Een buizerd vliegt over en een vrouw, die naar de lucht staart, kijkt hem na.
Ze glimlacht, want buizerds hebben het overzicht.
Zodra de vogel langzaam uit het zicht verdwijnt, stapt ze rustig verder richting het bos.
De weg die ze gaat is steil en grote stukken stenen liggen los op het pad.
Ze moet goed kijken waar ze haar voeten neerzet om niet te struikelen of, in het ergste geval, te vallen.
Stapje voor stapje neemt ze deze steile weg naar boven en met rustige passen komt ze boven op de heuvel aan.
De bosrand is nu goed te zien en de weg ernaartoe is beter begaanbaar dan de weg waar ze zojuist overheen liep.
Aan weerskanten van het smalle pad staan grote bramenstruiken en zo nu en dan blijft de vrouw even staan om een paar braampjes te plukken.
Ze smaken heerlijk zoet en de vrouw geniet.
Bij de ingang van het bos staat een oude, grote eik.
Hij staat een beetje scheef en zijn lange takken hangen hoog boven het bospad, iets naar voren.
Het kleine ijzeren draaihekje onder de eik geeft aan dat je nu een andere wereld binnenloopt.
De vrouw kijkt naar de oude eik. Hij is groot en dik, dus heel erg oud.
Zijn bast is gerimpeld en het lijkt net of hij op het bospad neerkijkt.
Met een stille stap nadert ze de oude eik.
Ze kijkt naar boven en ziet dat de boom een oud gezicht heeft.
De contouren van ogen, neus en laaghangende mondhoeken zijn er duidelijk in te herkennen. Hij lijkt nors.
De vrouw legt haar handen tegen de bast van de oude boom aan.
Onmiddellijk gaan zijn ogen open en hij kijkt de vrouw streng aan.
“Wat mot je? Heb ik je soms gevraagd om aan me te zitten!?”
“Nee,” zegt de vrouw en ze kijkt de oude boom met een onschuldige blik aan.
“Ik zag dat u niet zo gelukkig was en wilde u graag troosten.
Is er soms iets wat ik voor u kan doen, zodat u niet meer zo boos bent?”
“Huh,” zegt de boom. “Jij wilt mij helpen? En waarom dan wel!? Alsof jij alles kunt oplossen!”
“Ik kan het toch proberen,” zegt ze beleefd.
“Ik zal je eens laten zien wat er aan de hand is.
Ga daar maar op dat bankje zitten en kijk dan naar wat er met mij gebeurt.”
De vrouw gaat op het bankje zitten dat schuin tegenover de oude boom staat en wacht op wat er gaat gebeuren.
In de verte hoort ze stemmen en ze kijkt de kant op waar ze vandaan komen.
Een groepje wandelaars heeft hetzelfde pad gekozen en ze spreken luid over onderwerpen zoals waspoeder en dat de boodschappen zo duur zijn geworden.
Ook roddelen ze over andere mensen die ze kennen en de vrouw begrijpt een beetje waarom de boom zo boos is. In plaats van dat ze opgaan in de natuur in al haar schoonheid, praten ze over
onderwerpen die niet belangrijk zijn.
De vrouw ziet hoe het groepje haar kant op komt en haar met een knikje begroet.
De mensen komen bij de oude eik aan en, zonder hem te zien, draaien ze aan het ijzeren hekje.
Pieeeeeep… pieeeeeep… pieeeeeeep… doet het draaihekje.
De vrouw begrijpt meteen waarom de oude eik zo uit zijn humeur is.
Dit geluid is niet om aan te horen. Geen wonder dat hij een oude brom-eik werd.
Nadat de wandelaars uit het zicht zijn verdwenen, loopt de vrouw weer naar de oude eik toe.
“Ik zie nu waarom u zo boos bent.
Dat geluid is ondragelijk, zelfs voor mij.
Hoe moet dat dan voor u zijn, een oude eik die van de stilte houdt?”
De oude eik kijkt de vrouw nu wat vriendelijker aan.
“Ik kan er niets aan doen. Elke dag komen vele wandelaars deze kant op en ze gaan allemaal door dit draaihek.
Het geluid verstoort mijn groeiproces, het verstoort de wereld achter de sluiers waar ik de poort van ben.
Maar de mensen begrijpen dat niet.
Ze plaatsen hier zomaar een ijzeren draaihek en kijken er verder niet meer naar om.”
