~♥ Alba de Albatros ♥ ~

Ze waren meteen na zonsopgang vertrokken.

De walvissen en de Waterengelen zwommen zij aan zij.

Sanne zwom naast de walvis, waarbij ze gisteren nog op de rug zat. Het was heerlijk om in zo’n grote formatie mee te mogen zwemmen.

De walvissen doken onder water, om later weer terug naar boven te komen.

Grote fonteinen water spoten ze de lucht in.

Sanne had nog nooit zoiets moois meegemaakt.

Ze dook net als de walvissen onder water in hetzelfde ritme en hetzelfde tempo.

De Waterengelen zwommen in een grote formatie aan de andere kant van haar.

Ze zwommen snel en ze waren blij.

Ze doken over elkaar heen en sprongen hoog de lucht in tijdens deze prachtige grote reis.

Sanne keek eens achterom.

Heel in de verte zag ze het strand liggen.

Ze zwommen nu op open water.

Het helderblauwe water omringde haar.

Een vogel die net iets te ver van de kustlijn was, vloog over. “Hé, waar gaan jullie naartoe?!” schreeuwde hij. Sanne keek naar boven en zag een grappige witte Albatros. Hij zweefde statig mee op de wind.

Twee wat langere veren op zijn kop dansten van links naar rechts. Sanne vond het een grappig gezicht en moest om deze nogal vreemde vogel lachen.

De walvis naast haar keek ook omhoog.

“Wij gaan naar de dolfijnen!

Ze wonen wat verderop in de open zee en wachten daar op ons!” riep de walvis.

“En waarom wachten ze op jullie?!” vroeg hij weer nieuwsgierig. “Omdat we dan samen verder reizen.

We zoeken de warme wateren op, om daaruit te rusten en mooie reizen te maken naar de bodem van de zee”, vertelde de walvis hem.

De vogel wilde eigenlijk nog meer vragen, want hij was nu wel heel nieuwsgierig geworden, maar hij was te ver van de kust. Hij moest terug.

De walvis had zijn gedachten allang gehoord en zei: “Ben jij niet te ver van huis Alba?

Heb je wel voldoende energie om terug te vliegen?”

De Albatros keek wat bedenkelijk om zich heen.

Ja, daar had hij ook al over nagedacht.

“Mijn nieuwsgierigheid heeft mij weer eens in de val laten lopen”, zei hij ongemakkelijk.

Hij keek in de richting van de kustlijn die niet meer te zien was. Geschrokken keek hij om zich heen.

“Ik kan het land niet meer zien”, zei hij wat gespannen. “Nu weet ik niet meer welke kant ik op moet vliegen, en hoe ik terug moet komen!”

Hij raakte in paniek.

“Wat ben ik toch ook een domme vogel.

Ik ook altijd met mijn vragen.

Ja, sorry hoor, maar ik wil namelijk altijd alles weten.” Alba begon van vermoeidheid al iets lager te vliegen. “Kom maar op mijn rug zitten”, zei de walvis, “dan kun je even uitrusten.”

De rest van de groep had het allemaal gezien en viel nu stil. Ze keken allemaal naar de walvis die in gesprek was met de Albatros.

Ze begon aan de anderen uit te leggen wat er was gebeurd: “Deze vogel is zijn weg kwijt.

Hij wilde graag weten waar onze reis naar toe ging.

Ik heb zijn vraag beantwoord, maar door zijn nieuwsgierigheid is hij de tijd vergeten.

Nu is hij het laatste stuk met ons meegereisd en kan daardoor niet meer terug naar huis.

De tocht terug naar het vasteland zal te vermoeiend voor hem worden.

Ik wil jullie voorstellen om Alba mee te nemen op onze reis. Hij is nieuwsgierig naar ons, maar ook naar onze reis en naar de warme wateren.

Ik zeg altijd maar zo, er zijn dingen die niet voor niets gebeuren.

