Daar zat ze dan. Krom van het dragen van haar tas. Haar rug gebogen, haar handen verkrampt, haar schoenen versleten. Daar, zittend op het bankje, starend voor zich uit.
Haar tas, die ze achter zich aan had gesleept, had een diep spoor op het zandpad achtergelaten.
De schemer viel over het landschap.
De maan was nieuw en een vogel zong zijn laatste lied.
De vrouw rommelde wat in haar tas en haalde een zaklantaarn tevoorschijn.
Ze knipte hem aan en scheen met het licht in haar volle tas.
Eén voor één haalde ze er een doosje uit en zette het naast zich op het bankje.
Het eerste doosje dat ze uit haar tas haalde, daar zat al haar woede in.
In het tweede doosje dat ze uit haar tas haalde zat jaloezie.
In het derde doosje zaten al haar leugens.
Het vierde doosje was gevuld met angst.
In het vijfde doosje zat hoogmoed en in het zesde haat.
Het laatste, het zevende doosje, zat vol verdriet.
De vrouw had alle doosjes naast zich op het bankje gezet en overzag haar leven.
Alle nare momenten die ik heb meegemaakt, zitten in deze doosjes.
Er kan niets meer bij.
De tas is te zwaar geworden.
“Ik zal iets weg moeten doen, maar welk doosje?”
Eén voor één hield ze de doosjes vast.
Het waren de nare herinneringen uit haar verleden.
Herinneringen die haar gemaakt hadden tot wie ze nu was.
Maar ze moest ze nu echt gaan bekijken, anders kon ze niet verder.
Ze pakte het eerste doosje.
Met grote letters stond daar “WOEDE” op.
Ze opende het dekseltje en keek erin.
Ze zag een groot zwart gat.
Een gat dat zo groot was dat je erin kon verdwalen.
Snel deed ze het dekseltje weer op het doosje.
Ze was geschrokken.
Al die jaren had ze datgene waar ze kwaad op was geweest in dit doosje gestopt.
Maar nu was alles weg!
Waar was haar woede gebleven?
Ze pakte het tweede doosje.
Daar stond met grote letters “JALOEZIE” op geschreven.
Ze haalde voorzichtig het dekseltje van het doosje, boog zich voorover en keek.
Ook in dit doosje was een groot zwart gat.
Er was niets meer van haar jaloezie te bekennen.
Ook bij de andere doosjes haalde ze het dekseltje eraf.
Ook daarin was niets meer te zien.
Alle zeven doosjes waren leeg.
Alles was donker.
Er was niets.
Hoe kon dit gebeuren?
Ze had toch haar hele leven met die zware tas gesjouwd?
Ze kon niet meer verder lopen omdat haar tas te zwaar geworden was.
Hoe kon ze dit nu verklaren?
Ze leunde achterover en keek nog eens opzij naar haar zeven doosjes.
Opeens moest de vrouw heel hard lachen.
Ze stond op en pakte één voor één de doosjes nog eens op.
“Er zit helemaal niets in!
Het verleden is weg!
Ik heb al die jaren de lasten uit het verleden achter mij aan gesjouwd, terwijl er helemaal geen verleden in zit.
Wij denken dat er een verleden is, maar dat zit allemaal in ons hoofd.”
De vrouw ging weer op het bankje zitten en keek opnieuw naar de doosjes.
Ze glimlachte.
Een gevoel van vrijheid en geluk overspoelde haar.
Ze was opeens zo gelukkig.
De vrouw stond op van het bankje, pakte alle zeven doosjes en gooide ze in de prullenbak die naast het bankje stond.
“Dag verleden!” zei ze lachend.
“Ik heb je niet meer nodig.”
Ze scheen met haar zaklantaarn op het zandweggetje en zag dat ze op een kruising was uitgekomen.
Ze volgde het licht waar het naartoe scheen en sloeg haar nieuwe weg in.
Zonder bagage.
Zonder nare herinneringen.
Ze huppelde van geluk.
De zon kwam langzaam op aan de horizon en de eerste vogel floot zijn lied.
