Als een vrouw wakker word, stapt ze uit haar bed en kijkt door het raam naar buiten. Het beloofd een mooie dag te worden, en ze hoort de vogels hun ochtendlied zingen.
De warmte van de eerste zonnestralen strelen haar gezicht, en ze voelt zich heel even gelukkig. Langzaam word haar denken wakker en de gedachtes komen één voor één door haar hoofd voorbij.
Het zijn geen leuke gedachtes en de vrouw word onrustig.
De angst die aan deze nare gedachtes vastzit heeft haar gelijk in zijn greep.
Als je goed naar jezelf kijkt en je dagelijkse denken onderzoekt, dan kom je erachter dat je verschillende stemmetjes in je hoofd hebt. De ene keer is het super lief, de andere keer kan het boos worden, gaan huilen of gaan schreeuwen.
Hij was boos! Hij was zo boos!
Stampvoetend zette hij zijn voeten op de grond.
Hij wilde de beste zijn. Nee, hij wilde eigenlijk nog beter zijn! Iedereen moest het zien! Zien hoe bijzonder hij was.
Hij was té aardig en deed té lief tegen iedereen die hij aansprak.
Oh ja, hij was altijd in het wit gekleed.