Misschien is hij wel een heel belangrijke schakel voor onze reis.” De walvissen en de Waterengelen kregen hetzelfde gevoel en verwelkomden Alba in hun groep. Langzaam kwam de groep weer in beweging.

De walvis met Alba op zijn rug zwom iets minder snel dan de anderen.

Zij moest ervoor zorgen dat Alba niet telkens naar adem hoefde te happen, door onder water te gaan duiken.

Nee, ze moest netjes met haar rug boven water zwemmen. Sanne die naast de walvis zwom, vond de vogel grappig.

Maar de walvis raakte steeds verder van de groep verwijderd. “Moeten wij niet harder zwemmen?” vroeg Sanne aan de walvis.

“Nee hoor, ik weet de weg”, antwoordde de walvis.

“Nog een paar uurtjes en dan zijn we er.

De anderen weten dat en zijn alvast vooruitgegaan.”

Alba had nu voor het eerst het meisje opgemerkt.

Hij was zo druk met zijn eigen probleem geweest, waardoor hij het meisje niet eerder opgemerkt had.

“Ik wist niet dat er ook een meisje mee zwom”, zei hij verbaasd. “Wat leuk zeg…, hoe ben jij hier verzeild geraakt?” De walvis nam het woord.

“Ik zal jouw vraag wel beantwoorden.

Dit meisje heet Sanne en zij moet al haar krachten sparen voor deze tocht naar de dolfijnen.

Ze zwemt voor het eerst met ons mee en ik voel dat ze langzaamaan moe begint te worden.

Ze is de wereld van de Waterengelen binnengestapt en samen met hen naar ons toegekomen.

Sanne zou eigenlijk naar Zomerland gaan, maar haar wens heeft haar hier bij ons gebracht.

Daarom verkent ze nu de zeeën samen met ons.

Ze mag en zal alles gaan zien in deze prachtige wereld.” Alba had aandachtig geluisterd naar wat de walvis te vertellen had. “Zomerland?

Dat is toch waar alle kinderen naartoe gaan?”

“Dat klopt”, zei de walvis, “Zomerland ligt in het Hemelrijk.” Alba was even stil en keek verschrikt om zich heen.  “Waar is het meisje nu gebleven?” vroeg hij verbaasd. Ook de walvis keek eens goed, maar zag Sanne niet meer aan haar zijde zwemmen.

Dit klopte niet, en snel stopte ze met zwemmen om achterom te kunnen kijken.

In de verte zag ze dat Sanne zo hard als ze kon aan kwam zwemmen. Doordat ze zo moe was geworden, kon ze het tempo niet meer bijhouden en was ze steeds verder achteropgeraakt.

“Klim maar op mijn rug!” zei de walvis.

“Ga maar naast Alba zitten.

Nog een klein stukje en dan zijn we er al.

Ik voel de warme stroming al langs mijn buik gaan.

De warme wateren zijn in aantocht.”

Sanne klom op de rug van de walvis en ging naast Alba zitten. De walvis begon weer te zwemmen, nu iets harder dan daarvoor.

Nadat ze wat was uitgerust, keek Sanne de Albatros aan. “Waar kom jij vandaan?” vroeg ze hem.

“Ik kom van de kust. Ik woon daar met een hele grote groep andere vogels.

Wij vliegen zo nu en dan de open zee op.

Dit doen we gewoon uit nieuwsgierigheid.”

“Maar waarom zijn jullie niet naar het Hemelrijk gevlogen?” vroeg Sanne weer.

“Wij als vogels mogen zelf bepalen in welke sferen wij willen wonen, omdat wij in ons oude leven ook altijd al aan de kust hebben gewoond, hebben wij ervoor gekozen om in deze Waterwereld te gaan wonen.

Maar ik ben een beetje té nieuwsgierig”, zei de vogel. “Daarom loopt mijn leven altijd net iets anders dan bij de andere vogels van de groep.

Ik wil graag altijd alles zien en van iedereen zijn of haar verhaal weten. Ik wil verre reizen maken om te ontdekken wat je allemaal kunt leren.