De vrouw kijkt de oude eik verdrietig aan.
“Ik zou kunnen kijken wat ik eraan kan doen.”
“Heus?” vraagt de oude eik verbaasd.
“Ja,” zegt de vrouw. “Ik ga er direct werk van maken.
Nog heel even geduld, lieve eik. Ik kom terug met een oplossing.”
Zo gaan er dagen voorbij.
De vrouw is bij het gemeentehuis geweest, waar ze haar in haar gezicht hebben uitgelachen.
Niemand van de groenvoorziening wil iets aan het piepende hek aan de rand van het bos doen.
Nadat de vrouw van alles heeft geprobeerd en er geen positieve reactie op heeft gekregen, pakt ze haar hamer en een paar spijkers en stopt deze in haar rugtas.
Ze trekt haar wandelschoenen aan en loopt richting het bos.
Opnieuw loopt ze over de weg met de grote stenen en opnieuw moet ze oppassen om niet te vallen.
Wanneer ze eindelijk boven op de heuvel is aangekomen, draait ze zich om.
Het is een prachtig gezicht en de natuur is hier zo schoon.
De zon begint al aan de horizon te zakken en het zal niet lang meer duren voordat de avond invalt.
Snel loopt ze naar de oude eik toe, knikt naar hem en trekt aan het draaihekje.
Met een beetje extra kracht trekt ze het hekje uit de grond.
Daarna loopt ze het bos in, waar ze een paar afgevallen takken vindt.
Met haar hamer en spijkers maakt ze een prachtige boog.
De vrouw gaat zo op in haar werk dat ze niet in de gaten heeft dat de zon al ver is gezakt.
Het is bijna donker.
De boog is klaar en de vrouw kijkt tevreden naar wat ze heeft gecreëerd.
Daarna kijkt ze de oude eik aan en zegt: “Ik hoop dat deze boog de stilte niet verstoort.”
De oude eik kijkt tevreden en zegt liefdevol: “Ik wil je bedanken, mijn kind, voor deze prachtige creatie.
Alle bosbewoners en ik zijn er erg blij mee.”
Hij kijkt de kant van het bos op.
Overal waar de vrouw kijkt, ziet ze dieren.
Uilen, vosjes, konijntjes en eekhoorntjes.
De vogels op de takken kijken haar dankbaar aan.
Maar wanneer ze nog beter kijkt, ziet ze ook Elfjes, Kabouters en Feeën.
Kleine Bosnimfen strooien met goudstof zodat ze goed zichtbaar zijn voor de vrouw.
Het is zo mooi dat ze haar ogen niet kan geloven.
“Ik wil deze stilte niet verstoren,” zegt de boom, “maar ik zie dat de zon al onder is en je nog een lange weg naar huis moet.
Het lijkt me geen goed idee om dezelfde weg terug te lopen.
De kans dat je valt is te groot.
Ga door het bos, mijn kind.
Het licht van onze liefde zal je de weg wijzen.
Kom de volgende keer weer hier, dan kunnen we nog eens praten.”
De vrouw knikt.
“Graag. Fijn dat ik welkom ben.”
“Ga nu maar. Het bos zal je pad verlichten.”
De vrouw kijkt naar het pad dat voor haar ligt en loopt onder haar eigen gemaakte poort door het bos binnen.
Meteen zijn daar de vuurvliegjes om haar pad te verlichten.
Bosnimfen strooien goudstof om het zicht nog beter te maken.
Kleine Elfjes vliegen met lantarentjes met haar mee, totdat ze de rand van het bos bereikt.
Ze kijkt nog eens om en ziet dat alle bosbewoners zijn meegelopen en -gevlogen. Ze zwaaien haar uit.
Een mooie Fee, die haar gedachten heeft opgepikt, zegt in haar hoofd:
“Welkom in onze wereld van de sprookjes.
Een wereld waar wij vandaan komen, maar die zo dicht bij de mensheid staat.
Tot de volgende keer.”
De lantaarnpalen nemen het over van de Elfjes.
Wanneer de vrouw thuis is en in bed ligt, zegt ze tegen de maan, die bijna vol is:
“Ik heb mijn nieuwe weg gevonden.
Het land van de sprookjes zal nu voor ons opengaan.”
En nadat de slaap is ingevallen, kijkt een Meester vanuit het Hiernamaals tevreden toe.
Ze heeft haar nieuwe weg gevonden.
