Mama, omdat ik nu meer vrijheid heb gekregen en een groot deel van mijn blauwdruk heb ingezien, zijn mijn Engel en ik op reis gegaan.
Hij kwam mij ophalen terwijl ik heerlijk in het gras lag te praten met de bloemen die om mij heen stonden.
Het is grappig: ze hebben leuke verhalen en zijn erg giechelig.
Mijn Engel stond voor me en zei: “Jesse, heb je zin om met mij mee op reis te gaan?”
Ik glimlachte, stond op en bedankte de bloemen voor hun gezelschap.
“Waar gaat de reis deze keer naartoe?” vroeg ik, terwijl ik hem aankeek.
En hij zei vol trots: “Naar de aarde, jongen.”
Ik keek hem nieuwsgierig aan.
“Maar daar zijn we net vandaan gekomen.
We hebben de schemersferen rond de aarde bezocht en de Akasha-kroniek in het midden van de aarde. Wat is er nog meer te zien?”
Mijn Engel antwoordde: “Je denkt toch niet dat de mens de enige bewoner van de aarde is?”
Ik haalde mijn schouders op. Ik wist niet wat hij bedoelde.
“Kom,” zei hij, “dan gaan we samen op reis.”
We liepen naar de rand van de sfeer, waar de luchttunnel al op ons stond te wachten.
We stapten erin; hij sloot zich om ons heen en vertrok.
Ik kon naar buiten kijken en vond het een ongelooflijk mooie reis, van de hemel naar de aarde.
Ik zag het universum, de sterren en de planeten.
Ik zag zoveel meer dan wij ooit met onze aardse zintuigen kunnen waarnemen.
Omdat ik deze reis al vaker had gemaakt, ging hij nu sneller.
In enkele aardse minuten zweefde ik in de lichttunnel boven de aarde.
“Hier zie je de aarde zoals jij haar kent, Jesse,” zei mijn Engel.
“Een prachtige planeet waar je als ziel heel veel kunt ervaren.
Heel lang geleden en dan bedoel ik echt héél erg lang geleden woonde iedereen door elkaar.
Er waren geen grenzen. De mens was onderdeel van één geheel.
De mens zag er toen ook heel anders uit dan nu, en er waren bevolkingsgroepen die veel bewuster waren dan de mens.
De mens stond nog onderaan de hiërarchie van evolutie.
Deze wereld was samen. Er waren geen grenzen en geen conflicten.
Ik zou kunnen zeggen dat het het paradijs op aarde was.
De aarde was kleiner en bestond uit één continent.
De aarde zelf is ook een ziel dat wil ervaren.
Ze werd groter, en dit ging gepaard met vulkaanuitbarstingen waardoor er meer land ontstond.
De aardplaten verschoven, en zo werd ze langzaam groter.
Maar daarmee kwam ook de afscheiding: het ene continent raakte los van het andere.
Je weet hoe de reis van de ziel gaat,” zei mijn Engel.
“Dat hebben we je al eens uitgelegd.
Je gaat als ziel niet meteen naar het onderste en laagste niveau van je bewustzijn.
Nee, je daalt langzaam af.
De aarde heeft dezelfde weg afgelegd.
Ook zij daalde af tot waar zij nu is, en dat bracht grote veranderingen met zich mee.
Toen de aarde veranderde, veranderde de mens mee.
Dat gebeurde door vermenging: de mens vermengde zich met andere mensachtige wezens die naar de aarde waren gereisd.
De harmonie verdween.
Daardoor moesten de hoog bewuste, liefdevolle zielswezens zich beschermen.
Zo ontstonden de sluiers. De Engelen hebben geholpen bij het creëren ervan.
De sluiers zijn afscheidingen: bedoeld om de paradijselijke wereld te scheiden van de aardse wereld van boosheid en angst. Van pijn en verwarring.
De hoog bewuste wezens die hier woonden, hebben deze weg zelf ooit bewandeld.
Ze hebben het laagste van het laagste meegemaakt.
Maar zij waren nu op de terugweg."
Mijn Engel keek me aan en vroeg zacht: “Kun je het nog volgen, Jesse?”
Ik keek naar de aarde en zei: “De mens en de aarde lopen gelijk, als ik het goed begrijp.
De mens daalt samen met de aarde af naar de laagste en laatste dimensie.
Door buitenaardse mensachtige wezens, die zich met hen vermenigvuldigden, kreeg de mens meer intelligentie, emoties en ervaringen.
De wezens die hier al met de mensen leefden, zijn inmiddels begonnen aan hun terugweg.
Samen met de Engelen hebben zij sluiers gecreëerd, zodat er twee werelden naast elkaar konden bestaan."
“Dat begrijp je heel goed, Jesse,” zei mijn Engel.
“De sluiers zijn er, zodat de mensen de wezens die hier nog steeds leven niet kunnen zien.
Want zij wonen hier nog altijd, net als de mens.
Ook zij zijn bezig met hun eigen bewustzijn,” vervolgde hij, “alleen zijn zij daar eerder mee begonnen.
Deze wezens hebben een taak: de mens helpen om mee te groeien naar een hoger bewustzijn, om de liefde terug te vinden, voor zichzelf én voor de aarde.”
Ik keek mijn Engel aan.
“Stel,” zei ik, “dat de mens zo boos wordt, dat het tot bommen en extreme gevaren komt.
Dat alles zo gevaarlijk wordt dat de mensheid verdwijnt… verdwijnt het paradijs dan ook?”
Mijn Engel glimlachte zacht.
“Ja, dat blijft altijd bestaan. Daar zal niets aan veranderen.
Maar als de mens de aarde zou opblazen, dan verdwijnt alles wat zich hier bevindt.”
Ergens voelde ik ook opluchting.
Ik was blij dat door onze ervaringen niet alles achter de sluier zou verdwijnen.
We kwamen steeds dichter bij de aarde. Ik zag de afwisseling van dag en nacht.
Grote steden verschenen onder ons, hun lichtjes helder zichtbaar.
Ik zag grote bosbranden en vulkaanuitbarstingen, en as die zich over de aarde verspreidde.
“Dit is de aarde zoals jij haar nu kent,” zei mijn Engel.
Hij legde zijn hand op mijn hoofd en zei: “En zo ziet het eruit als je achter de sluiers kijkt.”
Ik keek opnieuw, maar zag geen grote steden meer. Geen lichtjes.
Vanaf hier was de aarde donker, geheel in slaap, wachtend tot de zon langzaam weer tevoorschijn zou komen.
“Dit wat je nu ziet, Jesse,” zei hij, “daar zal de aarde naar terug moeten gaan.
Ze zal haar liefde hier weer laten rondzwerven. Ze zal hier geluk en plezier ervaren.
Dit is de wereld die wij gaan bezoeken.”
De lichttunnel bracht ons steeds dichter bij de aarde.
Vlak boven de grond stopte onze lichttunnel en opende zich.
Mijn Engel vertelde mij dat niemand van de bewoners ons kon zien.
Wij hebben immers geen fysiek lichaam, en ook onze lichttunnel is voor hen onzichtbaar.
Ikzelf zag meerdere lichttunnels boven de aarde hangen, waar Engelen en mensen uit tevoorschijn kwamen.
Ik was dus niet de enige die deze wereld ging bezoeken.
We zweefden door de lucht en landden voorzichtig op de grond.
Natuurlijk kunnen wij ons veel sneller verplaatsen: we hoeven er alleen maar aan te denken en we zijn waar we willen zijn.
Toch vinden wij het ook fijn om te reizen, om bewust de weg af te leggen.
Wat zich tussen het begin- en eindpunt bevindt, maakt deel uit van de ervaring.
In de reis van punt A naar punt B valt net zoveel te leren en te zien als in de bestemming zelf.
We stonden in een landschap met heuvels.
Verderop zag ik uitgestrekte bossen en ik zag waterbronnen omhoog borrelen uit de aarde, met vers water.
De heuvels waren prachtig.
Het deed me denken aan jou, mama, aan de plek waar jij nu woont, want ik herkende het landschap.
Alleen stonden hier geen huizen en geen hotels.
Mijn Engel lachte. “Je hebt de plek herkend, zie ik.”
Ik knikte. Opeens kwam het verhaal waar jij mee aan het schrijven was terug in mijn geheugen: het verhaal van de jongen die via de trap in de tuin een andere wereld binnenliep.
Ik keek om me heen en zag dezelfde trap staan, onderaan jouw tuinpad.
Ik keek mijn Engel vragend aan. Hij pakte mijn hand vast en zei: “Heb ik je niet verteld dat we het verhaal van je moeder af zouden maken?
Je hebt al een deel van de reis al gemaakt, tussen de twee levens door.
Maar nu mag je die reis opnieuw maken.
Dat wat jij tussen de twee levens door hebt meegemaakt, is in je blauwdruk geplaatst.
En niet alleen bij jou, maar bij iedereen die deze reis zal maken.
De reis zal iets anders verlopen dan wat je moeder eerst heeft opgeschreven, maar dit was voor haar een voorbereiding op wat ging komen.
Er is al lang contact gemaakt met haar ziel, nog voordat jij naar ons toe zou komen.
De jongen in haar verhaal is ook haar zoon, die op reis gaat naar een andere wereld.
Het is een voorbereiding voor je moeder, zodat zij ook jouw reis zal opschrijven, een voorbereiding op jouw aardse dood.”
Hij keek me aan en zei: “Zullen we even naar haar toe gaan?”
Ik keek mijn Engel verschrikt aan.
“Kan dat zomaar?”
“Ja,” zei hij glimlachend. “Dat kan, jongen. Alles kan.”
Ik liep de treden omhoog en boven aan de trap pakte mijn Engel mijn hand vast.
“Kijk, jongen,” zei hij zacht. “Denk aan je moeder.”
Ik keek en zag de heuvels en bossen. Opeens loste het beeld op.
Voor mijn ogen verschenen huizen in vakwerkstijl, de weg en de oprit van mijn moeder die omhoog liep de heuvel op.
“Kom,” zei mijn Engel.
We liepen samen de oprit op, gingen door de deur en liepen de trap op naar haar slaapkamer.
Daar lag mijn moeder in bed. Ze was aan het schrijven aan mijn verhaal.
“Je moeder schrijft graag ’s morgens in bed,” zei mijn Engel.
“Dan is haar geest nog rustig en kan ze de woorden het beste ontvangen.
Dit is haar moment van de dag, waarin ze even met jou in contact staat en jou het sterkst voelt.
In haar blauwdruk ben jij nooit bij haar weggegaan, want jij leeft in haar hart.”
Ik keek naar haar handen, die haastig de woorden opschreven.
Ik zag mezelf in de blauwdruk naast haar zitten, degene die haar de woorden doorgaf.
Ook Engel Elias was hier. Hij keek mij aan en glimlachte.
“Wat je hier ziet,” zei mijn Engel, “is jouw blauwdruk die met je moeder is meegegeven.
Dat is al lang van tevoren gebeurd.
Jij bent los van deze blauwdruk, maar ook met haar verbonden.
Het is moeilijk om dit in aardse woorden uit te drukken.
De blauwdruk die bij je moeder is ingeplant, dát ben jij, degene die alles al weet.
Alles wat jij zult meemaken, is daarin al opgeslagen.
Hij weet waar je naartoe gaat, wie je zult ontmoeten en wat je zult zeggen.
Zoals ik al zei: het is moeilijk in aardse taal uit te leggen.”
Ik begreep wat mijn Engel wilde uitleggen: “Wat voor mij hier nog een verrassing zal zijn, weet mijn blauwdruk al. En die blauwdruk is verbonden met mijn moeder.”
“Klopt. Leuk, hè?”
Ik moest het even op mij in laten werken.
Ook het besef dat mijn blauwdruk mijn gedachten vertaalde, en dat mijn moeder deze weer opschreef.
Terwijl hij dicteerde, stond mijn blauwdruk op en liep naar me toe.
Tegelijkertijd sprak hij nog steeds door naar mijn moeder.
Hij kwam voor mij staan en lachte.
“Dag Jesse,” zei hij. “Je gaat hele mooie reizen maken.
Ik weet waar je naartoe gaat en wat je mag gaan zien.
Je moet anders gaan kijken naar wat er gebeurt.
Zie het als een boek dat al geschreven is.
De reis is al gemaakt, maar jij mag hem echt beleven.
Geniet want voor jou is dit een echte reis.
Je ontmoet liefdevolle zielen.
Het is een reis die niet alleen jouw hart en dat van je moeder zal openen, maar ook de harten van de mensen die dit gaan lezen.
De mensen zijn zo verdicht geraakt.
Met de woorden die jouw moeder nu opschrijft, hopen wij dat het geloof in de werelden achter de sluiers in hun hart weer open zal gaan.
Iedere stap die jij tijdens jouw reis zet, zal je moeder opschrijven.
Elke stap is een woord dat tot het hart spreekt.
Het hart is de plek, de deur die naar binnen leidt.
Onze reis zal die deur voor velen openen.
De mensen die denken: ‘Dit kan niet, dit is maar een mooi gefantaseerd verhaal,’ en daarom stoppen met lezen, zitten nog vast in hun hoofd.
Ze laten het denken spreken in plaats van hun hart.
Maar jouw stappen in deze wereld zijn belangrijk.
Wij doen het samen: jij reist, en ik vertel het aan onze moeder.
Wees gerust, je zult je moeder en mij vaker tegenkomen, maar dat is voor later.
Ik wens jullie een fijne reis toe.”
Daarna ging hij weer naast mijn moeder op het bed zitten.
De Engel pakte mij bij de hand en zei: “Kom, Jesse, laten we met de reis beginnen.”
Ik keek nog één keer naar mijn moeder.
Ze keek even op, alsof ze mij echt zag.
Ze glimlachte door haar tranen heen. Ze wist dat ik deze reis werkelijk zou gaan maken.
Ze was er lang geleden al op voorbereid.
We stonden weer bij de trap in de tuin.
Ik keek nog één keer om mij heen, voor de laatste keer.
Ik hield de hand van mijn Engel vast en zag hoe de wereld voor mijn ogen veranderde.
Nu wist ik het zeker: trappen in een tuin zijn openingen naar andere werelden.
We liepen over een zandpad en ik keek nog steeds verwonderd om me heen.
Het was prachtig. Alles zou er zo anders uitzien als er geen mensen waren.
Alles was ongeremd: wilde bloemen groeiden waar ze wilden groeien.
Nergens waren hekken of afscheidingen.
Alles en iedereen was met elkaar verbonden.
Ik genoot intens van onze wandeling.
We liepen richting het bos.
Als ik nu nog in het aardse, menselijke deel had gelopen, zou ik richting de grens met België zijn gegaan.
Maar hier bestaan geen grenzen.
De bosrand kwam dichterbij.
Vogels floten hun liederen, vlinders fladderden langs ons heen, en tussen het gezang van de vogels door heerste een serene stilte.
We liepen het bos in en ik zag de eerste bewegingen die ons nieuwsgierig aankeken.
“Ze kunnen ons toch niet zien?” vroeg ik mijn Engel.
“Dat klopt,” zei hij. “Maar deze bewoners wel.
Je zult tijdens deze reis een lichaam hebben dat bij deze wereld past: het zit tussen het fysieke en het astrale in. Je hebt geen pijnlichaam, maar dit lichaam dient als een soort ruimtepak dat jouw zichtbaarheid mogelijk maakt.”
“Wanneer heb ik dit lichaam dan gekregen?” vroeg ik.
Hij glimlachte.
“Nadat wij bij je moeder zijn vertrokken. Toen ik je hand vasthield en we boven op de trap stonden.
Op deze manier kun je in contact komen met de bewoners van deze wereld. Ze weten al van je komst.”
“Betekent dat dat mijn moeder mij ook zou kunnen zien met dit lichaam?”
De Engel knikte.
“Ja, maar dat is voor later.
Dat is nog te veel te vroeg voor haar. Ze moet eerst wennen.
Ze zal in de war raken als je opeens voor haar zou staan. Haar bewustzijn kan dat nog niet aan.
Daarom zullen de woorden en de reizen die jullie gaan maken haar langzaam laten wennen.
Ook zij wordt voorbereid om jou te zien.”
Hij kneep zachtjes in mijn hand.
“Kom, jongen. Laten we eerst genieten van deze reis.
Je moeder reist met de woorden en met haar hart met ons mee. En wanneer haar hart zich opent, zullen jullie elkaar kunnen ontmoeten.”
Mijn Engel en ik keken om ons heen en voelden de nieuwsgierige blikken van de wezens om ons heen. Mijn Engel glimlachte en zei:
“Als eerste gaan we naar de kleine wezens: de kabouters. Tenminste, op aarde noemt men ze zo.
