaat halen.

Na dat schrijven gebeurde er iets bijzonders.

Vanuit het niets begon ik een herinnering te schrijven, vanuit mij als moeder, maar daarna ging het verder en schreef ik over iedereen die sterk verbonden was met Jesse en die bij de uitvaart aanwezig zou zijn.

Voor ieder van hen kwam er een herinnering naar boven, een moment dat zij met Jesse hadden gedeeld, en zo werd iedereen even genoemd en werd niemand vergeten.

Het voelde bijna alsof Jesse zelf, via mijn woorden, zijn familie en vrienden wilde bedanken.

Ronald keek me aan en zei:
“Jo, dit gaan de mensen niet begrijpen.”

En ergens wist ik dat ook.

Maar wat ik had geschreven voelde precies zoals het moest zijn.

Het was voor de uitvaart.

En dat is het ook geworden. 

Donderdag

Het is nu donderdag en de adrenaline raast als een razende door mijn lichaam, waardoor ik hartkloppingen krijg en probeer zo rustig mogelijk te blijven, al lukt dat niet echt.

Toch besluit ik de dokter te bellen. Ik vertel wat er is gebeurd en niet veel later word ik teruggebeld door de verpleegkundige waar ik elke drie maanden kom voor controle.

Ik vertel haar mijn verhaal en ze laat me weten dat er tabletjes voor me klaarliggen om te kunnen slapen, die ik mag komen ophalen.

Wanneer ik daar aankom, voelt het als een warm bad. Ze leven met me mee en luisteren naar wat er is gebeurd, en geven me het gevoel dat ik altijd kan bellen als er iets is, omdat ze nu weten in wat voor situatie ik zit.

De rest van de dag breng ik door voor de tv. Alles wat geregeld moest worden, is gedaan, alles is doorgestuurd en vastgelegd, en nu is het wachten op zaterdag.

Wat moet je doen met die dagen die ertussen zitten?

Om de tijd door te komen kijken we tv, iets wat ons op dat moment door de dagen heen helpt.

Programma’s waar ik normaal nooit naar zou kijken, zoals realityprogramma’s, blijken nu de beste afleiding te zijn.

In de avond neem ik een tabletje in en vrijwel meteen val ik in slaap.

Maar midden in de nacht word ik weer wakker en meteen zijn daar die beelden die ik niet kwijt kan raken.

Het voelt alsof ik constant heen en weer word geslingerd door wat ik voor me zie: zijn laatste uur, de stilte, die ene schreeuw…

Ik word gek van mezelf.

Ik wil die beelden niet. Ik wil slapen, maar mijn hersenen lijken dat niet te begrijpen.

Op dat moment voel ik een drang om naar Jesse toe te gaan, om alles achter me te laten, en daar schrik ik van. Ik weet dat ik mijn gedachten weer op een rij moet krijgen.

Midden in de nacht loop ik naar beneden, pak pen en papier, iets wat mij vroeger ook altijd hielp om rustig te worden en op het moment dat ik mijn pen op het papier zet…

is daar Jesse.

“Opa is bij mij, en papa ook.
Mijn naam is Jesse en mijn moeder is de liefste moeder die er is.
Jolanda is haar naam, misschien ken je haar?

Mama, ga naar bed. Mijn lichaam is mijn lichaam niet meer.
Mijn lichaam was niet wie ik ben.

Het was rond deze tijd, maar nu ik hier ben heb ik geen spijt meer.
Jou hier achterlaten breekt wel mijn hart.

Ga naar bed mama en denk niet op die manier aan mij.
Dat is niet wie ik nu ben.

 

Mijn liefde voor jou is hier vele malen groter.
Mijn liefde voor Demi is nog nooit zo groot geweest.
Mijn liefde voor Ronald is nooit weggeweest; ik zie hem als mijn vader.

Mijn liefde voor jullie vult deze kamer en alles daarbuiten.
Mijn liefde voor mijzelf groeit met het uur.

Niet huilen mama. Het is het niet waard om alleen maar te huilen.
Onze band zal zoveel sterker worden, je zal me straks nog zat zijn, haha.

Natuurlijk mag je verdriet hebben, maar niet te lang hoor.
Dat is zonde van de tijd.

 

Mijn uitvaart is niet mijn uitvaart, maar die van jullie.
Mijn liefde komt naar voren door jouw woorden.

Jouw liefde voor mij zal in de zaal voelbaar zijn.
Je hebt het heel mooi geregeld.
Alles klopt.