Ik wil avontuur!” zei hij blij en keek Sanne glunderend aan. Sanne vond zijn verhaal geweldig.

“Zie je wel”, zei de walvis, “ik wist wel dat hij met een reden naar ons toe gestuurd is.

Hij wil net als jij de werelden verkennen en heeft ook voor de wateren gekozen, net als jij.

Dit gaat vast een prachtige reis worden.

Alleen jammer dat je niet met ons mee onder water kunt”, zei de walvis.

“Sanne, misschien kun jij vannacht aan de Hoge-Engelen ook voor Alba kieuwen vragen, zodat hij met ons mee op reis kan.” Alba had de walvis aangehoord en boog zich nu naar Sanne toe.

“Wat zijn kieuwen?” vroeg hij zachtjes aan haar.

Sanne glimlachte en deed het haar achter haar oren opzij. “Zie je deze kleine schelpjes Alba?

Dat zijn kieuwen. Hiermee kun je heel lang onder water zwemmen. Als de Hoge-Engelen deze ook aan jou geven, net zoals ze dat bij mij hebben gedaan, dan kun je met ons mee op reis en kunnen we samen de onder waterwereld bekijken.”

Alba keek haar verbaasd aan.

“Zou ik dat dan ook echt kunnen?” vroeg hij aan Sanne. “Ja, dan kun je met ons mee op reis.

Samen met de walvissen, dolfijnen en de Waterengelen.” Alba was blij en trots tegelijk.

Als hij net als het meisje kieuwen zou krijgen, kon hij de avonturen waarover hij altijd zo graag fantaseerde echt mee gaan maken. Hoe heerlijk zou dat zijn!

Opeens spoot de walvis een fontein van water omhoog. Sanne was meteen drijfnat en Alba schudde met zijn vleugels het water van zich af.

“We zijn er! In de verte zie ik de groep al, en het warme water voelt zo heerlijk aan”, zei de walvis.

“Maar het water was hier toch al lekker warm?” vroeg Sanne. “Dat klopt, maar je zult straks merken dat het water nog warmer en fijner aanvoelt.

Hier is het water zo heerlijk!

Kijk, daar zijn de koraalriffen, die kun je vanaf hier onder water zien liggen.”

Sanne keek, maar zag niets.

Misschien kon ze de koraalriffen straks wel zien, wanneer ze weer een duik in het water zou nemen. Eenmaal bij de groep aangekomen, was er geen dolfijn te bekennen.

“Waar zijn de dolfijnen?” vroeg Sanne om zich heen kijkend. “Die zullen zich straks bij de groep aansluiten”, antwoordde de walvis.

“Rust nog maar even uit, straks gaan we naar de plek waar we een aantal dagen zullen verblijven.

Morgen gaan we onze eerste onderwater reis maken.”

Sanne ging op de rug van de walvis liggen en viel direct in slaap. Terwijl Sanne sliep, zwom de groep met Waterengelen en walvissen naar de plek op zee, waar de dolfijnen zich bij hen aan zouden sluiten.

Na een tijdje schrok ze wakker van een vreemd geluid. Ze deed haar ogen open en keek recht in het gezicht van een dolfijn.

De walvis was een klein stukje gezakt en lag nu dieper in het water. De dolfijn bekeek haar van top tot teen. “Welkom”, zei de dolfijn met een lief stemmetje en duwde haar met zijn neus van de rug van de walvis af. Met een plons viel Sanne in het water en zwom naar de dolfijn toe, maar de dolfijn zwom hard weg.

Sanne zwom zo hard als ze kon achter hem aan.

De dolfijn dook hoog vanuit het water op en riep: “Pak me dan!” maar hij was veel te snel voor haar.

“Oké, jij hebt gewonnen!” riep ze hem lachend na.

De dolfijn keerde terug naar het meisje en ging voor haar drijven. “Wij wisten al dat jij je bij onze groep aan zou sluiten. We hebben ernaar uitgekeken.