Ze zijn ongelooflijk klein, zo klein dat ze op je hand zouden kunnen zitten. Kabouters zijn nieuwsgierig en speels, en ze houden ervan mensen voor de gek te houden. Hun humor is aanstekelijk en lijkt de wereld een beetje lichter te maken met hun vrolijkheid.
Niet ver van hen vandaan woonden de aardmensen, samen met hun gezinnen. Dit vriendelijke volk heb je al leren kennen in de hemel,” legde mijn Engel uit.
“Ze leven in harmonie met de andere wezens.
Ze zijn groter dan de kabouters, maar net zo goedhartig en behulpzaam.
Verderop wonen de dwergen.
Deze wezens zijn groter dan de kabouters en aardmensen, maar nog steeds klein vergeleken met sommige anderen. Dwergen zijn vrolijk, hebben veel humor en werken hard.
Ze nemen hun taak als opzichters van het bos en van het dwergendorp zeer serieus.
De samenleving hier,” vervolgde mijn Engel, “werkt anders dan je misschien gewend bent.
Het gaat niet om macht of overheersing, maar om samenwerken en verantwoordelijkheid nemen.
Elk volk heeft zijn eigen rol.
De dwergen zorgen dat de andere wezens in het bos goed functioneren, de kabouters brengen speelsheid en nieuwsgierigheid, en de aardmensen zorgen voor harmonie en zorg.
Boven de dwergen staan andere, hogere wezens die over hen waken en ervoor zorgen dat iedereen zijn taak serieus neemt. Iedereen draagt verantwoordelijkheid naar elkaar.
Zo leeft elk volk in wederzijds respect.
“Het is een wereld,” zei mijn Engel, “waarin samenwerken belangrijker is dan domineren, en waar elk wezen, groot of klein, zijn eigen waarde kent.
De mens leeft hier niet; hij heeft een andere weg ingeslagen.
“Kijk, Jesse,” zei mijn Engel, en we bleven staan.
Voor ons rende een heel klein mannetje met een kruiwagentje.
Ik moest lachen. Hij zag er precies zo uit als we ons altijd hadden voorgesteld: een klein blauw mutsje scheef op zijn hoofdje, een donkerblauw broekje en piepkleine gele schoentjes.
Toen ik me bukte, zag ik dat de schoentjes van boterbloemetjes waren gemaakt.
Mijn Engel zei: “Leuk hè? Kom, dan gaan we ze bezoeken.
Kom, laten we naar het kabouterdorp gaan.”
We liepen verder en voelden ons heerlijk in dit bos.
“Hier zijn de getijden anders verdeeld,” legde mijn Engel uit.
“Jij kent vier seizoenen in één jaar.
Hier gaat dat anders: een dag hier duurt zo lang als een aardse maand, en de seizoenen duren veel langer.
Zoals je ziet, is het inmiddels voorjaar geworden.
Zie je de bloemen open springen?
Ze hebben net een lange winter achter de rug, en nu zijn ze blij dat ze weer naar buiten kunnen en elkaar kunnen opzoeken.
Iedere tijd van het jaar is bijzonder, en ze maken er altijd een feest van.”
Mijn Engel wees naar een grote open plek verder in het bos.
“Kijk, daar woont het kabouterdorp.”
Ik keek goed en zag dat de kabouters niet in paddenstoelen wonen zoals we altijd hadden gedacht.
Hun huisjes zaten verscholen onder de stammen van de bomen, met kleine deurtjes, raampjes en zelfs een schoorsteen die langs de rand naar buiten liep.
Rond de open plek stonden heel veel bomen, en in elke boom zat een huisje onder verscholen.
Ik zag wel honderd huisjes verspreid over dit kleine stukje bos.
We liepen naar het midden van de open plek.
Ik voelde de blikken van de kabouters.
Langzaam gingen de eerste deurtjes open, toen de tweede, de derde… en één voor één kwamen ze naar buiten. Nieuwsgierig omringden ze ons en keken omhoog.
“Zullen we even op de grond gaan zitten, Jesse?” vroeg mijn Engel.
Ik knikte en liet me op de grond zakken.
Ik wilde hen niet laten schrikken, maar al snel merkte ik dat het zien van mensen de kabouters helemaal niet afschrikte; het wekte juist hun nieuwsgierigheid.
Nu we eenmaal op de grond zaten, konden we beter contact met hen maken.
Een klein vrouwtje kwam naar voren en maakte een lichte buiging.
“Welkom, Jesse,” zei ze vriendelijk. “We hebben ons voorbereid op jouw bezoek.”
Ze pakte de hand van een kaboutermannetje vast.
Andere kabouters hielden elkaar ook vast, en plots klonk er muziek.
De kabouters begonnen te dansen om ons heen, alsof ze een oude, vrolijke volksdans uitvoerden.
Hun plezier was aanstekelijk.
Toen de dans voorbij was, zei het vrouwtje: “Ga dit pad in, mijn kind.
Dan zul je de aardmensen ontmoeten. Ook hen mag je begroeten.
Daarna kun je verder reizen naar de dwergen. We wensen je een fijne reis toe.”
Ik bedankte hen voor het warme welkom en voor hun gastvrijheid.
Samen met mijn Engel stonden we op en volgden het pad dat het kaboutervrouwtje ons had aangewezen. Terwijl we liepen, zwaaiden de kabouters ons vrolijk uit.
Het voelde alsof het bos ons echt had verwelkomd in hun wereld.
We liepen zwijgend verder, totdat ik plotseling bleef staan.
Ik keek mijn Engel aan en vroeg zacht: “Het verhaal… het verhaal dat mijn moeder heeft geschreven… het gaat anders. Hoe kan dat?”
Mijn Engel glimlachte. “Dat klopt, Jesse. Je moeder heeft er inderdaad een verhaal van gemaakt.
Maar dit hier… dit is anders.
Dit is een reis die jij zelf beleeft.
Het verhaal van je moeder was voor haar een voorbereiding, een manier om zich voor te bereiden op contact met deze wereld.”
Ik luisterde aandachtig.
“Elke reis is uniek,” vervolgde mijn Engel, “net zoals ieder mens uniek is.
Je kunt dezelfde weg bewandelen als een ander, maar jij zult hem op jouw eigen manier ervaren.
Zelfs kinderen van dezelfde ouders zijn nooit precies hetzelfde, toch?”
“Dat klopt,” zei ik. “Je zou toch denken dat ze het hetzelfde zou moeten zijn?”
Mijn Engel lachte weer.
“Dat heeft alles te maken met tijd… en met wat de ziel wil ervaren.
Jij en je zus zijn toch ook niet tegelijk geboren?”
“Klopt,” zei ik. “Er zit een jaar tussen ons.”
“Precies,” zei mijn Engel.
“Als je over een jaar dezelfde wandeling hier zou maken, zouden de sterren anders staan.
De bloemen zouden misschien op een andere plek bloeien, de vogels zouden andere liedjes zingen… en jij zou een andere ervaring hebben.
Geen enkele reis is hetzelfde.
Je moeder schreef haar verhaal over een reis, maar deze reis… die is nu van jou.
Haar reis was een voorbereiding op wat komen zou.
Kom, laten we verder wandelen.”
We liepen verder het bos in.
Het was heerlijk rustig. Ik zag een eekhoorn van boom naar boom springen, en tussen het gras zaten grote slakken met hun huisjes.
Opeens hoorden we in de verte het gezang van kinderen.
Ik keek mijn Engel lachend aan. “Dat moeten de aardmensjes zijn,” zei ik.
We versnelden onze pas en liepen naar een stukje bos waar de aardmensjes onder de grond wonen.
Ze waren naar boven gekomen en zagen er net zo grappig uit als de aardmensjes die ik in de hemel had gezien.
De kinderen zongen in koor een prachtig welkomstlied.
Toen het lied afgelopen was, klapten wij in onze handen.
Een ouderlingen kwam naar voren en begonnen te spreken:
“Leuk, Jesse, dat je ons kon bezoeken. We hebben naar jou uitgekeken.
Je mag je weg vervolgen door dit pad in te slaan,” zei één van hen en wees naar een ander pad dat door het bos liep.
“Als je dat pad volgt, kom je uit bij de dwergen. Ga maar snel, ze wachten op je.”
Ik bedankte de ouderling en liep samen met mijn Engel rustig het bosrijke pad in.
Ik voelde dat de energie om ons heen veranderde.
Alles leek helderder te worden. Ik keek mijn Engel vragend aan.
“Hoe dieper we deze wereld binnengaan, hoe helderder de kleuren, hoe bewuster je wordt,” zei hij.
“Je zult steeds meer het hemelse gevoel ervaren dat hier ook aanwezig is.”
Ik keek naar de bomen.
Het leek alsof er een zachte glinstering in de bladeren zat; alles sprankelde in het zonlicht.
Mijn Engel keek verwonderd om zich heen, net als ik.
Ook hij was op reis, ook hij mocht deze wereld ontdekken, al was hij er al mee verbonden.
We kwamen bij een nog grotere open plek midden in het bos.
Overal stonden kleine huisjes met gekleurde deurtjes en kozijnen, sommige met een schoorsteentje waar rook uit kringelde.
Dwergen liepen druk heen en weer om de tafels te dekken.
Er stonden heerlijke maaltijden op de uitgestrekte tafels.
Er hingen gekleurde lampionnetjes in de bomen, ze bereidden zich voor op een groot feest.
Aan de rand van de open plek stond een groter huis.
Voor het huis zat een jonge man, tevreden kijkend naar de dwergen die druk heen en weer renden.
Mijn hart sloeg een slag over.
“Dat is… dat is de jongen die ik in de hemel heb ontmoet,” fluisterde ik mijn Engel toe.
“Hij heeft het verhaal dat mijn moeder heeft geschreven aan haar doorgegeven. Dat is Joel.”
Opeens was alles stil.
De dwergen en Joel hadden mij gehoord en stonden stil, wachtend op wat mijn Engel zou zeggen.
Mijn Engel pakte mijn handen vast en zei: “Jesse, nu gaat jouw reis echt beginnen, samen met Joel.”
Joel kwam op ons af en stond nu naast mij.
“We hebben op jou gewacht,” zei hij. “Ga je met mij mee?”
Ik keek hem lachend aan en ik knikte blij.
De dwergen begonnen te klappen en met veel warmte en onthaal werd ik begroet door de bewoners.
Mijn reis was al begonnen, maar nu zou dit avontuur een geheel nieuwe wereld voor mij openen.
De dwergen waren groot, ze zagen eruit als kinderen van zes tot acht jaar.
Ze waren grappig om te zien, met allerlei vormen en maten, net als mensen.
De één was langer dan de rest, met een lange neus en grote oren, maar keek vriendelijk.
Een ander was klein en gezet, met een bolle neus.
Sommigen hadden een baard, anderen een snor.
De vrouwen en meisjes droegen vlechten in hun lange haar.
De meeste dwergen hadden rood haar, een enkeling was blond.
Ik keek naar hen, zij keken naar ons.
Er hing een spanning in de lucht, alsof ze wachten op mijn woorden.
Joel stond naast me, met een brede glimlach; hij had al kennisgemaakt met de dwergen.
Mijn Engel fluisterde zacht in mijn oor: “Ze wachten tot jij iets zegt.”
Ik knikte, keek de dwergen aan en zei: “Fijn dat ik bij jullie op bezoek mag komen.
Dank jullie wel.” En maakte een lichte buiging.
Er ontstond een vrolijke verwarring van stemmen.
Toen kwam een vrouw op me af. Ze lachte vriendelijk en pakte mijn handen vast.
“Ik ben Esmeralda,” zei ze zacht.
“In Joels zijn vorige leven was ik de moeder van hem.
Joel was mijn zoon, die hier samen met ons woonde.
Maar hij is teruggegaan naar de hemel en heeft een ander pad gekozen dan wij.
Jouw moeder en ik hebben dezelfde les uitgekozen: we zijn allebei een zoon kwijtgeraakt.
Alleen jouw moeder draagt verdriet, maar wij kennen alleen maar blijdschap dat Joel zo veel van de wereld leert.
Toen hij als dwerg in de hemel aankwam, heeft hij jou zijn wereld laten zien.
Hij heeft na dat leven als mijn zoon ervoor gekozen om mens te zijn, terwijl hij in een vorig leven een dwerg was.
Toen hij, net als jij, zijn aardse leven beëindigde, koos hij ervoor om jou en je moeder te helpen.
Hij was al veel verder dan het menselijk bewustzijn, net als jij Jesse.
Toch hebben jullie ervoor gekozen om opnieuw in menselijke vorm terug te keren.
Een zwaar leven, maar noodzakelijk om tot dit punt te komen.
Jullie zijn al lange tijd vrienden, maar hebben verschillende wegen gekozen: om de mensen te helpen, en ook om de moeder van Jesse iets door te geven van deze wereld waarin wij nu leven.
Jesse,” zei Esmeralda zacht, “de dag is al half voorbij.
Dat betekent dat je nog maar heel even bij ons bent. Ga zitten en drink wat.
Ik weet dat jullie niet eten, maar kom er toch gezellig bij zitten.
Verken onze wereld, speel met de kinderen, en morgen reizen jullie verder.”
Ze keek Joel aan.
“Joel, wil jij Jesse laten zien waar jullie vandaag wonen?
Dan roep ik iedereen bij elkaar en gaan we gezamenlijk aan tafel.”
Ik bedankte Esmeralda en keek Joel aan. Hij straalde.
“We gaan op reis,” zei hij enthousiast. “Hoe leuk is dat!”
Hij sloeg zijn arm om mijn schouders, als twee goede vrienden.
Mijn Engel keek me aan en zei: “Je hebt vast al gezien, Jesse, dat Joels Engel afwezig is.”
Ik knikte.
“Jullie mogen deze wereld zelf ontdekken.
Ik ga terug naar de hemel, maar zal zo nu en dan even langskomen.
Geniet van de reis, Jesse en Joel.”
Hij zwaaide, en was weg.
Het voelde raar. Hij was zo vaak bij me geweest, en nu moest ik zelf ontdekken.
“Dat hoort bij de ervaring,” zei Joel.
“We zijn veilig. En ze komen terug als we hen roepen.
“Kom,” vervolgde hij, “dan laat ik ons huis zien.”
Samen liepen we naar het huis.
De dwergen waren zichtbaar blij dat we er waren.
De kinderen vroegen of we straks met hen mee gingen zwemmen.
“Zwemmen is echt leuk!” riepen ze.
Joel en ik stemden toe en liepen verder.
Het huis was prachtig. Alles was groter.
Ik zag een tafel met stoelen en twee bedden.
“Slapen wij hier?” vroeg ik.
“Klopt,” zei Joel. “We zitten nu in aardse energie, en die is zwaarder.
Dat zorgt ervoor dat wij ook gaan slapen.
We passen ons aan aan de aardse wetten, dus als het donker wordt, gaan we slapen.”
Ik moest lachen.
“Ik heb al heel lang niet geslapen. Ik ben benieuwd hoe dat ook alweer voelt.”
“Ik ben hier nu een dag,” vervolgde Joel, “en ik moet eerlijk bekennen dat het fijn is.
Maar de dromen maak ik bewust mee.
Ik was weer terug in de hemel, en toen ik wakker werd, was ik hier.
Ik moest even wennen. Ik voelde me verward.
Ik was op aarde, daarna in de schemerwereld, toen in de hemel.
Nu weer op aarde, en in mijn dromen opnieuw in de hemel. En daarna weer op aarde, aan de andere kant van een sluier.
Ik moest even beseffen waar ik nu écht was.”
Joel begon te lachen.
Er werd op de deur geklopt. Het was Esmeralda.
“Komen jullie, jongens? We gaan aan tafel.”
“We komen,” zei ik, en ik keek Joel aan.
“Maar we eten toch niet?” vroeg ik.
“Dat klopt,” zei hij. “Maar water drinken is voldoende.”
Ik knikte en liep achter Joel aan naar buiten.
Iedereen zat al aan tafel en ik en Joel gingen naast Esmeralda zitten.
Ze vouwden hun handen en bedankten Moeder Aarde voor het voedsel dat ze ons had geschonken en voor het water dat we dronken.
Toen begonnen ze te eten.
“Komt er veel bezoek hier?” vroeg ik aan Esmeralda.
Ze schudde haar hoofd.
“Nee. Ik weet dat veel mensen ons in hun astrale lichaam bezoeken, net zoals jij je moeder bezoekt.
De mensen zijn aan het verkennen; wij zien ze niet, maar weten dat ze er zijn.
Eén keer per jaar krijgen we bezoek, in het voorjaar.
Dan komen er mensen die, net als jullie, onze wereld mogen ontdekken.
Maar vaak blijven ze maar één nacht en keren daarna terug naar de hemel.”
Joel keek Esmeralda aan. “Waarom maken zij dan niet zoals wij een lange reis…?”
