Opeens was hij daar.
Hij stond voor het raam en keek naar binnen.
Dit was zijn eerste keer terug op Aarde.
Na zijn overgang van aards lichaam naar lichtlichaam had hij eerst een lange tijd mogen uitrusten.
Het was een zware periode geweest, zijn aardse leven.
Steeds weer de vele keuzes die hij als mens moest maken, en vaak koos hij net de verkeerde.
Daardoor liep zijn pad soms heel anders dan hij vooraf had afgesproken.
Hulp had hij wel gekregen, maar daar reageerde hij niet op.
Hij liet zich voornamelijk beïnvloeden door anderen.
En nu was hij in zijn lichtlichaam en keek door het raam naar binnen.
Hij zag zijn dochter.
Zijn dochter was nu al veel ouder dan toen hij haar had achtergelaten.
Hij tikte tegen het raam, maar er kwam geen geluid.
Hij liep door de muur naar binnen.
Vreemd was dat, die eerste keer.
Hij stond nu vlak naast haar.
Ze zat aan de keukentafel met een beker thee.
Ze staarde voor zich uit.
Hij miste haar.
Ze was zijn enige dochter.
Voorzichtig gleed hij met zijn hand door haar haren.
Zij deed haar ogen dicht.
De tranen rolden over haar wangen.
Hij gaf haar een kus op haar hoofd en liep weer door de muur naar buiten.
Hij keek nog één keer om en zei:
“Morgen kom ik terug en dan zal ik altijd bij je zijn.”