Een meisje dat niet naar Zomerland wil, maar naar ons, omdat het haar grootste wens was om een keer met de walvissen en dolfijnen te mogen zwemmen, is voor ons heel bijzonder.”

Inmiddels waren er nog meer dolfijnen naar Sanne toe gezwommen. Ze waren allemaal nieuwsgierig naar deze nieuwe vriendin, die met hen mee op reis zou gaan. 

Alba bevond zich nog steeds op de rug van de walvis.

Hij keek naar de groep dolfijnen die hij nog kende van de wereld waar hij ooit vandaan kwam.

Ze waren altijd blij en druk, maar in de andere wereld was het een stuk lastiger om met ze in contact te komen. Nee, dat was een heel andere wereld, waar je altijd bang moest zijn. Het was daar echt overleven, terwijl die wereld juist zo mooi was.

“Wat ben jij nu aan het mijmeren?” vroeg een dolfijn aan Alba. “Of wil je soms weer terug naar die oude wereld?” Alba schrok op.

Hij was vergeten dat sommige dieren hier je gedachten op konden vangen.

“Nee, ik bedacht me net dat deze wereld zoveel mooier is dan de aarde waar wij vandaan komen.”

De dolfijn kwam naar Alba toe gezwommen.

“Dat klopt Alba”, en ze keek hem liefdevol aan.

“Die wereld moet je niet zien als niet leuk, maar moet je zien als een reisje.

Je komt daaraan en je maakt van alles mee.

Leuke dingen, maar ook minder leuke dingen.

Soms is de reis zwaar en een andere keer is het er heel erg leuk. Elke keer als je weer opnieuw op reis gaat, maak je weer nieuwe levenslessen mee.

Je gaat net zo lang op reis, totdat je alles gezien en meegemaakt hebt.

Soms maak je bepaalde leuke dingen meerdere keren mee, maar dat is omdat je dat nog graag wilt.

Zodra je genoeg gezien en geleerd hebt, mag je weer naar huis, en thuis is het Hemelrijk.”

Alba had gespannen naar de dolfijn geluisterd.

Zo had hij zijn leven nog niet gezien.

“Wat interessant! Dus mijn echte thuis is het Hemelrijk en van daaruit ga ik elke keer een reisje maken?

Net zoals wat ik nu doe, samen met jullie op reis gaan naar de warme wateren?”

De dolfijn knikte. Alba had het goed begrepen.

“Kom, laten we plezier maken”, zei de dolfijn en tikte Sanne met haar snuit aan.

“Tikkie, jij bent hem!” riep ze en zwom hard weg.

Ook de andere dolfijnen zwommen zo hard als ze konden alle richtingen op. Sanne wist wel dat ze niet zo snel kon zwemmen als de dolfijnen, maar ze probeerde

het toch.

Opeens voelde ze een paar sterke armen om haar middel. “Zo, nu gaan we ze eens laten zien dat ook jij heel erg hard kunt zwemmen”, zei een Water-Engel.

Hij duwde haar met een sneltreinvaart door het warme water heen en ze zwommen nu net zo snel als de dolfijnen.

Inmiddels werd de eerste dolfijn aangetikt en was af.

De dolfijnen, Sanne en de Water-Engel hadden zo’n plezier dat ze de tijd helemaal vergeten waren.

De zon was al bijna onder en de maan was al zichtbaar aan de horizon.

De walvissen lagen in een grote groep bij elkaar.

De dolfijnen lagen rond de groep walvissen en de Waterengelen sloten de kring af door elkaar bij de handen vast te houden. Ze begonnen al zachtjes te neuriën.

De dolfijnen zwommen snel naar hun groep en namen hun positie in. Sanne klom uit het water en ging naast Alba op de rug van de walvis liggen.

Alba was net als alle anderen al in diepe rust.

Dit was de tweede nacht dat de maan vol was en ze hoorde dat de Waterengelen harder gingen neuriën. Alba schrok wakker. “Wat is dat? Is er gevaar?!” en hij wilde al wegvliegen.

Sanne kon hem nog net bij zijn poot vastgrijpen.