“Voor hen zijn de wegen nog niet open.
Een enkele ziel zal verder reizen,” legde Esmeralda uit. “Zo als je moeder heeft gedaan.”
“Mijn moeder?” en ik keek verschrikt op.
“Ja,” zei ze zacht.
“Jouw moeder heeft, net zoals jij nu doet, deze reis al gemaakt.”
“Wanneer dan? En hoe? En met wie?” vroeg ik nieuwsgierig.
“Ze kreeg tussen haar twee levens de keuze om deze werelden te ontdekken, net als jullie,” vertelde Esmeralda.
“Ze kwam via de lichttunnel, net zoals jullie nu hebben gedaan.
Ze was net zo nieuwsgierig als jij, Jesse.
Ik woonde hier al, en Joel was nog niet geboren.
Omdat ik dezelfde leeftijd had als jouw moeder, werd besloten dat ik met haar mee op reis mocht gaan.
Voor haar, zoals voor mij, was het een groot avontuur.
Ik was nog nooit buiten het bos geweest.
Jouw moeder en ik werden vriendinnen en hebben afgesproken dat onze twee zonen samen deze reis ook zouden maken.”
“Maar wij hebben toch ook al eens tussen twee levens gereisd?”
“Ja,” zei Esmeralda. “Maar toen kon jouw moeder de woorden nog niet opschrijven.
Nu wel. Daarom maken jullie deze reis opnieuw.
Omdat jouw moeders reis in haar blauwdruk zit, voelt het voor haar alsof ze ook écht bij jullie is.
Ze weet waar jullie zijn, voelt jullie energie en de liefde, en kan het daardoor goed opschrijven.
Na vandaag gaan jullie verder reizen,” vervolgde ze.
“De Paardenengelen en de Feeën wachten op jullie.
Jullie reis is even gestopt, maar mag nu verder gaan.
Ik zeg alleen maar: geniet van elke wereld waarin je terechtkomt.
Ook van onze wereld. Want als je met andere ogen kijkt, zie je veel meer.”
Ik bedankte Esmeralda en Joel genoot zichtbaar van mijn gezelschap, en ik voelde de warmte en de magie van de deze bijzondere plek.
Mama, ik ben samen met Joel bij de dwergen op bezoek.
Ze hadden een feestmaaltijd voor ons klaargemaakt.
Maar toen de maaltijd ten einde was, renden de kinderen van tafel en gingen achter mij en Joel staan.
Ze keken ons vragend aan.
“Wat is er?” vroeg Joel plagend.”
Ze keken naar ons alsof wij iets vergeten waren.
“O ja,” zei Joel ineens, “we zouden met jullie gaan zwemmen.”
De ogen van de kinderen glunderden toen ze merkten dat Joel hen een beetje voor de gek hield.
“Ga je mee, Jesse?” zei hij. “We gaan zwemmen.”
Ik stond op, bedankte de dwergen voor het samenzijn en liep met Joel en de kinderen een bospad in.
Het was heerlijk om hier te zijn.
Het bos voelde nog ongeremd: verschillende bomen groeiden door elkaar heen.
Ik zag geen ingeplante bomen die keurig naast elkaar stonden.
De zon scheen door het bladerdak en wierp dansende vlekken van licht op de grond.
Heel even voelde ik alsof ik terug bij jou was.
Mam, weet je nog dat je ons ook vaak meenam naar het bos?
Dat we van de kleine heuvels af renden, over de zandvlakte met de jeneverbessen, naar de uitkijktoren?
Dit bos bracht me heel even terug naar vroeger.
Joel tikte me aan en zei: “Mooie herinnering heb jij.”
Ik keek hem vragend aan. “Dank je, maar kun jij herinneringen van anderen zien?”
Hij knikte. “Dat kun jij straks ook. Je zult zien waar iemand aan denkt.
Het is iets heel moois. Hier zie je alleen maar mooie herinneringen.
Maar toen ik nog op aarde was, voelde en zag ik ook de minder mooie gedachten.
Op het laatst zag en voelde ik alleen nog maar de gedachten van anderen, het was zo erg dat ik het niet meer kon stoppen.”
Ik had heimwee naar hier,” zei hij, “omdat het voelde dat ik aan de verkeerde kant van de sluier was geboren. Wat natuurlijk niet zo was, het stond allemaal al vast.
Ik heb dezelfde keuze gemaakt als jij, Jesse. Ik heb besloten om terug te keren.
Maar ik ging niet meteen terug naar de hemel.
Ik verbleef eerst in de schemersfeer.
Daar kon ik mijn eigen blauwdruk inzien en zag ik dat wat ik had gevoeld ook echt was.
Ik zag jou als Manu en onze reis samen.
En ik ben op zoek gegaan naar jou als Jesse en zo vond ik jouw moeder.”
Ik zag dat jij dezelfde weg zou afleggen als ik, en ik wilde jouw moeder alvast voorbereiden op wat er zou gaan gebeuren.
In mijn blauwdruk en ook in die van haar en jou, had ik gezien dat zij onze reis zou opschrijven.
Ik heb daarbij de namen gebruikt die wij toen droegen.
De eerste reis die wij samen maakten, waren wij net als nu al groot.
Toch heb ik je moeder verteld dat het kleine jongens waren.
De liefde die zij voelde voor jou, Jesse, op die leeftijd, was enorm groot.
Daarna kwamen voor jou de problemen, waardoor je veranderde.
Het verhaal stopte op een bepaald moment.
Toen ik werd opgehaald naar het licht, heeft je moeder het verhaal nooit af kunnen schrijven.
Ik had haar verteld dat Manu veertien dagen hier zou zijn. Maar we hebben er uiteindelijk maar vier dagen geschreven. Dat zou betekenen dat er nog tien dagen geschreven hadden moeten worden.
Maar eigenlijk was de reis toen al klaar, of bijna.
Wat ik bedoel, is dat het een voorbereiding was op wat zou komen.
Wij zijn in onze eerste reis ook niet verder gekomen dan waar we nu heen zullen gaan.”
Ik bleef staan en keek hem aan.
“Waarom heb je mijn moeder verteld dat ik er veertien dagen zou zijn?”
Hij keek me rustig aan. “Ik wist niet hoe lang ik in de schemersfeer zou blijven.
Dat kon ik niet in mijn blauwdruk terugvinden.
Wat ik wél wist, was dat wij hier samen naar terug zouden keren.
Ik wist dus dat de schemersfeer er was om jouw moeder voor te bereiden op deze reis die wij nu maken.”
Ik begreep wat hij wilde zeggen. Vanuit zijn kant was het ook anders.
“Kom,” zei ik. “De kinderen zijn al vooruit gerend. Ze wachten vast op ons.”
Joel lachte, en samen liepen we in een versnelde pas door het bos.
Opeens bleef Joel staan.
“Wat is er?” vroeg ik.
“Zie je die spiegel die hier midden op het bospad staat?”
Ik keek, maar zag niets.
“Kijk heel goed,” zei Joel.
Maar hoe ik ook keek, ik zag geen spiegel.
Toen stak Joel zijn arm naar voren, en zijn arm verdween.
Ik wist niet wat ik meemaakte.
Mam, ik had al zoveel onwerkelijke momenten gezien, en dit was er weer één van.
“Ik heb mijn blauwdruk ingezien” zei Joel “en heb hier meerdere levens geleefd.
Dit herken ik. Een poort naar een andere wereld.
Kom,” zei hij.
Lachend namen we een aanloop en sprongen door de spiegel heen.
Aan de andere kant bleef ik verwonderd staan.
Ik keek om me heen en kon mijn ogen niet geloven.
De bomen, het meer midden in het bos, omringd door bergen met enorme watervallen die van grote hoogte het water in stortten.
De kinderen zwommen in het meer.
Het was voor mij een onwerkelijke wereld, want alles was bedekt met een dun laagje goud en zilver.
Ik keek Joel aan en hij leek wel een golden boy, maar dan letterlijk.
Ik keek naar mijn eigen handen en moest lachen.
“Waar zijn we nu eigenlijk?” vroeg ik nieuwsgierig.
“We zijn bij het meer,” zei hij.
“Hier woont de Moeder van de Aarde. Ze leeft diep in de aarde.
Je hebt haar al menigmaal mogen ontmoeten.
Voor deze kant van de sluier is zij heel belangrijk, omdat zij verbonden is met alles wat hier leeft.
Kom, dan gaan we haar begroeten.”
Ik keek naar het meer. Het was magisch en enorm groot.
Ik zag vogels overvliegen en bij iedere slag van hun vleugels lieten ze goud- en zilverstof achter.
Het is niet te beschrijven, maar het was wonderlijk.
We gingen het water in en speelden eerst met de kinderen, zoals beloofd.
Het was ontzettend fijn om weer even een kind te zijn.
Ze zaten op onze schouders en samen namen we een duik in het water.
Ik heb er enorm van genoten.
Maar opeens keken ze op, alsof ze geroepen werden.
Ze bedankten ons voor het spelen en liepen het water uit.
Ik keek Joel vragend aan.
“Het is tijd dat wij de Moeder gaan ontmoeten,” zei hij. “Ze wacht op ons.
Laten we op onze rug in het water drijven.
Sluit je ogen en laat gebeuren wat er moet gebeuren.”
Ik begreep het en ging naast Joel in het water liggen.
Ik sloot mijn ogen en voelde hoe mijn astrale lichaam loskwam van het nieuwe lichaam dat ik hier had ontvangen.
Ik werd opgetild en meegenomen, recht naar het midden van het meer.
Daar ging ik, onder water.
Mijn ogen waren nog steeds gesloten en ik gaf me volledig over aan alles wat er gebeurde.
Ik voelde opnieuw de liefde die ik al eerder had ervaren; een zachte stroom die me onmiddellijk verbond met het vrouwelijke, met een liefde die warm en krachtig was.
“Doe je ogen maar open, Jesse.”
Ik was terug in Midden-Aarde. Ik stond rechtop en zag Joel naast me staan.
De Moeder liet zich aan ons zien. Ze was prachtig.
Ze droeg een groene jurk, vol met smaragden.
Haar lange rode haar hing als een sluier tot over de grond.
Haar ogen waren felgroen en ze straalde een liefde uit die alles omvatte.
Ze pakte ieder van ons bij de hand en zei: “Lieve jongens, wat fijn om jullie hier weer te ontmoeten.
Ik wil jullie alleen maar een goede reis wensen.
Weet dat in alle werelden die jullie zullen zien en ontdekken, ik ook woon.
We zullen elkaar nog heel vaak tegenkomen.”
We stonden wat verlegen naast elkaar. Ze was zó krachtig.
“Kom,” zei ze zacht. “Ik breng jullie weer terug. Straks zien we elkaar weer.”
Wij bedankten haar en sloten opnieuw onze ogen.
Ze tilde ons op en bracht ons terug naar de oppervlakte van het water, waar ze ons weer in ons lichaam legde.
“Ga terug naar het dwergendorp, jongens,” zei ze. “De zon gaat onder.
We zien elkaar straks weer.”
Ik opende mijn ogen en zag dat de zon inderdaad aan het zakken was.
Ook zag ik dat de volle maan hier veel groter was dan ik gewend was.
“Kom,” zei Joel, “we moeten opschieten.”
We zwommen naar de kant en liepen het water uit. We waren meteen weer droog.
“Wie het eerst bij het dwergendorp is!” riep hij, en Joel zette het op een rennen.
Ik bedacht me geen moment en rende achter hem aan.
Ik zag Joel verdwijnen door de spiegel en ik sprong er direct achteraan.
Aan de andere kant was alles weer normaal.
Terug in het dorp kwam Esmeralda naar ons toegelopen.
“Hebben jullie fijn gezwommen?” vroeg ze.
Wij knikten van ja.
“Kom,” zei ze, “we gaan zo meteen terug naar het meer. Daar eren wij de Moeder.
Dit is ook de plek van geboorte en heengaan.
Hier worden de baby’s niet uit een vrouw geboren, maar ontvangen wij de baby van de Moeder.
En ook wanneer het tijd is om terug naar de hemel te gaan, zal de Moeder je opnemen.
Vanavond is een speciale avond,” vervolgde ze.
“Er zal een baby komen en een oude dwerg verlaat ons dorp.
Wij kennen geen verdriet; wij wensen hem een fijne reis terug naar de hemel.
Ga jullie wassen, kam je haren.
Bij de deur staat voor ieder van jullie een lantaarn.
Als jullie klaar zijn, kom dan weer hier.”
Wij bedankten Esmeralda en liepen naar ons huis.
Voor ieder van ons stond een waskom met sprankelend water klaar, nette kleding lag al voor ons gereed.
We wasten ons en kleedden ons zo snel mogelijk om; we wilden niets missen van wat er in het dwergendorp zou gebeuren.
Nadat we onze haren hadden gekamd, liepen we naar buiten, pakten de lantaarns die bij de deur stonden op en liepen naar de groep dwergen die op ons stond te wachten.
Ze vormden een rij, twee aan twee, en we wachtten tot we zouden gaan lopen.
Het was stil. Niemand zei iets; het leek alsof iedereen ergens op stond te wachten.
Het werd nu echt donker.
De laatste zonnestralen waren verdwenen en de maan stond hoog aan de hemel.
Opeens hielden alle dwergen hun armen omhoog, daar waar ze de lantaarns vasthielden.
Wij deden hetzelfde. Vanuit het bos kwam een zwerm vuurvliegjes.
Ze verdeelden zich en gingen, met zijn twaalven, in één lantaarn zitten.
Oh mam, je had het moeten zien! Het was zo magisch, zo mooi.
Wat zal ik straks wel niet voelen als ik dit al zo prachtig vind?
Opeens kwam de rij in beweging en liepen we richting het meer.
De oude dwerg, die het dorp ging verlaten, liep voorop.
Hij was gekleed in prachtige witte satijnen kleding en had zich mooi gemaakt voor zijn reis terug naar de hemel.
We liepen door de spiegel en alles zag er zo anders uit.
Door de lantaarns en het licht van de maan was alles betoverend mooi.
Het goud en zilver sprankelden in het maanlicht.
We gingen langs de kant van het meer staan en ik zag dat wij niet de enigen waren.
Rond het meer stonden lichten van lantaarns, maar ik kon niet zien wie ze vasthielden.
Iedereen stond te wachten tot de Moeder zou komen.
Opeens zag ik kleine bos- en waternimfen vliegen.
Ze strooiden goud- en zilverstof over het meer heen.
Joel fluisterde: “Nu zal de Moeder snel komen.”
Ik knikte en keek verwonderd naar het schouwspel dat voor ons werd opgevoerd.
In de verte hoorde ik gezang, iets wat ik al eens eerder had gehoord. Het was het Engelenkoor.
Ik keek naar de lucht en zag een fonkelende ster zich openen.
Een intens licht scheen van boven naar beneden.
Het water van het meer begon te bewegen en opende zich.
De Moeder verscheen nu in een witte jurk. Ze keek samen met ons naar boven.
Een zilveren trap, versierd met gouden bloemen, daalde uit de ster naar beneden.
Op de trap stond een Engel. Het gezang werd voller en krachtiger.
Plots voelde ik een hand op mijn schouder. Ik keek opzij en zag mijn eigen Engel staan.
Hij glimlachte en zei zacht: “Blijf kijken, Jesse.”
Ik keek toe, en onder luid gezang liep de Engel met een baby de trap af naar beneden.
Oh mama… het was zo mooi. Ik kreeg tranen in mijn ogen.
Onder aan de trap gaf de Engel de baby aan de Moeder.
Ze was teder, zacht en lief voor dit kleine zieltje.
Ze omarmde de baby en keek daarna onze kant op, waarna ze door het opzij geschoven water naar ons toeliep.
Twee dwergen stonden naast de oude dwerg.
Ze keken vol verwachting uit naar hun eerste baby.
De Moeder liep naar ons, keek nog even liefdevol naar het kleine kindje, en overhandigde het aan de aanstaande moeder en vader.
De nieuwe moeder kuste de baby en bedankte de Moeder voor dit waardevolle geschenk.
Ze straalden van geluk, zichtbaar blij met deze nieuwe baby.
Maar nu was het moment voor de oude dwerg gekomen.
Hij pakte de handen van de Moeder vast.
“Ben je er klaar voor?” vroeg ze zacht.
Hij glimlachte door zijn rimpels heen, keek hij nog eenmaal achterom en liep toen hand in hand met de Moeder naar het midden van het meer, daar waar de trap naar de hemel stond.
De Engel die eerder was neergedaald stond er nog steeds, maar nu stonden aan iedere trede prachtige Engelen, die zachtjes zongen.
De Moeder overhandigde de oude dwerg aan de Engel.
Samen liepen ze, hand in hand, de trap naar de hemel omhoog.