Het is jullie afscheid, maar ik sta achter je.
Ik leg mijn handen op jouw schouders en laat je niet meer los totdat jij opstaat.

Laten we afspreken dat wij elkaar elke avond even spreken.
Dan wens ik je welterusten.

 

Na de uitvaart zal ik echt verder gaan.
Dan zal de energie die ik nu ben veranderen.

Ik voel de liefde vanuit daar elke dag sterker worden.
Na de crematie zal ik volledig terug zijn, maar roep me, ik hoor je.

Ik heb nu zoveel energie, zoveel liefde en zoveel vrede in mij dat ik kan reizen door de tijd.

 

Lieve mama, het is echt tijd om naar bed te gaan.
Maak je geen zorgen over wat er is gebeurd. Het ging zo snel.

Mijn hart stopte bijna meteen en ik zag papa en opa staan.
Ze huilden, maar ze lachten ook.

Zij hebben mij naar een tunnel van licht gedragen.
Engelen bestaan echt, prachtige lichtwezens die ons begeleiden naar liefde.

Ik ben nog niet helemaal verder gegaan, maar ik was al verbonden met deze sferen.

Ik was ook nog verbonden met mijn lichaam en we gingen terug.
Toen zag ik wat ik had gedaan.

Ik voelde pijn en boosheid, maar dat hoorde bij het lichaam.
Zo voelde ik mijzelf niet meer.

Ik zag hoe zwaar het leven was dat ik had gekozen.

 

Het wachten duurde lang.
Mijn lichaam werd lichter en lichter naarmate de dagen verstreken.

Ik probeerde iedereen te bereiken.
Jullie hoorden mij wel, maar niet hard genoeg.

Ik weet dat je me wilde bellen.
Het duurde je te lang, maar je werd ook tegengehouden, zodat jij mij niet zou vinden.

Toen ze mij vonden, ging alles ineens snel.
Reizen naar jou, naar Demi, naar opa en oma, naar mijn vrienden — het kon nu in een seconde.

 

Ik heb alles gezien, gehoord en gevoeld.

Mama, ik wil jou de pijn besparen.
Denk niet meer aan de oude Jesse.

Ik ben niet de Jesse die in die kist ligt.
Dat is Jesse met pijn en verdriet.

De nieuwe Jesse heeft geen pijn meer.
Geen verwarring, geen onvoorspelbaarheid.

Ik ben hier bewust en ik geniet van het reizen.

Mijn nieuwe energie is even wennen voor jou, omdat het het tegenovergestelde is van wie jij kende.
En jij hield van die Jesse.

Nu mag je hem langzaam loslaten.
Elke dag een beetje.

En elke dag zal ik dichter naast je staan.

 

Jij wilde altijd al een gids waar je van op aan kon.
Nou mama, wij gaan de hemel laten weten dat jij en ik nooit gescheiden kunnen worden, omdat wij zoveel van elkaar houden.

Mama, nu moet je echt gaan slapen.
Denk niet aan mij die daar ligt, maar voel mijn woorden.

Die pijn is niet draaglijk, mijn liefde voor jou wel.

Ik zal de lichtwezens vragen je te helpen, maar de keuze ligt bij jou, zeggen ze.

Alsjeblieft, leg het zware gevoel even neer.
Het is het niet waard om zoveel pijn te dragen.

Val in slaap met een glimlach, omdat je weet dat ik op mijn knieën naast je zit en je bescherm tot je slaapt.

Lieve mama, ik moet nu gaan.
Slaap lekker.

Ik hou vandaag meer van jou dan gisteren.

 

Ik ga weer naar boven, stap mijn bed in en op dat moment voel ik dat Jesse mijn hand vasthoudt, alsof hij er gewoon is, en ik met hem kan praten terwijl ik zachtjes huil.

Ronald komt even achter me liggen, slaat zijn armen om me heen en zegt:
“Ga maar lekker slapen, meisje.”

Ik voel zijn warmte, maar tegelijk is daar ook Jesse, zo dichtbij dat het bijna niet uit te leggen is.

Ik zie een lichtmeester bij het bed staan en voel dat hij tegen Jesse praat, zonder dat ik precies hoor wat er gezegd wordt, maar het voelt rustig en goed.

Op datzelfde moment zie ik dat hij met zijn linkerduim een kruisje op Jesse’s voorhoofd maakt.

En precies op dat moment val ik weer in slaap.