“Sst, ga weer slapen Alba. Dat zijn de Waterengelen, ze neuriën ons naar het Hemelrijk.

Ik heb je er toch over verteld?”

Alba ging snel weer liggen.

Hij was het vergeten en keek het meisje nu een beetje schuldig aan. “Het spijt me Sanne”, zei hij zacht.

“Ga snel slapen Alba, het is tijd”, zei ze en ze aaide Alba even over zijn kopje.

Alba en Sanne gingen tegen elkaar aanliggen en vielen op het geluid van de Waterengelen in slaap.

Langzaam gingen Sanne en Alba naar het licht van de Hemelse sferen.

Ze gingen door verschillende kleuren en trillingen. Langzaam trok de mist op en kwamen ze aan in het Hemelrijk.

De Gouden-Engel stond hun al op te wachten.

Hij lachte blij, omdat hij het meisje weer zag.

“Wie heb je meegebracht?” vroeg hij aan Sanne.

“Dit is Alba de Albatros, hij was aankomen vliegen en hij was een beetje té nieuwsgierig.

Door zijn nieuwsgierigheid was hij te ver bij het land vandaan gevlogen, waardoor hij niet meer terug kon.

De walvissen en de Waterengelen hebben toen besloten dat hij maar met ons mee moest gaan.

Alba vindt dat niet erg.

Hij wil graag mooie dingen zien en heeft er, net als ik, altijd al van gedroomd.”

Lachend keek ze Alba aan. “Nu willen wij aan de Hoge-Engelen vragen of hij ook kieuwen mag hebben, net zoals ik ze heb gekregen.”

De Gouden-Engel wist eigenlijk allang dat Alba meegekomen was en hij keek Alba blij aan.

De vogel stond verlegen tegen Sanne aangeleund.

Met zijn kop keek hij nederig naar beneden en stond te trillen op zijn pootjes.

“Wat is er Alba?” vroeg de Gouden-Engel.

“Ben je soms bang?” Alba keek heel voorzichtig op naar de Gouden-Engel.

Zijn grote ronde ogen vulden zich met tranen.

“Maar Alba, waarom huil je nu?” vroeg de Gouden-Engel opnieuw. Alba begon weer te trillen op zijn pootjes.

Hij wilde iets zeggen, maar er kwam geen geluid uit zijn snavel. Sanne keek verbaasd naar haar nieuwe vriend. “Maar Alba, wat is er toch? Je bent zo’n vrolijke vogel?” Met betraande oogjes keek hij omhoog naar Sanne. “Ik….ik…. ben bang”, stotterde hij zacht.

De Gouden-Engel ging op zijn hurken zitten en pakte Alba heel voorzichtig op. Hij legde zijn hand op het hartje van de vogel en langzaam verdween de angst.

Er verscheen een glimlach op de snuit van Alba, waarna hij weer de oude Alba werd en honderduit begon te praten. Sanne en de Gouden-Engel moesten lachen.

“Het was de angst die hem in zijn greep hield.

Nu de angst weg is, kan hij weer zijn wie hij werkelijk is, de vrolijke Albatros!” zei de Gouden-Engel.

“Kom, laten we een mooie plek gaan bezoeken.

Deze plek heet ‘de Dieren-Hemel’.

Normaal gesproken gaan daar alle dieren naartoe, maar jij Alba, hebt ervoor gekozen om naar de Waterwereld te gaan. Het is in de Dieren-Hemel heerlijk vredig, maar er komt een tijd dat deze dieren weer terug moeten.

Hier worden ze op een nieuw leven op aarde voorbereid.”

Samen liepen ze de Dieren-Hemel binnen.

Geen enkel dier is hier hetzelfde als op aarde.

Hier is iedereen gelijk”, vertelde de Gouden-Engel.

Een slang kwam op hen afgekropen.

Alba ging toch maar voor de zekerheid achter de Gouden-Engel staan.

Hij wist dat sommige slangen een heel konijn op konden eten en hij was niet veel groter dan een groot konijn.