Nog eenmaal keek hij om en zwaaide. Iedereen zwaaide terug.
Het gezang steeg aan tot volle glorie, en de oude dwerg werd in het witte licht van de hemel opgenomen.
De trap verdween samen met de Engelen, het licht werd kleiner, en de fonkelende ster schitterde nog eenmaal na in de donkere nacht.
De Moeder stond net als wij naar boven te kijken, totdat alles volledig voorbij was.
Ze keek om zich heen, zwaaide zacht, en het water viel terug en het meer werd weer groot en rustig.
Mijn Engel, die naast me stond, fluisterde: “Morgen gaat de reis verder.
Je zult vannacht weer slapen. Het zal een droomloze nacht worden, want je moet rusten, jongen.
Morgen begint een nieuwe reis.” En toen verdween hij.
Ik zag ook Joel’s Engel naast hem staan, en net als de mijne verdween hij opeens.
De menigte kwam weer in beweging.
Twee aan twee liepen we terug naar het dorp.
Nog heel even bleven we staan om te praten, en daarna gingen we terug naar ons huis.
Esmeralda klopte aan en liep naar binnen.
“Wat een mooie avond was dit, hè? Fijn dat jullie dit mee hebben mogen maken.
Ga snel slapen, morgen is er een nieuwe dag, een nieuwe reis naar de feeën.
Slaap lekker, jongens.”
Joel en ik stapten in bed en zetten onze lantaarns naast ons neer.
Ik wenste hem welterusten en hij mij.
De vuurvliegjes hadden hun werk gedaan; ze vlogen uit de lantaarn, door het open raam, terug het bos in.
Ik lag met open ogen in het donker.
De slaap wilde maar niet komen. Er waren zoveel indrukken geweest.
“Doe je ogen maar dicht, jongen,” hoorde ik opeens een stem zeggen.
Ik keek op en zag een oude man naast me staan, gekleed in een lange blauwe jas.
Hij had een lange baard die tot aan de grond reikte en keek me met een warme, vriendelijke blik aan.
“Doe je ogen dicht, jongen,” zei hij nogmaals.
Ik sloot mijn ogen en heel even voelde ik dat hij me aanraakte.
Langzaam voelde ik hoe ik deze wereld losliet en mijn geest stil werd.
Ik besefte nog net dat ik in slaap viel.
Ik hoorde het gezang van de merels toen ik wakker werd.
Ik opende mijn ogen en glimlachte.
Ik was echt op reis met Joel, en vandaag zou onze reis verdergaan.
Toen ik opstond, zag ik dat hij al wakker was.
Hij had zich gewassen en stond klaar om te vertrekken.
“Kom, opschieten, Jesse,” zei hij. “De zon is net op.
Het is weer een nieuwe dag, met een nieuwe reis.
“Kom,” voegde hij eraan toe, “laten we geen tijd verspillen.”
Ik waste me en kleedde me aan.
De levens die Joel had geleefd, waren voornamelijk in deze wereld.
Hij hoefde maar één leven te leven als mens.
Joel daalde af in bewustzijn en kon de liefde die hij zo sterk in zich droeg aan de menselijke kant niet vinden. Ik begreep dat hij veel sterker verbonden was met deze wereld.
Zelf merkte ik dat ik vaker verbonden was met strijders met zwaarden, draken en vreemde monsters. Tijdens het terugkijken van mijn blauwdruk had ik niet ver genoeg gekeken om te zien of ik ergens zo’n leven had geleefd. Waarom was ik, tijdens mijn leven als Jesse, hier zo sterk mee verbonden?
Opeens stond mijn Engel naast me en glimlachte.
“Mooie vraag die jij stelt, Jesse.
Als je terug bent van deze reis, gaan we terug naar de cabine en onderzoeken we opnieuw je blauwdruk. Misschien vinden we
antwoorden.”
“Dat klinkt als een mooi vooruitzicht. Dank je wel,” zei ik.
Mijn Engel wenste me een fijne reis en verdween.
Ik was klaar voor vertrek en liep naar buiten.
De zon kwam nog maar net op en het gezang van de vogels was overweldigend.
Iedereen stond buiten om afscheid van ons te nemen. Esmeralda gaf ons een rugtas.
“Hier,” zei ze, “wat water en wat eten voor onderweg, mocht jullie trek of dorst krijgen.”
Joel pakte de tas aan en we bedankten iedereen voor de goede zorgen.
We namen het bospad richting de Feeën.
Toen we door de spiegel gingen, stonden we aan de andere kant in een volledig andere wereld.
We liepen langs het meer over een kronkelend pad en genoten zichtbaar van alles om ons heen.
Halverwege het meer liep het pad omhoog en slingerde zich rond de berg.
Het was een prachtige reis; alles leek te sprankelen.
De groene bergen schitterden in het zonlicht.
We liepen over touwbruggen om van de ene berg naar de andere te komen, terwijl de watervallen het landschap nog magischer maakten.
Daar zagen we ook de kleine water- en boswezentjes.
Nieuwsgierig vroeg ik Joel wat het waren.
“Dat zijn nimfjes,” zei hij. “Ze staan in dienst van de Moeder.
Ze zorgen ervoor dat alles — bomen, planten en dieren — het naar hun zin heeft.
Ze werken samen met de devas, de natuurgeesten, om alles in balans te houden.
Als een boom klaar is met het leven en naar de hemel gaat, zorgen de deva’s ervoor dat hij veilig overgaat, zodat hij daar verder mag groeien.
Zijn fysieke boom, die achterblijft, wordt voeding voor nieuw leven. Iedereen werkt samen."
Hoe dieper we het bos in liepen, hoe meer bosnimfjes we zagen.
Ze waren zilverkleurig en wanneer ze wegvlogen, lieten ze een spoor van zilverstof achter.
Ik zag ook de deva’s, als lichtgroene energie die zich tussen de bomen en struiken door bewoog.
We kwamen de eerste Elvendorpjes tegen en bleven even staan om van deze wonderlijke wezentjes te genieten. Ze waren groen van kleur met een zilveren gloed, klein als mijn pink, met grote spitse oortjes, donkere ogen en kleine mondjes.
Hun lange armen en benen maakten ze sierlijk, en hun dubbele vleugels lieten ze razendsnel bewegen.
Hoewel ze op elkaar leken, zag elk elfje er anders uit.
Ze woonden in de bomen, in zelfgemaakte huisjes die leken op kleine ronde nestjes.
Zo nu en dan kwam er één naar ons toe gevlogen, ging op mijn schouder zitten en vloog dan naar mijn oor om zoete, lieve woordjes te fluisteren.
Joel en ik waren hier zo gelukkig.
In de hemel is er oneindig veel liefde, het hoogste van alles.
Maar in deze wereld is alles sprookjesachtig, sereen en tegelijkertijd zo echt.
Wie sprookjes altijd als verzinsels heeft gezien, zal deze reis niet begrijpen.
Er bestaat niets buiten God.
Deze wereld is een herinneringen van vorige levens, of van levens waar je nog naartoe mag.
Alles ligt al vast in je blauwdruk.
Deze wereld is echt, maar juist omdat het de weg is vóór én ná het aardse leven, zijn wij er zo sterk mee verbonden.
Joel begon te lachen.
“Jij hebt mooie gedachten,” zei hij. “Ik miste deze wereld toen ik aan de aardse kant was.
Ik had echt heimwee.
Ik begreep niet waarom mensen zo verdicht waren.”
“Misschien brengt onze reis daar verandering in,” zei ik.
“Ik hoop het, Jesse,” zei hij, “want moet je zien wat we mee mogen maken.”
Hij wees naar een volgende touwbrug, hoog in de bergen.
“Daar moeten we zijn. Dat is de weg naar de Feeën.”
Ik keek omhoog.
Het was hoog, maar ik wilde weten welk uitzicht we vanaf daar zouden hebben.
“Kom,” zei Joel, en we versnelden onze pas over het kronkelende pad dat steeds verder omhoog de berg op ging.
We stonden nu voor de touwbrug.
Onder ons stroomde een kolkende rivier, terwijl de mist omhoog steeg en door de zon werd beschenen.
Ik keek naar beneden en zag wel honderd kleine regenbogen.
Verwonderd liepen we de touwbrug op en bleven halverwege even staan om over het land uit te kijken.
In de verte zagen we het meer liggen, de bomen eromheen en de vele bergen met watervallen.
Vanaf deze kant was alles zo anders.
“Zullen we verdergaan?” vroeg Joel.
Ik knikte en samen liepen we verder.
Aan de overkant gingen we door het bos en om een bocht heen.
Opeens stonden we oog in oog met de berghelling waar de Feeën wonen.
Het paleis was wit van kleur, en ik noemde het maar een paleis, omdat het er ook echt zo uitzag.
Langs de rand van de berg liep een gang met marmeren, ronde zuilen, en daarachter stond het paleis zelf.
Vanaf hier zagen we de Feeën heen en weer lopen.
Het was hoog en volledig uit marmer gebouwd, alsof het in de berg zelf was gegroeid.
Grote ramen schitterden in het zonlicht en we stonden met open mond omhoog te kijken.
Joel en ik konden niet wachten. We renden naar de poort.
Eén grote houten deur stond open, maar toch belden we aan met de bel die eraan hing.
Een groep van twaalf Feeën verscheen bij de deur.
Eén van hen stapte naar voren: “Kom binnen, jongens.
De deur hadden we al voor jullie opengezet. Welkom.”
Ik keek hen aan en dacht: mam, ze zijn echt statig.
Ze droegen lichtblauwe gewaden, hun lange witte haar zwierde over de grond, en in hun haar droegen ze kransen van hedera en wilde bloemen.
Ze waren groter dan wij, en voor het eerst moest ik omhoog kijken als ze spraken.
“Kom,” zeiden ze, “gaan jullie mee naar binnen.”
De groep splitste zich in tweeën, zodat wij er tussendoor konden lopen, en zo betraden we de wereld van de Feeën van binnen.
We liepen met de Feeën door de gang die langs de buitenzijde van de muur liep.
Terwijl we tussen de pilaren door liepen, konden we naar buiten kijken.
We zagen de watervallen die langs de rotsen naar beneden stortten, de groene bergen die zich in de verte uitstrekten, de vogels die sierlijk tussen alles door vlogen en de vlinders die fladderend door de lucht dansten.
Alles om ons heen voelde magisch.
Joel en ik voelden ons bevoorrecht dat wij deze wereld mochten betreden en beleven.
Een Fee deed een deur open en gebaarde dat we naar binnen mochten gaan.
“Dit is jullie slaapvertrek voor vannacht,” zei ze.
“Net als gisterenavond zullen we, net als bij de dwergen, vanavond afdalen naar het meer.
Voor nu kunnen jullie je hier even opfrissen, daarna kom ik jullie weer halen.”
De Fee knikte ons vriendelijk toe en liet ons alleen achter in onze kamer.
Joel zette zijn rugtas neer op de stoel die in de hoek van de kamer stond, terwijl we samen de ruimte in ons opnamen.
Midden in de kamer stonden twee bedden.
Wanneer je erop ging liggen, keek je recht naar buiten.
De deuren naar het balkon stonden open en een wit gordijn zweefde zachtjes mee op de warme bries.
Hoge vazen gevuld met kleurrijke bloemen stonden verspreid door de kamer.
Het was een prachtige ruimte.
Er was geen badkamer zoals wij die kenden.
In plaats daarvan stond er voor ieder van ons een kom met sprankelend water, bedoeld om ons op te frissen.
Joel en ik liepen het balkon op.
Vanaf hier keken we uit over de achterkant van het paleis.
Beneden lag een schitterende tuin vol bloemen, in ontelbaar veel kleuren.
Ik had nog nooit zoveel tinten en schakeringen bij elkaar gezien.
Opeens kwam er een kleine bosnimf naar mij toe gevlogen.
Ze bleef vlak voor mijn gezicht in de lucht hangen en zei: “Welkom, jongens.
Verken deze wereld, al is het helaas maar voor één dag.
Weet dat jullie vanaf vandaag met deze wereld verbonden zijn.
Vanuit de hemel kunnen jullie altijd terugkeren en hier langer verblijven.
Deze reis is er alleen voor om jullie te laten zien waar jullie allemaal naartoe kunnen reizen en welke werelden er bestaan.
Fris jullie nu op, de Feeën staan al op jullie te wachten.”
Ik bedankte de nimf, waarna ze weer wegvloog.
Snel liepen we naar de kommen met water en wasten ons gezicht en kamde onze haren.
Net toen we klaar waren, ging de deur open en kwam de Fee die ons eerder de kamer had laten zien weer binnen.
“Jullie zijn al klaar,” zei hij vriendelijk. “Volg mij maar, we gaan samen ontbijten.
Jullie eten niet zoals wij dat doen, maar misschien willen jullie wel aan onze tafel plaatsnemen.”
We knikten instemmend en liepen achter de Fee aan de kamer uit, een nieuwe lange gang door.
Aan het einde van de gang gingen we opnieuw door een deur en kwamen we een grote eetzaal binnen.
Ik wist niet wat ik zag. Mama, het was ongelooflijk.
Er stonden rijen en rijen tafels en stoelen, en op iedere stoel zat een Fee.
Het waren er wel honderd, misschien nog meer.
Iedereen keek naar ons toen we binnenkwamen en plotseling stonden ze allemaal op.
Ze begonnen te klappen, lachten blij en verwelkomend.
Ik werd er toch een beetje verlegen van.
“Ga daar maar zitten,” zei de Fee, terwijl hij wees naar een tafel midden in de zaal waar nog twaalf andere Feeën aan zaten.
Ik voelde dat er hier een verschil in hiërarchie was.
Dit moesten de ouderen en de wijzen zijn, al kon je hun leeftijd niet zien.
De Fee die aan het hoofd van de tafel zat, keek me aan en zei: “Het klopt wat jij denkt, Jesse.
Wij zijn inderdaad de oudere Feeën.
Maar niemand is hier meer of minder dan een ander.
We zitten hier enkel samen aan tafel vanwege onze leeftijd en ervaring.”
Hij liet zijn blik door de zaal gaan.
Aan de buitenkant zag ik nauwelijks verschil: ze zagen er allemaal stralend en mooi uit.
Alleen bij de kinderen was het anders.
Zij droegen geen lichtblauwe gewaden zoals de volwassenen, maar witachtige speelpakjes.
“Wanneer een kind volwassen wordt,” vervolgde de Fee, “zal het de kleding dragen die de volwassenen dragen.
Tot die tijd leren ze spelenderwijs hoe de Moeder voor ons zorgt.
Ze gaan naar school, maar onze scholen zijn buiten.
Wanneer ze volwassen zijn, krijgen ze hun eerste taak en leren ze een vak.
Als dat vak is aangeleerd, kunnen ze verder leren.
Alle Feeën kennen het werk dat hier gedaan moet worden,” ging hij verder.
“Maar iedereen heeft zijn eigen discipline, waar hij vanaf de geboorte sterk mee verbonden is.
De een helpt in de tuinen, de ander zorgt samen met de deva’s en nimfen voor het woud.
Weer een ander bereidt het voedsel.
Net als in de wereld waar jij vandaan komt, Jesse, heeft iedereen zijn eigen werk.
Maar iedereen kent ook de discipline van de ander.
Is er hulp nodig bij het oogsten, dan helpen velen mee.
Ze weten hoe dat moet, omdat ze deze kennis hebben aangeleerd.
Iedereen is op verschillende plekken inzetbaar.
Loop straks gerust rond en kijk hoe wij leven. Praat met ons, wij zijn heel erg aardig.”
In de zaal begon iedereen te lachen.
Ze hadden vast gemerkt dat ik hen zo statig en indrukwekkend vond.
“Kom,” zei de Fee terwijl hij opstond.
Iedereen ging staan en hield elkaars handen vast.
Ze staken hun armen omhoog.
Joel en ik deden mee, maar zodra de hand van de Fee naast mij de mijne vastpakte, stroomde er een energie door me heen die ik niet herkende.
“Wat je voelt is eenheid, Jesse,” zei de Fee die naast mij stond.
“Wij zijn één met elkaar en met de Moeder. Laat de keten van verbinding niet los.
Je bent sterker dan je denkt.”
Ik knikte, maar had geen idee wat ik kon verwachten.
Ik wist alleen dat ik het moest laten gebeuren en me moest overgeven aan deze energie van eenheid.
Ik had die gedachte nog maar net toegelaten, of de Feeën begonnen te zingen.
Ze keken omhoog, en ik deed hetzelfde.
Mama, dit geloof je nooit… boven de eettafel waar wij stonden, hing de zon.
De zon hing midden in de zaal.
Door het gezang van de Feeën begon de zon langzaam te tollen.
Ik vond het fascinerend. Tegelijk voelde ik dat de druk in de ruimte toenam.
