We liepen het grote Zomerland binnen en het was prachtig.
Kinderen renden lachend in het rond en overal gebeurde wel iets.
Ik zag een speelweide waar ze speelden, renden en gierden van plezier.
Aan de andere kant stond een groot bos waar hutten werden gebouwd, en vlak daarnaast lag een zwembad met glijbanen.
Verderop lag zelfs een attractiepark met achtbanen en een reuzenrad.
Alles was kleurrijk: helder rood, geel, groen en blauw.
De kinderen juichten van vreugde, en naast ieder kind rende een Engel met hen mee.
Ze hadden net zoveel plezier als de kinderen.
Het was heerlijk om hier rond te wandelen.
De kinderen waren hier werkelijk gelukkig.
Op de grond lagen zachte kussens waar ze even konden uitrusten; sommigen lazen een boek vol mooie verhalen, anderen speelden met speelgoed.
Alles wat een kind blij maakt, was hier te vinden.
Terwijl we verder liepen, viel mijn oog op een klein huisje met een rieten dak.
De kozijnen waren geel geverfd en het deurtje blauw.
Het leek precies op het huisje dat je soms op aarde tegenkomt.
Rondom het huisje stond een wit hek waar talloze bloemen doorheen groeiden.
Het pad naar de voordeur bestond uit gouden steentjes.
We bleven staan. De Engel van Zomerland keek mij aan en zei:
“Jouw moeder heeft over dit huisje verteld.
Ze heeft over de oude vrouw veel verhalen mogen schrijven.
Ik weet zeker dat je moeder deze plek herkent. Ga maar naar binnen, Jesse.
Wij wachten hier op je.”
Ik opende het hekje en liep het tuinpad op.
Het voelde wat vreemd om zonder Engelen ergens naartoe te lopen, maar tegelijk ook goed.
Ik klopte op de deur.
Binnen hoorde ik wat gestommel en toen ging de deur langzaam open.
Een oude vrouw keek me lachend aan.
Ze stak haar handen naar me uit en zei: “Jesse… eindelijk ben je hier.”
Ze sloeg haar armen om me heen.
Ik herkende haar niet, maar toch voelde ik me veilig bij haar.
“Kom binnen, jongen,” zei ze warm.
Binnen rook het heerlijk, alsof er net koekjes waren gebakken.
Precies de geur van vroeger wanneer jij koekjes of pepernoten ging bakken.
Ik ging zitten op een stoel bij het raam en de vrouw keek me vriendelijk aan.
“Ik ken je nog van vroeger,” zei ze.
“Je kwam vaak in Zomerland.
Je speelde, je rende, je was een vrolijk kind.
Maar op een dag veranderde dat.
Je werd gepest, en je wist niet meer hoe je daarmee om moest gaan.
We hebben geprobeerd je te helpen en duidelijk te maken dat het slechts een spel is van wie de sterkste is, wie de meeste macht wil hebben.
Maar daarna kwamen er meer problemen in je leven, en langzaam verdween je uit Zomerland.
Dat gebeurt bij alle volwassenen.
Hun leven wordt zo vol dat ze het kind in zichzelf vergeten.”
Ze keek me nog dieper aan.
“Jij speelde, tekende, was altijd bezig, maar langzaam verdween dat naar de achtergrond door de problemen die je angstig maakten.
Daardoor kwam je steeds minder naar Zomerland, totdat je helemaal verdween.
Maar nu ben je weer hier, Jesse. In Zomerland.
En er is nog een deel in jou dat geheeld wil worden.”
Ze legde haar hand op mijn arm.
“De zware pijn is wel verdwenen, maar je oude kwaliteiten mogen weer omhoog komen.
Ga Zomerland in en ga spelen, Jesse.
Wees weer een kind. Hier mag dat.
Doe alles met volle overgave, met plezier.
Het zal je hart genezen.
Je zult merken dat je nog zoveel meer kunt voelen dan je nu gewend bent.”
Ze liep naar de deur, opende hem en wenkte me.
Bij de deur sloeg ze opnieuw haar armen om me heen en fluisterde:
“Ga spelen, jongen. Maak plezier. Voel de vrijheid die je hier mag ervaren.”
“Dank u wel,” zei ik zacht. “Ik zal het zeker doen.”
Ik nam afscheid en liep terug naar de Engelen.
“Nou?” vroeg mijn Engel. “Wat heeft de oude vrouw gezegd?”
Ik keek hen lachend aan.
“Ze zei dat ik moest gaan spelen… maar ben ik daar niet een beetje te oud voor?”
De Engel van Zomerland riep direct: “Te oud? Niemand is ooit te oud om te spelen! Kom!”
Ze rende richting het attractiepark en mijn eigen Engel en ik keken elkaar lachend aan.
Toen renden we haar achterna.
Tijdens het rennen merkte ik pas hoe lang het geleden was dat ik écht plezier had gehad.
Ik had veel mooie, liefdevolle dingen mogen zien in deze wereld, maar plezier maken zoals een kind… dat was ik vergeten.
Hier was geen zorg, geen angst, geen last. Alleen vrijheid.
Iedere stap voelde als bevrijding. Dát had de vrouw bedoeld.
Bij de achtbaan stond de Engel al te wachten.
“Kom!” riep hij. “Dit is vrijheid!”
Ik stapte in. Ik voelde nog wat angst, maar wist dat dit de ultieme test was.
De slangachtige baan begon langzaam te bewegen en kroop naar het hoogste punt.
Kinderen juichten en ik keek om me heen.
Hoe hoger we kwamen, hoe mooier alles werd.
Vrijheid en schoonheid stroomden door me heen, zo sterk dat ik wilde schreeuwen.
En dat deed ik.
Bovenaan de top schreeuwde ik het uit: een oerschreeuw van vrijheid, van leven.
Het voelde alsof alles door mij heen stroomde, alsof ik eindelijk weer mezelf was.
Ik voelde me vrijer dan ooit.
Toen de achtbaan stopte, was ík degene die overal heen rende.
De Engelen holden achter me aan. Ik lachte, riep, rende, leefde.
“Ik heb nog nooit zoveel lol gehad,” zei ik buiten adem.
“Dit… dit is waar mijn aardse leven altijd naar op zoek was. Vrijheid.
Vrijheid in mezelf.”