De energie van de zon was hier verantwoordelijk voor.
Opeens zag ik een groene energie door de zaal kringelen.
Ik wist meteen wat het was: de Moeder-energie.
Ze verbond zich met de tollende zon, en samen veranderden ze in een gouden bal.
Nu deze twee energieën met elkaar vermengd waren, begon de zon nog sneller te draaien.
Het gezang van de Feeën werd hoger en krachtiger, en de druk nam verder toe.
Ik kon het bijna niet meer volhouden, maar ik bleef staan.
Net toen ik dacht dat ik de cirkel moest verlaten en loslaten, spatte de zon uiteen.
Overal vlogen kleine zonnetjes door de lucht.
Ze dwarrelden langzaam omlaag en landden op het eten dat op de tafels stond.
Het gezang nam af, tegelijk met de druk in de ruimte.
Ik keek weer omhoog, en daar hing de zon opnieuw, rustig en stralend, klaar voor een volgende maaltijd.
Iedereen ging weer zitten, liet elkaars handen los en bedankte de Moeder voor het voedsel.
Tijdens deze maaltijd werd niet gesproken.
Iedereen leek verzonken in zijn eigen gedachten, althans, zo voelde het voor mij.
Het was niet ongemakkelijk, maar juist heel sereen.
Ze aten met eerbied.
Dit voedsel kwam van de Moeder; het had zich opgeofferd voor hen die het tot zich namen.
Het was iets levends dat genuttigd werd door een ander levend wezen, en zij waren zich daar diep van bewust.
Toen het ontbijt voorbij was en we opstonden, liep ik naar Joel toe.
“Ik wil eerst de groentetuin bekijken,” zei ik. “Ga je met me mee, of ga je je eigen weg?”
Joel wilde graag naar de bloemen.
We spraken af dat we elkaar later weer zouden zien in de tuin onder ons balkon.
Ik vroeg een Fee hoe ik bij de groentetuin kon komen. Ze glimlachte en zei:
“Loop maar met mij mee, ik ga daar vandaag toch naartoe.”
Samen liepen we door lange gangen met overal deuren.
Tussen de gangen stonden zuilen met grote vazen vol bloemen.
Het paleis was enorm; ik wist zeker dat ik hier zou verdwalen als ik alleen rondliep.
Ik was dan ook blij dat de Fee dezelfde kant op ging.
Aan de andere kant van het paleis liepen we naar buiten.
We volgden een bospad dat kronkelend omhoog liep.
Toen we aankwamen, stond ik stil; ik kon mijn ogen er niet vanaf houden.
Mam, wij stonden boven op een berg waarvan de top volledig was afgevlakt.
Het plateau was enorm, zeker zo groot als tien voetbalvelden.
Het had een ronde vorm en langs de buitenrand stonden lage bomen vol appels, peren, pruimen en vruchten die ik niet kende.
Meer naar binnen toe stonden struiken met bessen.
Ik zag dat iedere cirkel zijn eigen soort groente of fruit had.
Smalle paden liepen van de buitenrand naar het midden en ook tussen de cirkels door, zodat alles met elkaar verbonden was.
Overal waren Feeën aan het werk.
Ze werkten samen met de deva’s, de Moeder en de nimfen.
Het geheel was zo mooi om te zien.
Mam, ik voelde hier zóveel liefde.
“Kom,” zei de Fee. “Ik weet dat je een heel belangrijke vraag hebt, en ik kan je die uitleggen.”
Ze overhandigde mij een mandje, dat ik vasthield.
Samen liepen we naar één van de appelbomen.
De Fee legde haar hand tegen de stam.
“Voel, Jesse,” zei ze.
Ik legde mijn hand tegen de boom en voelde een zachte, frisse energie door de stam stromen.
Ik knikte om te laten weten dat ik het voelde.
“Leg nu je handen om een appel heen en voel.”
Ik zag een mooie groene appel en legde mijn handen er voorzichtig omheen.
Ik keek de Fee aan.
“Deze appel voelt warm aan,” zei ik.
“Dat klopt,” antwoordde ze. “Dat betekent dat de appel nog niet klaar is.
De boom voelt koel aan; dat is de energie die aangeeft dat hij zich goed en in balans voelt.
Voel je geen energie, dan betekent dat dat de deva’s moeten helpen.
Dan is de boom ziek en zijn de vruchten dat ook.
Maar dat gebeurt hier eigenlijk nooit, omdat iedere struik, boom en plant elke dag wordt verzorgd.
Zodra de appel dezelfde energie aanvoelt als de boom, is hij rijp,” vervolgde ze.
“Voel maar.”
Ze wees naar een rode appel die schitterde in de zon.
Ik legde mijn handen eromheen en voelde dezelfde koele, rustige energie als die van de boom zelf.
“Nu komt het antwoord op je vraag, Jesse: hoe bepaal je of je een vrucht mag eten?
Heeft de vrucht een ziel, en hoe werkt dat op energetisch niveau?
De boom draagt de ziel,” vervolgde de Fee.
“Als ik deze boom uit de grond zou trekken, zou ik hem doden.
Dan is hij niet langer verbonden met de Moeder en is de cirkel tussen de boom en de Moeder verbroken.
Alleen wanneer een boom oud is en plaats wil maken voor zijn nakomelingen, mogen wij helpen om op ceremoniële wijze het contact met de Moeder te beëindigen.
De ziel van de boom leeft dan voort in zijn nakomelingen.
De vruchten die de boom draagt, zijn haar zaden.
Die zaden gebruiken wij om nieuwe nakomelingen te planten.
Alleen het vruchtvlees is voor de boom niet belangrijk.
Dat is het beschermende jasje rond de pit die zich in het midden bevindt.
Wanneer een appel vanzelf van de boom valt, hoopt de boom dat de appel breekt en dat de pitten op de grond terechtkomen.
Veel van deze pitten worden opgegeten door vogels.
Daarom draagt een appelboom ook zo veel appels; de kans dat er spontaan een nieuw appelboompje ontstaat, is namelijk erg klein.
Wij hebben met deze bomen afgesproken dat wij de pitten planten wanneer wij de appels mogen eten.
Zo blijft de cirkel intact. Dit doen we bij alle fruitsoorten.”
“Maar hoe gaat het dan bij de groenten? Een wortel groeit niet aan een boom.
Heeft het dan ook een ziel?” vroeg ik.
De Fee glimlachte en leidde me naar de rij met wortels.
Ze ging voor een wortel op haar knieën zitten en legde haar hand eromheen.
“Kom, Jesse,” zei ze.
Ik ging naast haar op mijn knieën zitten en legde mijn handen rond de wortel.
Ik voelde dezelfde koele energie als bij de boom, maar ook iets anders.
Ik voelde zóveel liefde voor deze wortel, die hier in de aarde zat en waarvan het groene loof boven de grond uit stak.
“Hier geldt eigenlijk hetzelfde,” legde de Fee uit, “alleen heeft de wortel geen pitten.
Wij hebben een Moederplant.
Zij geeft de zaden; de wortels die hier groeien, stammen af van deze Moederwortel.
Wij geven deze wortels voeding en liefde, en zij wil haar liefde teruggeven door zichzelf aan ons over te geven.
Een wortel kent geen angst; ze is grootgebracht in liefde.
Wat wij eten, is liefde.
De wortels hebben geen ziel zoals de bomen, maar ze bezitten bewustzijn.
Dat bewustzijn kent niets anders dan liefde.
Het ontvangt onze zorg en geeft zich op dezelfde manier aan ons terug.
Volkomen, zonder voorbehoud, in liefde.
Wat wij hier eten, ís liefde.
Het graan wordt gebruikt om brood te maken.
Eén korrel gebruiken wij als zaad, zodat er een nieuwe oogst kan groeien.
De rest gebruiken we om brood van te maken.
Alles gaat samen, niemand wordt misbruikt, alles is in balans.”
Het drong tot me door. “Ik begrijp het,” zei ik.
“Kom,” zei de Fee, en we liepen de tuin uit en de berg af.
Al snel kwamen we op een plek waar hoge glazen kassen stonden.
Niet zoals wij ze kennen; dit waren dichte, ronde koepels van wit glas.
Ze waren hoog en breed, en langs de panelen groeiden bloemen met geneeskrachtige werking.
Hommels en bijen zoemden in het rond.
Overal waar ik keek, zag ik dit soort immense kassen, die bijna een wereld op zich leken te vormen.
We liepen één van de kassen binnen en ik keek verwonderd om me heen.
Overal zag ik bedden met aarde, waarin nieuwe boompjes opgroeiden.
De ene boom was groter dan de ander; dat kwam omdat sommige zaadjes eerder waren ontkiemd dan andere.
Er was een Fee in de kas aan het werk.
Ze gaf de boompjes liefde en voeding en had het raam opengezet om het zonlicht binnen te laten.
Tussen de kleine boompjes door bewogen deva’s zachtjes rond.
Het voelde echt als een kraamkamer, zo vol liefde voor deze jonge boompjes.
“Kom,” zei de Fee, “dan zal ik je een andere kas laten zien.”
We liepen naar buiten, volgden een pad dat kronkelde tussen de bloemen, en stapten samen een volgende kas binnen.
Hier zag ik wortels die niet geoogst waren om opgegeten te worden.
Nee, hier waren de moederwortels die bloemen droegen en hun zaden verborgen in de bloemen.
Die zaden werden met zorg en liefde eruit gehaald, een secuur werkje.
Op aarde zou dit heel anders gaan; daar houdt men meestal geen rekening met het gevoel van een wortel.
Hier was dat anders.
Ik keek om me heen. Het was zo sereen, wat hier gebeurde.
Ik keek de Fee aan en vroeg: “Wat gebeurt er als de Moederplant klaar is en geen zaden meer produceert?
Wat gebeurt er dan met haar?”
“Goede vraag, Jesse,” antwoordde de Fee. “De wortelmoeder heeft geen ziel, maar wel liefde.
Ze verbindt zich op een andere manier met de Moeder.
Eerst zal ze losgemaakt worden van dit stukje aarde.
Misschien moeten we je laten zien wat ik bedoel. Kom, Jesse.”
Ze liep naar een wortel die haar zaden al had afgegeven. Ze wees ernaar.
“Kijk, zij is klaar.”
Opeens stond mijn Engel naast mij.
“Hallo, Jesse,” zei hij.
“Wat je nu gaat zien, stond eigenlijk gepland voor een volgende reis, maar je mag nu al de verbindingen zien tussen plant en Moeder Aarde.”
Hij legde zijn hand op mijn hoofd.
Ik weet niet wat er precies gebeurde, maar ineens kon ik met andere ogen kijken.
Ik zag energie rondom de planten.
Overal was zachte groene energie te zien, voortdurend in beweging.
De Engel keek me glimlachend aan en verdween weer.
Ik richtte mijn blik op de wortel die klaar was. Haar energie was bijna verdwenen.
“Je ziet nu wat wij zien, Jesse,” zei de Fee zacht. “Deze wortel is aan het sterven.
Sinds het moment dat zij haar zaden heeft afgegeven, is haar taak voltooid.
Wij zullen haar een nieuwe bestemming geven.”
We keken toe hoe een andere Fee met zoveel liefde de wortel uit de aarde haalde, voorzichtig het zand verwijderde en de stervende wortel in het mandje legde dat ik nog steeds bij me droeg.
“Kom,” zei de Fee.
Ik liep achter de twee Feeën aan naar buiten.
Het mandje droeg ik voorzichtig, en ik zag dat de energie van de wortel steeds minder werd.
Ik wist niet wat er met me gebeurde, maar ik voelde dat er haast moest worden gemaakt.
De Fee die in de kas had gewerkt, knikte en we liepen sneller door de tuin.
Overal om me heen zag ik energie. Ik moest er even aan wennen.
Ik zag verbindingen van bloem naar bloem, en plotseling drong het tot me door: alles was met elkaar verbonden.
Boven alles zweefden fijne lijnen van energie.
Tussen die lijnen zag ik deva’s en nimfen hun werk doen.
Alles was zo schoon, sereen en vol liefde.
Ik keek weer naar de wortel in het mandje.
Er zat nog maar een klein beetje energie in; het leek alsof ze elk moment helemaal zou opgaan.
We kwamen in een andere tuin.
Hier waren geen bossen, geen bloemen; alleen aarde, bedekt met een cirkel van stenen.
Van de buitenkant naar binnen liep een pad, en in het midden lag een rond stuk aarde dat recent was omgeschept.
De Fee van de kas kwam naar me toe en zei: “Het is aan jou de eer om deze wortel terug te geven aan de Moeder.
Haar werk is gedaan, en ze mag terugkeren naar de liefde die ze altijd heeft gevoeld.
Pak de wortel op en leg haar in het midden neer.
Bedank haar voor haar voedsel, haar liefde en haar kracht.”
Ik knikte.
Met beide handen tilde ik voorzichtig de wortel uit het mandje en liep van buiten naar binnen, naar het stukje grond in het midden van de cirkel.
Ik knielde neer en legde de wortel op het donkere aarde.
“Dank je,” fluisterde ik, “voor je voedsel, je liefde en je kracht.”
Een klein beetje energie zat nog in de wortel.
Ik zag het als een dun lijntje naar de aarde toe reiken.
Plotseling schoten groene energiedraden uit de grond omhoog en omarmden de wortel.
Ik zag hoe de wortel langzaam werd teruggegeven aan de Moeder Aarde.
Langzaam zonk ze weg, steeds dieper de aarde in, totdat ze volledig verdwenen was.
Met tranen in mijn ogen keek ik toe. Hoe dankbaar dit ritueel was…
“Mam,” dacht ik, “wij mensen kunnen hier zoveel van leren.”
Ik stond op, droogde mijn tranen en liep terug naar de Feeën.
“Kom, Jesse,” zei de Fee. “We gaan kijken waar Joel is.
Ik weet zeker dat hij ook een mooie ervaring heeft gehad.
Ga naar de bloementuin en de kruiden, en zie wat je mag zien.”
Ik knikte en liep samen met haar terug naar het paleis.
Daar kwam ik Joel tegen, die net de bloementuin verliet.
“Ik ga nu naar de groentetuin,” zei hij, lachend, “maar ik kan je alleen maar zeggen: geniet ervan, hè!”
En met een brede glimlach liep hij weg.
Ik liep de bloementuin binnen en de Fee die ik eerder in de gang had ontmoet, nam Joel mee terug naar de fruit- en groentetuin.
Vanaf ons balkon had ik de bloementuin al mogen aanschouwen, maar nu ik hier eenmaal rondliep, voelde het toch anders.
De geur van de verschillende bloemen en planten kwam me tegemoet.
Een Fee stond tussen de bloembedden en keek me lachend aan.
“Welkom, Jesse, in onze bloementuin.
Alle bloemen die in ons gebouw staan, komen uit deze tuin.”
Mijn blik gleed over duizenden bloemen in de meest uiteenlopende kleuren.
Bijen en hommels hadden hier duidelijk een feestmaal; ze zoemden af en aan en vlogen met buikjes vol stuifmeel weg.
Ik wilde vragen waar ze naartoe gingen, maar de Fee wees me op een deel van de tuin waar een klein waterreservoir was aangelegd.
Ik zag smalle geulen die zorgvuldig in de aarde waren uitgegraven.
We volgden er één terwijl de Fee begon te vertellen.
“Wat je hier ziet, Jesse, zijn kleine geulen die in verbinding staan met de Moeder.
Het water dat de bloemen, de planten en ook de groentetuin voedt, is van haar afkomstig.
De bron ligt diep onder de grond, diep genoeg om zuiver en krachtig te blijven.”
Ze wees verder naar het netwerk van geulen.
“We hebben een doorgang gemaakt zodat het water rechtstreeks vanuit de bron door deze geulen naar onze bloemen kan stromen.
Daarnaast hebben we een put aangelegd, zodat er geen enkele druppel verloren gaat.
Het overtollige water stroomt daar naartoe.”
Ik keek naar het zachte glinsteren van het water terwijl het zijn weg vond door de aarde.
“Dat water,” vervolgde de Fee, “is genoeg om ook andere tuinen van leven te voorzien.”
Ze glimlachte en gebaarde dat ik haar moest volgen.
“Kom,” zei ze, “dan zal ik je de bron laten zien.”
We liepen de tuin uit en volgden een van de geulen, die uitkwam op een soort kruispunt.
Eén grote geul met sprankelend water vertakte zich daar in twaalf smallere geulen, die elk een andere richting op gingen, terug naar de bloementuin.
“Een dertiende geul,” zei ze, terwijl ze wees, “gaat naar de put, zodat ook daar altijd voldoende water in staat.”
Ze had me verteld dat de bron diep in de grond verscholen lag, maar tot mijn verbazing liepen we juist een berg omhoog.
We volgden bredere geulen naar boven, terwijl het water met volle snelheid naar beneden stroomde.
Onderweg zag ik hoe de bomen op deze berg met elkaar verbonden waren.
Tussen stam en stam liep een zachte, groene energie, als koorden die de bomen met elkaar verbonden.
Die energie gaf licht af, alsof ik naar een hartslagmeter keek: bij iedere klop sprong het licht even op.
Hoe hoger we kwamen, hoe breder de geulen werden.
Boven op de berg vertakte het water zich opnieuw, ditmaal in drie verschillende geulen, elk met een eigen bestemming.
“Eén geul,” zei ze, “gaat naar de tuin. Eén gaat naar ons gebouw. En de derde…”
Ze keek even naar het water voordat ze vervolgde:
“…die stroomt naar het meer waar de Moeder zelf in woont.”
We stonden nu boven op de berg.
Het water kolkte hier omhoog, alsof het vanuit een vulkaan naar boven werd gestuwd, om vervolgens over de rand weer naar beneden te stromen.
“Proef het water maar eens,” zei de Fee.
Ik ging op mijn knieën zitten, liet mijn hand door het water glijden en vormde met mijn vingers een kommetje. Ik ving wat water op en dronk ervan.
Het frisse water prikkelde al mijn zintuigen.
Voor het eerst merkte ik hoe heerlijk water eigenlijk kon zijn.
Tegelijk voelde ik alsof ik van binnen schoner werd, alsof iets in mij werd gereinigd.
De Fee begon te lachen.
“Je was van binnen al schoon,” zei ze zacht, “maar nu merk je pas wat dit water voor ons betekent.
Het is zo puur, zo helder en zo zuiver, zo zou het overal moeten zijn.”
Ze keek naar de bron terwijl het water bleef opborrelen.
“Dit is de levensenergie van Moeder Aarde. Dit is haar geschenk aan ons.
Dit water mag nooit vervuild raken.”
Ze vervolgde, met een ernstige maar liefdevolle stem: “Met dit pure bronwater leven wij langer, blijven wij gezond en kennen wij geen ziektes.
Door onze groenten ermee te besproeien en onze fruitbomen dit water te laten drinken, wordt blijft ons voedsel zuiver.”
“Mama, zo zou het moeten zijn… waarom is het aan de menselijke kant van de sfeer zo anders?”
De Fee zag mijn vraag en antwoordde: “Aan de andere kant van de sfeer leven mensen die alles willen meemaken wat met tijd en sterfelijkheid te maken heeft.
Alles heeft zijn keerzijde.
Hoe verder de ziel bewust wordt, hoe meer zij kan ervaren.
Een mensenleven bestaat vaak uit momenten die niet leuk zijn, maar elke ervaring draagt een levensles in zich.
Wanneer een mens alles heeft meegemaakt, is het tijd voor de ziel om te oogsten.
Ze bekijkt elke ervaring, weegt ze en leert ervan.
Eerst oogst de ziel voor zichzelf, maar al snel ruimt ze ook voor de familie op, omdat zij vaak dezelfde dingen hebben meegemaakt.
Soms is er maar één ziel die alles opruimt van de voorouders van lang geleden.
Wanneer die taak voltooid is, kan de ziel zelfs oogsten voor de wereld door oude geschiedenis op te ruimen.
Aan die menselijke kant van de sluiers bevindt zich het laagste niveau waar een ziel kan zijn,” zei ze.
“Het bewustzijn is daar laag, vergeleken met wat wij hier kennen.
Je hebt babyzielen, jonge zielen, volwassen zielen en oude zielen.
Daarom zijn mensen zo verschillend.
Iedereen staat op een ander punt in zijn bewustzijnsontwikkeling.
Hier kennen wij dat onderscheid niet meer.”
Ik aarzelde even, maar vroeg toen: “Mag ik iets vragen?”
De Fee knikte.
“Jullie hebben die onderste lagen van bewustzijn toch ook meegemaakt?
Of moeten jullie dat nog meemaken?
Zijn jullie nu op de heenweg… of op de terugweg?”
Ze glimlachte.
“Mooie vraag, Jesse. Wij hebben de onderste werelden al meegemaakt.
Ze waren zelfs nog zwaarder dan wat jullie aan de andere kant van de sluiers ervaren.
Die werelden bestaan inmiddels niet meer. Wij zijn dus op de terugweg.”
Ze liep een stukje verder en vervolgde:
“Nu en dan komen hier zielen die nog op de heenweg zijn, zoals Joel.
Hij heeft al zijn levens aan deze kant geleefd. Zijn laatste leven was om te ervaren hoe het is om mens te zijn.
Hij is geen mens, maar een dwerg.
Voor hem was één mensenleven genoeg om te voelen wat tijd met jullie doet.
Omdat hij een dwerg is, leert en ervaart hij andere levenslessen dan jullie.”
Ze keek me onderzoekend aan.
“Onze ervaringen in de laagste dimensies duren veel korter dan die van de mens.
Dat komt doordat jullie andere voorvaderen hebben, dat zijn zielen uit verschillende sterrenwerelden.”
Ik vond het fascinerend hoe ze over onze voorouders sprak.
Als ik terug zou zijn in de hemel, wist ik zeker dat ik daar meer over wilde weten.
Wie waren zij die ooit naar de Aarde kwamen?
Wie misbruikten de oermens, vermengden zich met hen als onderdeel van een experiment en gebruikten de nieuwe mens als slaaf?
De Fee had mijn gedachten gelezen en glimlachte.
“Ga je mee, Jesse?”
We liepen een eindje verder over de berg, tot we bij een ingang in de rotswand kwamen.
Ze opende de deur die ervoor stond en stak een fakkel aan.
Het licht danste over de stenen terwijl de duisternis zich langzaam terugtrok.
Ik zag een stenen trap naar beneden en daalde samen met de Fee de treden af.
Langs de wand glinsterden kristallen; hoe dieper we de berg inliepen, hoe meer kristallen ik zag.
Met mijn hand voelde ik hun energie en het was betoverend.
Het was een lange trap naar beneden, maar het fonkelen van de kristallen maakte dat de reis bijna voorbij leek voordat hij echt begonnen was.
In de verte hoorde ik het ruisen van water en opeens kwamen we aan in een holle ruimte die volledig bedekt was met kristallen.
Het deed een beetje denken aan de Akasha van Moeder Aarde.
Het water dat van de bergen naar beneden stroomde, kwam eerst hier terecht.
Als een kolkende rivier raasde het tussen en over de kristallen.
“Het water dat hierheen komt, wordt door de kristallen gezuiverd; alles wat niet in balans is, wordt eruit gehaald. Eigenlijk hoeft het water niet per se gezuiverd te worden, maar hier krijgt het wel nieuwe energie.”
Ik keek mijn ogen uit. Het water was zo helder en zuiver.
“Waar gaat het water dan naartoe?” vroeg ik.
“Dat is verderop,” zei de Fee “maar daar kunnen wij niet komen.”
Wat me wel opviel, was de aanwezigheid van kleine Nimfen, die af en aan vlogen en zilverstof in het water strooiden.
“Waarom doen ze dat?” vroeg ik.
“Deze Nimfen zijn nauw verbonden met de Moeder,” legde de Fee uit.
“Op deze manier wordt er liefde in het water gebracht: de liefde van de Moeder zelf.”
Ze keek vertederd naar de Nimfjes, die druk aan het werk waren.
“Zullen we teruggaan?” vroeg de Fee.
Ik knikte en we liepen terug naar de trap.
Samen klommen we omhoog, terug naar het daglicht, en vandaar vervolgden we onze weg naar de bloementuin.
De Fee liet me de bloemen- en kruidentuin zien, en alles was zo prachtig geordend.
Het was een echte oase van rust, een plek waar je helemaal kon ontspannen.
Ik ging even op een bankje zitten om van deze stilte en schoonheid te genieten.
Om me heen keek ik naar de tuin en zag in de verte een groot stuk land vol bijenkassen.
Ze hadden hier dus ook honing.
De Fee kwam naast me zitten en zei: “Ja, alles gebruiken we wat de natuur ons schenkt.
De zijderupsen geven ons hun zijde, waar wij fijne stoffen van maken.
Hetzelfde geldt voor katoen. Er zijn Feeën die de zijde spinnen, de katoen weven en tot de fijnste draden verwerken. Alles wordt gebruikt of hergebruikt.”
De Fee keek naar de zon die langzaam achter de horizon verdween.
“Een dagje zo voorbij, hè?
De zon is al aan het zakken en jullie hebben nog niet eens alles gezien.
Ga zo naar binnen en maak je klaar voor vanavond.
Net als gisteravond gaan we naar het meer om de Moeder te eren.
Gisterenavond was een speciale avond.
Vanavond laat ze zich even zien en daarna gaan we weer terug.
Morgen gaat jullie reis verder.”
Ik bedankte haar en liep naar de plek in de bloementuin waar ik Joel had afgesproken.
Hij zat op de grond en speelde met een kever.
“Wat ben je aan het doen, Joel?” vroeg ik.
Hij keek op en zei: “Het is hier zo leuk!
Je kunt echt met alles in contact zijn: de bomen, de dieren, de planten…”
Ik knikte. “Het lijkt een beetje op de hemel, hè?” zei ik.
Joel keek me nieuwsgierig aan.
“Wil je me nu echt vertellen dat ik in de hemel dit ook kan zien?”
“Ja,” zei ik lachend. Hij maakte een verbaasd gezicht en ik moest lachen.
“Heb je nog nooit tussen de bloemen gelegen en met ze gepraat?
Het gras aangeraakt, of een boom vastgehouden?” vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd.
“Nee, ik ben voornamelijk in mijn eigen sfeer geweest, waar ik thuishoor.
Omdat ik in vorige levens altijd in de dwergenwereld hebt geleefd, mag ik ook nu bij hen zijn in de hemel.”
Ik was verbaasd.
“Ik heb nog geen dwergensfeer gezien. Waar is die dan?” vroeg ik.
“Jesse, de hemel heeft zoveel verschillende sferen. Je kunt ze nooit allemaal bezoeken,” antwoordde hij.
Even zwegen we, terwijl Joel naar de zon keek.
“Ik denk dat we moeten opschieten,” zei hij. “De zon is bijna onder.”
Ik keek omhoog en zag dat hij gelijk had.
De merels die in de hoogste bomen zaten zongen hun laatste lied.
We renden door de tuinen en het paleis binnen.
Het was nu niet moeilijk om onze kamer terug te vinden; het was één lange gang en onze kamer bevond zich helemaal aan het eind.
We deden de deur open en zagen kaarsen die de ruimte een warme, gezellige sfeer gaven.
De Engel van mij en die van Joel stonden op het balkon.
Zodra wij binnenstoven, keken ze om.
“Hebben jullie een fijne dag gehad?” vroeg de Engel van Joel.
“Het was een heerlijke dag,” zei hij, en ik knikte instemmend.
“Goed,” zei de Engel. “Morgen vertrekken jullie in alle vroegte.
Een andere wereld zal voor jullie open gaan.
Deze wereld is anders. Dit gaat deze sfeer voorbij.
Maak jullie nu klaar voor de tocht naar de Moeder; zij wacht op jullie.
Mogen zien we elkaar weer", en toen waren ze verdwenen.
Snel kleedden Joel en ik ons om.
We wasten ons met het sprankelende water en kamden onze haren.
Ze hadden voor ons dezelfde mooie blauwe gewaden klaargelegd, met een bloemenkrans.
Voor ons stond een lantaarn klaar.
We keken elkaar aan en moesten lachen; nu voelden we ons net echte Feeën.
Snel bliezen we de kaarsen uit en liepen de deur uit.
Buiten bij de poort stonden ze al klaar en wachtten op ons.
We sloten ons aan bij de rij Feeën en de vuurvliegjes kwamen net als de avond ervoor als één grote zwerm aanvliegen en verspreidden zich over de lantaarns.
De groep kwam in beweging en begon prachtig te zingen.
Toen we de eerste stap zetten, werd hun gezang zo schoon en magisch dat Joel en ik er bijna door betoverd werden.
Nu het donker was, waren de fluoriderende lijnen duidelijk zichtbaar; kriskras bewogen ze door elkaar van boom naar boom en struik naar struik.
Het pad dat naar het meer liep had deze lijnen niet, en zo konden we precies zien waar we wél en niet konden lopen.
Hoe dichter we bij het meer kwamen, hoe hoger en voller het gezang werd.
Het waren niet alleen de Feeën die zongen; ik hoorde ook kleine Elfjes zich bij ons voegen.
En hoe dichter we bij het meer kwamen, hoe meer zielen zich bij het gezang aansloten, waardoor de magie alleen maar sterker werd.
We kwamen aan bij het meer, en rondom het water zag ik talloze lichtjes.
Het leek wel een koor dat een uitvoering gaf.
De dwergen, de Elfjes en de Feeën deden allemaal mee.
Wie er aan de andere kant van het meer woonde, wist ik niet.
Tijdens het zingen kwamen opnieuw de bos- en waternimfen tevoorschijn en strooiden zilver- en goudstof in het rond. Het bleef magisch.
Langzaam werd het gezang zachter.
Het water in het midden van het meer begon te kolken.
Toen het gezang helemaal stilviel, verscheen de Moeder.
Ze droeg een groene jurk vol smaragden en liep naar de oever.
Ze begroette de zielen die aan de kant stonden en maakte hier en daar een praatje.
Toen bleef ze even stilstaan bij Joel en mij.
“Morgen begint een nieuwe reis,” zei ze zacht.
“Daar zullen jullie dit meer verlaten, maar weet dat ik overal te vinden ben.”
Wij knikten en bedankten de Moeder voor de reis, terwijl haar aanwezigheid als een warme, groene gloed over het meer bleef hangen.
We waren niet lang bij het meer.
De Moeder keerde terug naar het midden van het water en zwaaide tot ze volledig verdwenen was in de stilte.
In een stille tocht liepen we terug omhoog, naar het paleis.
Eenmaal daar zei een Fee: “Ga lekker slapen, jongens.
De reis van vandaag was bijzonder.
Morgen wacht er een nieuwe reis em jullie moeten goed uitgerust zijn.
Slaap lekker.”
Wij bedankten haar, en nog eenmaal bedankten we de Moeder in onze gedachten voor deze reis.
Toen gingen we onze kamers binnen.
Naast ons bed brandde een kaars, en het raam van het balkon stond nog open.
Joel en ik gingen nog even naar buiten.
De vuurvliegjes die eerder in onze lantaarns hadden gezeten, waren nu verspreid over de tuin, en het was vanaf hier een prachtig gezicht.
Alles was in rust.
De maan stond hoog aan de nachtelijke hemel en een serene stilte overviel ons.
Opeens hoorden we iemand zingen.
Het gezang was zo zuiver, zo schoon, dat Joel en ik beiden even ademloos luisterden.
De vermoeidheid van de dag overviel me; snel kleedde ik me uit, ging in bed liggen en blies de kaars uit.
We wensten elkaar welterusten, maar toch bleef het zuivere gezang nog even in mijn oren hangen.
En opeens moest ik lachen.
Dit moest de kleine Elfenmeisje zijn waar mijn moeder ooit een verhaal over had geschreven.
Ze woonde bovenop de berg en zong iedere ochtend en avond, om iedereen wakker te maken en weer in slaap te wiegen. En bij die gedachte viel ik in een diepe, rustige slaap.
Mam, het is zo ontzettend leuk dat wat jij ooit eens hebt beschreven, ik dit hier nu echt mag meemaken. Ik werd namelijk wakker van het gezang van het kleine Elfje.
Ik sprong uit bed en liep naar het balkon.
Joel stond er al en keek naar een hoge berg, niet ver van het paleis vandaan.
Boven op de berg stond een heel klein huisje, met daarnaast een grote eikenboom. Daar woonde ze dus.
We luisterden samen tot ze was uitgezongen.
Haar stem galmde door de bergen heen.
Het was magisch.
Alles was nog stil. De zon liet haar eerste stralen over deze wereld schijnen en aan het einde van haar lied begonnen de vogels mee te fluiten.
Dit is echt een paradijs.
Toen het gezang stopte, liepen we weer naar binnen.
“Ik ben benieuwd hoe onze reis verder zal gaan,” zei Joel.
“Ik ook, maar we vertrekken meteen zodra we klaar zijn. Dus laten we opschieten.”
We wasten ons, kleedden ons om en Joel deed de rugtas om. Daarna liepen we de kamer uit, richting de poort.
Daar stond een grote groep Feeën op ons te wachten om ons uit te zwaaien.
We liepen naar de menigte toe, bedankten hen voor de gastvrijheid, namen afscheid en begonnen aan het bergpad omhoog. Nog één keer bleven we staan om ons om te draaien en te zwaaien.
We liepen verder, ieder verzonken in zijn eigen gedachten.
Het was een fijne plek om te bezoeken en we wisten allebei dat we hier ooit nog eens voor langere tijd naar terug wilden keren.
Deze reis was er vooral om ons te laten zien welke werelden er allemaal bestaan en waarmee wij als mens verbonden zijn.
We liepen steeds verder, weg van het meer.
De bergen gingen langzaam over in heuvels en voor ons lagen glooiende heuvels, begroeid met boterbloemen. De kleuren waren hier heel anders.
Niet dof, maar intens prachtig groen en geel, alsof de tinten hier extra waren aangezet.
Het pad waar we over liepen was verhard. Het bestond uit kleine keitjes.
Ik vroeg me af wie dit pad had aangelegd en stelde die vraag in mezelf.
Opeens stond mijn Engel naast me. Hij keek me lachend aan.
“Fijn dat je zulke mooie vragen stelt, Jesse.
Je ziet de dingen waar je graag antwoord op wilt hebben.
Deze paden zijn aangelegd door de dwergen.
De dwergen die jullie bij het meer hebben ontmoet, wonen niet alleen daar.
Ze leven overal: in de bossen, onder de grond en ook in de bergen, in grotten.
Overal waar ze zich thuis voelen, zijn ze te vinden.
Jij kent de aardmensen die je in de hemel hebt ontmoet.
Ook zij zijn dwergen die onder de grond leven.
Ze hebben grote gangenstelsels aangelegd en waar zij wonen, komen ze veel van deze keien tegen.
Omdat zij erg opgeruimd zijn, kregen ze het idee om het zand hier neer te leggen.
Zo hebben ze deze heuvels gecreëerd.
De weg die er tussendoor loopt, bestaat uit de keien die ze onderweg hebben gevonden.”
Hij glimlachte. “Misschien is het leuk om hen hier in deze wereld eens te ontmoeten.
Gewoon om even gedag te zeggen.”
Ik keek mijn Engel vragend aan.
“Hoe zou ik hen kunnen ontmoeten? Kan ik mij, net als in de hemel, door de grond laten zakken?”
Hij schudde zijn hoofd.
“Nee. Kijk daar, bij die boom. Dat is één van hun ingangen.”
Hij glimlachte. “Ze weten van jullie komst af. Ga gerust naar binnen.
Fijne reis verder,” zei hij lachend, en toen was hij weer verdwenen.
Joel en ik keken naar de boom en liepen die kant op.
De Engel had gelijk. Aan de achterkant zat een deur, half in de grond verborgen.
Ik opende haar en we liepen achter elkaar aan de stenen trap af, naar beneden.
Het was meteen duidelijk dat ze niet alle stenen hadden gebruikt om een weg aan te leggen.
Ook hier zag ik dat de trap was gemaakt van prachtige keien.
Aan de wanden hingen fakkels en we konden hier gewoon rechtop lopen.
In de verte hoorden we stemmen en automatisch versnelden we onze pas.
Het licht van fakkels en lantaarns kwam ons tegemoet en plotseling stonden we in een grote, open ruimte.
Ik had nog nooit zoveel aardmensjes bij elkaar gezien.
Ze zagen er wat minder schoon uit dan de aardmensjes in de Hemel, maar dat was ook niet vreemd.
Ze woonden immers onder de grond.
Een ouderling kwam naar ons toe, maakte een buiging en vroeg vriendelijk: “Hebben jullie een fijne reis gehad?”
Joel knikte.
“Het is een feest om in deze wereld te zijn.
Jesse,” hij keek mij aan, “heeft de aardmensjes in de Hemel mogen ontmoeten. Ze zijn echt heel vriendelijk.”
De ouderling keek me met tranen in zijn ogen aan.
“Is dat waar, Jesse? Heb jij onze familie ontmoet?”
Ik knikte.
“Ze hebben het echt naar hun zin. Ze leven net als jullie onder de grond, maar ook weer niet helemaal.
De aardmensjes die ik heb ontmoet, woonden ook in het bos en bij een meer.
Het was een hele mooie ontmoeting. Ook voor jullie is de Hemel een paradijs.”
De ouderling straalde bij mijn woorden.
Toch begreep ik iets nog niet helemaal en vroeg ik: “Maar jullie staan toch ook met de Hemel in contact?”
Hij schudde zijn hoofdje.
“Nee. Omdat wij in het duister leven, is het voor ons anders.
Onze wereld is beperkter. Daarom zijn wij ook zo blij met jullie komst.”
Joel en ik keken om ons heen. Ze leken op dwergen, maar toch ook weer niet.
Meer op kleine kinderen, met oudere gezichtjes.
Ze waren ontzettend vriendelijk en hadden een zachte uitstraling.
In mezelf vroeg ik me af of onze Engelen hier ook konden komen.
Nog voordat ik die gedachte echt had afgemaakt, stonden ze al naast ons.
Ik keek mijn Engel vragend aan.
Hij wist allang wat ik wilde vragen en zei: “Deze aardmensjes wonen onder de grond en staan in directe verbinding met Moeder Aarde.
Ze doen alles wat onder de grond nodig is.
Ze controleren de wortels van bomen en struiken en zorgen dat alles hier goed verzorgd wordt.
Omdat zij zo direct in contact staan met de moeder, hebben ze een heel andere verbinding met het Hemelse dat na hun leven komt.
Ze doen alles voor de moeder, net als de Nimfen en de Deva’s.
Iedereen heeft zijn eigen taak in deze wereld.
Omdat zij zo dicht bij de kern van de Moeder leven, staan ze in een nog nauwere verbinding met haar dan veel andere wezens. Ze zijn dus heel speciaal.
Maar na een lang leven gaan ook zij, net als iedereen, naar de Hemel.
Zoals ik je al eens heb verteld: de Hemel kent vele werelden.
De meeste aardmensjes gaan na dit leven naar een soortgelijke plek.
Ook daar bestaan verschillende sferen van bewustzijn.
De aardmensjes in de sfeer waar jij hen hebt ontmoet, zijn al heel ver.
Hier hebben ze wat minder contact met het hiernamaals, maar des te meer met de Moeder.
En die verbinding zal altijd blijven.”
Ik bedankte mijn Engel voor zijn uitleg, en hij verdween weer.
Ook bedankten wij de aardmensjes en beloofden dat wij, zodra we terug in de Hemel waren, hun hartelijke groeten zouden overbrengen.
Via dezelfde tunnel liepen we weer terug, de trappen omhoog, tot het zonlicht ons opnieuw omarmde.
We liepen samen verder en genoten van de reis.
De bebossing werd dichter en er leek iets in de lucht te hangen, alsof onzichtbare ogen ons volgden.
Konijntjes hupsten rustig en nieuwsgierig voor ons uit.
Grote groepen reeën en zelfs wolven leken hier gewoon naast elkaar te leven.
De paden waren ingesleten en vertrouwd, totdat het landschap ineens veranderde.
We stonden plots in een andere wereld.
Ik keek Joel aan. “Heb jij gezien hoe we hier kwamen?” vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd. “Nee. Normaal zie ik gelijk als er een nieuwe poort is, maar deze… deze heb ik niet gezien.”
Om ons heen ontvouwde zich een landschap dat we nog nooit eerder hadden gezien.
Het was prachtig, alsof het tussen de wereld van de Feeën en de Hemel in liepen.
We besloten gewoon verder te wandelen en de reis te laten gaan zoals hij kwam.
Net als aan de andere kant waren er heuvels, maar de bergen in de verte waren hoger en indrukwekkender.
Een dikke laag sneeuw bedekte de toppen en liet het dak van de wereld stralen in helder wit.
Vogels fladderden druk in de lucht.
De bloemen die we tegenkwamen kende ik niet, maar hun geur was verfrissend.
Soms bleven we even staan om ze aandachtig te bekijken.
Rivieren kronkelden tussen de bergen door, en net als bij de Feeën hingen er touwbruggen van berg naar berg.
“Ben jij hier ooit geweest, Joel?
Misschien in een vorig leven?” vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd met nee.
Ook hij keek verwonderd om zich heen.
Het was niet zozeer het landschap dat anders was, maar de energie was anders.
Het voelde veilig, warm en liefdevol, maar tegelijkertijd groots en geheimzinnig, iets wat we niet konden plaatsen.
We verlieten een klein bos en liepen door groene dalen.
In de verte zagen we dieren die we niet konden thuisbrengen.
Ze kwamen op ons af in sneltreinvaart.
Angst had ons normaal al doen wegrennend, maar nu bleven we rustig staan, nieuwsgierig naar wat deze wezens wilden.
Halverwege werd duidelijk dat het geen gewone dieren waren.
Hun bovenlichaam was menselijk, maar hun onderlichaam dat van een paard. Centauren.
Joel bleef abrupt staan, zijn ogen groot van ongeloof.
“Dit kan niet!” riep hij.
“Ik heb zo vaak naar hen gezocht in mijn leven, en nu… nu lopen we zomaar hun wereld binnen!”
Ik voelde dezelfde verwondering.
De Centauren waren groot als paarden, hun ogen en oren gelijk aan als die van een paard, hun bovenlichamen gespierd en mannelijk.
Hun bruingebrande huid glansde in het zonlicht, en hun lange zwarte manen waren keurig in dikke paardenstaarten gebonden.
Ze galoppeerden naar ons toe, hielden halt en keken ons vriendelijk aan.
Een lichte buiging volgde.
“Fijn dat jullie er al zijn,” zei één van hen met een diepe, warme stem.
“Wij willen jullie graag meenemen naar onze Meesters. Gaan jullie met ons mee?”
We knikten allebei, en elk van ons werd een hand uitgestoken, die we vastpakten.
In een boog vlogen we door de lucht, ieder achterop een Centaur, terwijl onze harten vol verwondering en opwinding bonsden.
De groep Centauren kwam in beweging en galoppeerde door de groene heuvels.
“Het is zo bijzonder om hier te zijn, mam,” fluisterde ik.
We stonden bovenop een heuvel toen de Centaur waarop Joel zat luid riep: “Hou je goed vast!”
Zonder nadenken greep ik mijn Centaur stevig vast.
Ze renden in een noodgang naar beneden en een gevoel van pure vrijheid overspoelde me, iets wat ik nog niet aan deze kant van de sluier had gevoeld.
Het was een lange, maar prachtige reis.
We trokken door uitgestrekte natuurgebieden totdat de Centauren plotseling stilhielden.
“Stijg maar af,” zei een van hen.
“Onze Meesters komen er zo aan.”
We stonden op een magische plek.
De zon hing laag aan de hemel en wierp een gouden gloed over alles.
Opeens maakten de Centauren een diepe buiging en gingen door hun benen.
Verwonderd keken Joel en ik toe, terwijl er iets naar ons toe kwam lopen.
Met grote ogen konden we het nauwelijks geloven: een groep van dertien Paardenengelen naderde.
Ze leken op Centauren, maar dan helemaal wit.
Half mens, half paard, met lange witte haren en enorme vleugels.
Eén van hen stapte lachend naar ons toe.
“Wij hebben naar jullie komst uitgekeken. Welkom in onze wereld,” zei hij.
“Wij staan in verbinding met de Moeder en de Vader.”
Hij keek naar de zon en vervolgde: “Het is tijd om te gaan slapen.
Het zal een bijzondere nacht worden.”
Hij bedankte de Centauren voor het brengen van ons en de groep verdween.
Ik kon mijn ogen niet van hen afhouden.
Er waren zowel mannelijke als vrouwelijke Paardenengelen en hun aanwezigheid voelde buitengewoon magisch.
“Wij zijn er altijd al geweest, mijn zoon,” zei de Paardenengel lachend.
“Alle Engelensoorten hebben een speciale groep die helpt terug te keren naar de Hemel.
Jouw moeder schreef over de Waterengelen, die in de wateren helpen.
De Engelen in de Hemel begeleiden zielen die ervaringen buiten de Hemel opdoen.
Wij zorgen voor de dieren hier.
Daaronder staan de Feeën, die weer in hun eigen wereld ondersteunen.
Zo zijn er verschillende niveaus die elkaar steunen en helpen.”
De zon zakte verder.
“Het is tijd om te gaan slapen. Kom, dan kunnen jullie tussen ons in liggen.”
De Paardenengel sloot zich aan bij de rij liggende Paardenengelen en wees waar wij konden gaan liggen.
We gingen zitten en keken samen met hen toe hoe de zon achter de horizon verdween.
Tijdens onze reis hadden we de groene energie van de Moeder en die van de Deva’s hier niet gezien.
Ook de subtiele verbindingen tussen bomen en bloemen waren voor onze ogen niet zichtbaar.
Nu de zon onder ging kwam het plots tevoorschijn.
De bloem naast de Paardenengel straalde zijn felgekleurde energie uit naar de bloemen ernaast.
Die energie stroomde naar de dichtstbijzijnde boom, en ging daarna van boom naar boom.
De bloemen verbond zich met de Paardenengelen, en de energie sprong van Engel naar Engel.
Hoe verder de zon zakte, hoe meer lijnen en verbindingen zichtbaar werden.
De Engel van Joel kwam ons bezoeken.
“Doe jullie ogen maar dicht en geef je over aan de nacht.
Het zal bijzonder zijn,” zei hij zacht. Hij wenste ons een fijne reis en vertrok.
Nieuwsgierig keek ik naar Joel, maar hij haalde zijn schouders op.
De Paardenengelen leken inmiddels in een soort trance.
We besloten hetzelfde te doen. Het was immers een lange dag geweest.
Ikzelf gleed langzaam in slaap.
Opeens werd ik opgetild.
Ik deed mijn ogen open en zag een man die mij bekend voorkwam.
Mijn hart begon te bonzen.
Ik herkende dit gevoel. Het was hetzelfde gevoel dat ik had toen ik net in de hemel was aangekomen.
De man zei: “Ik kan mij in alle vormen laten zien.
Voor jou heb ik deze vorm aangenomen.”
Hij leek op papa, maar hij was hem niet.
Toch voelde ik een liefde die nog sterker was dan die ik met papa kende.
Dit is een Meester, dacht ik. Maar hij schudde zijn
hoofd.
“Nee,” zei hij, “ik ben de Vader.”
Ik zag hoe hij mijn astrale lichaam uit mijn fysieke lichaam haalde, het lichaam dat ik voor deze reis mocht gebruiken. Hij tilde mij op en nam mij mee door de lucht.
Zwevend onder mij zag ik een prachtig spel van groene lijnen, ontstaan als een levend netwerk dat alles en iedereen met elkaar
verbond.
“De energie die je ziet,” zei hij, “is het vrouwelijke. Iedereen is met haar verbonden. Maar kijk naar mijn energie.”
Ik keek naar de Vader.
Om hem heen hing een rode energie die als sterren naar beneden vielen en zich vermengden met de fijne, groene energie.
Op dat moment begon ik alles anders te zien.
We bewogen ons voort over een landschap van groen dat doortrokken was met rood, twee krachten die samen één geheel vormden.
“Waarom gebeurt dit in deze wereld?” vroeg ik aan de Vader.
Hij glimlachte zacht en zei: “Eigenlijk gebeurt dit overal, in iedere wereld.
Maar aan de aardse kant zijn er maar weinig mensen die het kunnen zien.
Het is onze liefde, ons bewustzijn, dat wij subtiel aan de mens geven.”
“Maar waar brengt u mij naartoe?” vroeg ik opnieuw.
“Ik breng je naar de Bron,” zei hij vriendelijk.
We vlogen hoger en hoger, steeds verder weg van deze wereld.
Ik zag sterren en planeten aan ons voorbijtrekken.
We reisden door zwarte gaten, tot we aankwamen bij een planeet die op de Aarde leek.
Ze was prachtig, maar tientallen keren groter.
Ze had geen afzonderlijke continenten. Het land lag als een ring om de planeet heen.
Aan de boven- en onderkant leek ze op de Aarde zoals wij die kennen, met een Noord en een zuidpool.
De zee was verdeeld in twee delen: één boven het land en één eronder.
Het land dat ik van hieruit zag was stralend groen.
Ik zag geen dorre gebieden, geen droogte, geen grote steden vol licht.
En wat ik toen al vermoedde, werd later bevestigd: deze aardse planeet was zo ver gestegen in bewustzijn en liefde dat alles goed voelde. Er was geen onderscheid.
Alles was gelijk, en alles werkte met elkaar samen.
We vlogen dichterbij. De Vader, die mij nog altijd in zijn armen droeg, zei:
“Je gaat straks kennismaken met de Bron. De Bron is water dat diep in de grond verborgen ligt.”
Hij vervolgde: “Jij en Joel zullen vanaf vannacht ook met mij in balans komen te staan.
De Vader, de mannelijke energie, zal samenkomen met het vrouwelijke.
Jullie zullen samen zijn, en samen verwelkomd worden.”
We vlogen over het land heen. In de verte zag ik de hoogste bergen.
Deze bergen herkende ik. In de aardse wereld noemen wij ze vulkanen.
De Vader voelde mijn gedachten en sprak verder: “In deze wereld zijn de vulkanen uitgeblust.
Ze spuwen hier geen vuur, maar water.
Het water dat je in de wereld van de Feeën hebt gezien is dezelfde Bron, alleen deze is vele malen groter.”
Nu we dichterbij kwamen, zag ik dat het water met volle kracht omhoog werd geduwd en over de randen naar beneden stroomde.
Grote watervallen lieten het water vallen, waarna het zich verder verspreidde en als rivieren naar beneden vloeide.
Het water kwam van beide zeeën en bleef voortdurend gezuiverd worden door de Bron.
De Vader vloog naar de Bron en hield net daarboven stil, waar opeens het water ophield met stromen.
Via de kraters boven op de berg daalde hij naar beneden, door het stilstaande water heen, dwars door de berg.
We gingen dieper en dieper.
Het was vreemd: alles was donker, en toch kon ik alles zien.
“We zijn er bijna,” zei de Vader.
In de verte zag ik een kristal rechtop staan.
Het was enorm. Als ik het moest inschatten, zou zelfs de Eiffeltoren kleiner zijn.
Ik zag ook dat Joel hier al was.
De Vader had hem dus vóór mij opgehaald.
Joel was wakker en keek me blij aan.
Hij zweefde daar, rond dat immense, zuiverende kristal.
De Vader liet mij los en, net als Joel, zweefde ik van boven naar beneden rond het kristal.
Meteen voelde ik de kracht ervan; onmiddellijk was ik ermee verbonden.
In de verte zag ik de groene moederenergie op ons afkomen.
De Vader die mij hierheen had gebracht, liet zijn menselijke gedaante los en veranderde in een prachtige, zachte rode energie.
Joel en ik zagen hoe deze twee energieën elkaar boven op het kristal ontmoetten.
Het leek op een dans.
Beide energieën bewogen zich vervolgens ieder een kant op naar beneden: de Moeder rechtsom, de Vader linksom. Zwevend daalden ze af, elkaar steeds opnieuw ontmoetend.
Het deed denken aan een DNA-streng, twee energieën die samen, in perfecte harmonie, naar beneden bewogen.
Joel en ik lagen nu op onze rug en keken omhoog, dwars door deze dans heen.
Net boven ons kwamen de energieën samen en dansten ze weer omhoog.
Bij elke ontmoeting onderweg naar de top verscheen er een nieuwe streng van licht, de ene rood, de andere groen.
Joel en ik begrepen niet wat ze ons wilden laten zien, maar dat het magisch was, stond buiten kijf.
Telkens wanneer de energieën weer waren afgedaald, voelden Joel en ik een druk.
Onze harten begonnen sneller te slaan.
Het werd zo sterk dat ik het bijna niet meer onder controle had.
Ik legde beide handen tegen het kristal aan, in de hoop een deel van deze overvloedige energie te laten wegstromen.
Maar op het moment dat ik het kristal aanraakte, schoot ik omhoog.
Ik zweefde door alle strengen van energie heen.
Ik voelde hoe iedere streng mij aanraakte, mij voedde, mij liefde gaf, maar ook kennis.
En voor het eerst voelde ik het werkelijk, zonder twijfel: ik ben ook een kind van God.
Ik was overweldigd, in een soort trance, en tegelijk ongekend alert.
Het leek alsof iedere streng van energie, of die nu van de Vader kwam of van de Moeder mij heel maakte, mij met hen verbond, met onze ware ouders.
Hoe hoger ik kwam, hoe meer liefde ik voelde, hoe meer kennis.
Ik droeg een diep gevoel van eenheid, in en om mij heen.
Ik was nu bijna boven. Daar zag ik de Vader en de Moeder naast elkaar staan, als gouden wezens.
Ik keek naar mijn handen en voelde de verandering.
Ik veranderde zelf ook, en stond nu tegenover hen, zwevend boven het kristal.
Drie gouden wezens waren we, om elkaar heen kringelend, steeds hoger en hoger.
Samen stegen we op, door de bergen heen, naar buiten.
Voor mij voelde het alsof ik droomde.
Ik had geen gedachten meer; ik was één met de gouden Vader en Moeder.
Boven de berg kwamen we nog dichter bij elkaar.
Ik voelde dat afscheid niet bestond, maar wel dat we elkaar op dit moment zouden loslaten.
De Moeder liet als eerste los. Ik werd weer Jesse.
De Vader werd weer de man die mij was komen ophalen.
Hij lachte en zei: “Nu ben je, net als iedereen, met ons verbonden.
Deze energie zit verankerd en zal alle werelden voor je openen.
Vertel je moeder over ons, over wat je hier hebt gezien, en help de wereld bewuster te worden.”
Opeens schoot ik wakker. Ik keek verschrikt om me heen.
Ik lag tussen de Paardenengelen.
Ik keek naar Joel en zag dat hij, net als ik, weer terug was.
De zon kwam op. Ik stond op, liep naar de steen en ging erop zitten.
Ik moest even verwerken wat ik deze nacht had meegemaakt.
Ik keek hoe de eerste zonnestralen over het land schenen, hoorde het gezang van de vogels en voelde mij één met alles.
Het voelde fijn om hier te zijn, en ik was benieuwd wat de dag zou brengen.
Ik merkte op dat iedereen tegelijkertijd wakker werd.
Ik liep naar hen toe en één van de Paardenengelen zei: “Heb je de Vader ontmoet?”
Ik knikte lachend.
“Vandaag doen we het rustig aan en verkennen we deze wereld.
Het zijn voornamelijk de avonden die het zo speciaal maakten.
Wij leven namelijk in twee werelden tegelijk en in deze wereld zijn wij de hoogste wezens die hier bestaan.
Wij staan in contact met de Centauren, en zij staan op hun beurt weer in verbinding met andere bewoners.
Wij zijn hier slechts om de verbinding open te houden, vooral met de plaatsen waar we ’s nachts naartoe gaan.
Ik neem aan dat je op de planeet van de Bron bent geweest,” zei hij.
Ik knikte.
“Dat is één van de zeven Aarde werelden die al voltooid is.
Ik noem het maar Aarde, maar iedere planeet waar de mens op leeft, kent zijn eigen reis.
De planeet waar jij vannacht naartoe bent geweest, is klaar.
Hier wonen nog geen mensen zoals jij ze kent vanuit jouw aardse wereld.
De mensen die daar wél komen, hebben het aardse al lang achter zich gelaten.
Zij kunnen daar wonen, maar helpen eerst de mensen die zich op dit punt bevinden: het loslaten van de aardse dualiteit.
Zoals ik al zei, zijn er zeven planeten die ieder hun eigen weg naar volmaaktheid ervaren.
De Aarde is de laatste van de zeven.”
Inmiddels was Joel naar ons toe gekomen.
Hij bleef op een kleine afstand staan; hij wilde niet storen.
De Paardenengel maakte zich van mij los en op dat moment kwam Joel meteen naar me toe.
“Ik zag je opeens omhoog zweven,” zei hij, “zo hoog… en hoe je veranderde in een gouden wezen.
Het was zo mooi wat jij hebt meegemaakt…”
Ik vroeg hem waarom hij zijn handen niet tegen het kristal had gehouden.
Hij schudde zijn hoofd.
“Nee,” zei hij zacht, “dat had mijn ziel niet nodig. Ik heb andere voorouders, weet je nog.”
Dat was ook waar.
“Maar dat betekent wel dat wij heel verschillend zijn,” zei ik zacht.
“Klopt,” antwoordde hij, “maar dat maakt onze vriendschap juist zo speciaal.
Ik stam af van één van de oudste volkeren: de dwergen.
Zij waren er al vóór de eerste mensen.
Ze hebben de donkerste werelden gezien, werelden die jij als blauwdrukken in de Hemel mocht onderzoeken.
Als volk hebben wij ons steeds verder omhoog gewerkt, in liefde en bewustzijn, net als alle wezens aan de andere kant van de sluiers.”
Zijn voorouders hadden een voorsprong op de mens. Daarom verliep zijn eigen zielenreis anders dan de mij.
De Paardenengelen wilden vertrekken.
“Wij laten je een deel van deze wereld zien, en vannacht overnachten we in het bos,” zeiden ze.
Ik klom achterop en samen renden we door het lange uitgestrekte landschap.
Het was wijds en rustig.
Af en toe kwamen we Centauren weer tegen en praatten even met elkaar.
Het was een rustige wereld, heel anders dan bij de Feeën.
Daar was het altijd druk en iedereen was aan het werk.
Maar hier galoppeerden de Paardenengelen vrij door het land en spraken ze met de dieren die ze onderweg tegenkwamen.
Ik was benieuwd naar de nacht.
De Paardenengel had me verteld dat ze in de nachten hun echte werk deden.
Het was fijn, zo’n rustige dag.
Ik moest glimlachen en dacht aan Esmeralda en het meer.
Het leek allemaal zo ver weg, maar tegelijkertijd voelde het dichtbij.
Ik voelde dat dit mijn laatste dag was en dat vanavond mijn terugkeer naar de Hemel zou zijn.
Ergens verlangde ik er ook naar om terug te keren.
Alles hier was prachtig, maar ik miste ook het gezelschap van mijn Engel.
Tijdens deze reis waren er bovendien meer vragen omhoog gekomen, vragen waarvoor ik de hemelse bibliotheek en mijn blauwdruk nodig had om ze uit te zoeken.
Dat zou zeker gebeuren, maar nu mocht ik nog van deze reis genieten.
Wie mocht zijn moeder nu alles laten zien?
Wie had een moeder die alles opschreef? En ik voelde dat mijn band met jou heel speciaal is.
Opeens wilde ik je graag zien, maar ik moet mijn reis eerst afmaken.
“Mama,” fluisterde ik zacht, “na deze reis zal ik je zeker weer opzoeken. Dat beloof ik je.”
Het was een mooie, maar rustige dag.
De zon ging opnieuw onder en we reden het bos in.
De vogels zongen hun laatste lied, en ik genoot er zichtbaar van.
Midden in het bos lag een open plek.
Het werd nu bijna donker, en de eerste sterren begonnen al te fonkelen.
De maan stond hier altijd vol, helder en zacht.
De Paardengelen gingen naast elkaar liggen. Joel en ik nestelden ons ertussen.
Langzaam verschenen de eerste groene energielijntjes om ons heen en ik voelde hoe ik ontspande, en uiteindelijk viel ik in een diepe slaap.
Een van de Paardenengelen tikte me zacht aan en zei dat ik op zijn rug mocht komen zitten.
Ik kwam los uit mijn fysieke lichaam en nam plaats achter hem.
Het lichaam dat ik hier tijdelijk had mogen gebruiken, verdween.
Ik wist dat ik hier niet meer naar terug zou keren; deze reis was ten einde gekomen.
Ik zag dat ook Joel zijn fysieke lichaam had achtergelaten en hij keek me lachend aan.
De Paardenengelen liepen achter elkaar door de lichtende lijnen, recht op een poort af.
Ik kon duidelijk zien dat het een gouden poort was, versierd met kleine edelstenen die zacht oplichtten.
Eén voor één gingen ze erdoorheen, om een nieuwe wereld binnen te lopen.
Alles verliep zo rustig, zo vanzelfsprekend. Ze deden dit immers elke avond.
De nacht maakte plaats voor de dag.
Ik zag dat we de wereld van de Bron binnenliepen.
Ik herkende de hoge bergen, waar het water vanuit de Bron naar beneden viel.
Het landschap was prachtig en net als in de Hemel waren de paden van gouden en zilveren steentjes gemaakt.
Ik zag Elfen, dwergen en andere wezens wandelen, en ook mensen die hier op bezoek kwamen.
De Padenengelen begroetten hen vriendelijk.
Alles was levendig; wezens liepen en vlogen door elkaar heen.
Ook zag ik Engelen. Ze waren hier om ons te helpen, net als de Paardenengelen.
Toch vroeg ik me af waarom ze moesten helpen. Het voelde hier toch al hemels aan.
De Paardenengel waarop ik zat zei: “Dit is ook de hemels, Jesse.
Deze planeet heeft de hoogste frequentie, net als haar bewoners. Ze kunnen niet hoger.
‘De hemel op aarde’, die zin heb je vast wel eens gehoord?
Dit is de eerste planeet met mensachtigen die deze liefde en dit bewustzijn volledig hebben bereikt en er zullen nog zes volgen.”
“Maar waarom zoveel?” vroeg ik hem.
“Dat hoort bij Gods grotere plan,” zei hij en keek naar de zon.
“Dat is een deeltje van de Vader.
De zon en deze planeet zijn nu nog uniek. Maar stel je voor dat rond de zon zeven van deze prachtige planeten zweven, elk met hun eigen cultuur, hun eigen mensachtigen. Hoe mooi zou dat zijn?
Als ziel kun je naar iedere planeet reizen, kennis ophalen en zoveel leren.”
Ik keek om me heen en zag dat Joel in contact was gekomen met de dwergen die hier al woonden.
Hij voelde zich hier helemaal thuis.
Ik moest om hem lachen; hij was een echte vriend, en ik wist dat ik hem zou missen.
Onze wegen zouden na deze reis scheiden, maar ik hoopte dat ik hem ooit weer terug zou zien.
Ik ging op een bankje zitten en keek om me heen. Het was een prachtige planeet.
Ik zag zielen die al met elkaar verbonden waren, en voelde de sterke energie tussen de zon en de Bron van deze planeet.
Alles straalde een eigen, vriendelijke energie uit, alsof het ieder wezen omarmde.
Ik keek opzij en een klein vogeltje zat naast me.
Het keek me vriendelijk aan, tsjilpte even en vloog toen weer weg.
Dit was zeker een wereld waar ik nog eens naar terug wilde gaan, om het te onderzoeken waarheen het water van de Bron verder naar toe stroomde.
Opeens zat mijn Engel naast me. Hij lachte en vroeg: “Heb je een fijne reis gehad, Jesse?”
Ik knikte en zei dat ik
een geweldige reis had gehad, en dat we echt nog eens naar hier moesten terugkeren.
De Engel keek ook om zich heen.
“Zo zal de Aarde ook worden,” zei hij.
“Ze zal groter en volwassener worden.
Deze planeet is een oude ziel, en de Aarde is nog een jonge ziel.
Ze heeft nog een lange weg te gaan, net als de mens.
Neem afscheid van Joel,” zei hij, “hij zal hier nog een tijdje blijven.
En neem ook afscheid van de Paardenengelen.”
Ik ging staan en liep naar de groep van mijn Paardenengelen, die hier in grote getale aanwezig waren.
Het was maar een klein groepje dat door de poort, van de wereld achter de sluiers naar hier was gereisd.
Ik bedankte hen voor de reis en vertelde dat ik graag nog eens terug wilde komen om mijn moeder meer van deze wereld te laten zien.
Ze stemden hierin toe en ik bedankte hen opnieuw voor alles.
Toen liep ik naar Joel, die nog altijd bij de dwergen stond.
Ik zag dat hij aan het veranderen was. Opeens was hij kleiner dan ik.
“Ik ben thuis,” zei hij, met tranen in zijn ogen.
“Eigenlijk ben ik nu op de plek waar ik echt hoor,” zei hij.
“Ik wil je bedanken, Jesse, dat je mij thuis hebt gebracht en dat wij samen deze weg hebben afgelegd.
Dank je wel voor alles.”
Hij omhelsde me. We waren vrienden voor altijd geworden.
Ik zwaaide nog één keer, keek om me heen en liep toen naar mijn Engel, die mij tegemoet kwam.
“Ik ben trots op je, Jesse,” zei hij.
“In zeven maanden heb je meer mogen zien dan wie dan ook.
Het contact met de Vader heeft ervoor gezorgd dat alle werelden nu voor je openliggen.
En als jouw Engel, als jouw gids, laat ik je met plezier alles zien.
Je reis zit erop,” vervolgde hij zacht. “Houd mijn hand vast, jongen.”
Ik keek voor de laatste keer om me heen.
Iedereen stond stil, keek me blij aan en zwaaide.
Toen knipte mijn Engel met zijn vingers en stonden we ineens onder de boom in de groene wereld.
Het voelde onwerkelijk.
Ik voelde me vol, verzadigd van ervaringen.
Ik legde mijn handen tegen de boom en de gouden energie zorgde ervoor dat alles wat ik tijdens deze reis had mogen meemaken, in balans kwam in mijzelf.
Ik omhelsde mijn Engel.
“Welkom terug, Jesse,” zei hij en samen liepen we terug naar onze sfeer.