De slang lachte. “Welkom in onze wereld”, zei hij en kroop weer verder over het pad.

In de verte zagen ze een kudde olifanten.

Die begonnen gelijk te tetteren met hun slurf en te flapperen met hun oren, waarna ze in volle draf op hen af kwamen rennen.

Sanne en Alba gingen snel achter de Gouden-Engel staan, maar deze begon heel hard te lachen.

“Wat zijn jullie toch bang! Ik heb jullie toch verteld dat de dieren hier heel anders leven.

Hier in deze wereld is geen angst, geen haat en geen overleven. Iedereen is hetzelfde en alle dieren zijn lief.” De kudde olifanten kwam snel dichterbij, minderden vaart, en in een rustiger tempo liepen ze verder naar de Gouden-Engel toe.

Ze waren blij om hem weer te zien en gingen nu allemaal om hem heen staan.

“Zie je nu wel, ze zijn zo lief!” zei de Gouden-Engel blij. Langzaam kwamen Alba en Sanne achter de vleugels van de Gouden-Engel vandaan en begroetten de olifanten. Eén van de olifanten uit de groep begon te praten, terwijl hij Sanne aankeek.

“Zou jij op mijn rug willen komen zitten kleintje?

Dan zal ik je samen met mijn vrienden de Dieren-Hemel laten zien.”

Sanne keek de Gouden-Engel vragend aan, die al knikte dat het goed was.

Ook Alba mocht mee op de rug van de olifant.

“Gaat u ook mee?” vroeg ze aan de Gouden-Engel.

“Nee, ik heb nog wat te doen, maar ik zie jullie straks weer. De olifanten zullen jullie alles laten zien en ze brengen jullie op tijd weer terug.”

Sanne was blij dat ze de Dieren-Hemel vanaf de rug van de olifant mocht gaan zien en via de slurf klom ze op de rug van de olifant.

Alba vloog erachter aan.

Ze zaten nu heel erg hoog en konden alles overzien.

“Ik zal jullie gids zijn voor vannacht en zal jullie alles laten zien. Zijn jullie er klaar voor?”

Sanne en Alba zeiden volmondig ja.

De kudde kwam in beweging en de grootste olifant waar de twee op zaten liep voorop.

Ze zagen watervallen en blauwe meren, een regenwoud waar de meest kleurrijke vogels woonden en spinnen zo groot als Alba.

Wat hadden deze spinnen een plezier.

Ze sponnen draden en maakten daarvan dekentjes voor de muisjes die het in de nacht weleens koud hadden.

“Ze helpen elkaar”, zei Alba zacht tegen zijn vriendinnetje. “Dat klopt”, zei de olifant, “hier hoeven wij niet te eten.

Dus niemand hoeft te overleven en kan zijn zoals hij of zij echt is. De spinnen zijn echt heel bijzonder, zo behulpzaam en lief.”

“Zijn er ook minder lieve dieren hier?” vroeg Sanne.

De olifant moest even nadenken en antwoordde: “Hier zijn alleen maar lieve dieren en sommige dieren, zoals de spinnen zijn extreem lief.

Maar ook de ratjes, de slangen en de tijgers zijn heel erg lief.” “Dus als ik het goed begrijp zijn alle dieren die op aarde gevaarlijk waren, hier in de Dieren-Hemel heel erg lief?” vroeg Sanne. “Ja, dat klopt”, zei de olifant. Ondertussen waren ze bij de ijskappen aangekomen. “We blijven hier niet zo lang, het is voor ons hier ook te koud, dus we blijven maar heel even.”

Sanne en Alba zagen de ijsberen, poolvosjes, orka’s en andere lieve dieren.

“Alle dieren wonen hier op dezelfde plek die vergelijkbaar is met hun plek op aarde”, zei de olifant weer. Ze liepen nu snel weer verder, de warmere gebieden in.

“Kijk daar bij het strand!” zei de olifant en wees met zijn slurf naar een groep vogels.

“Dat zijn allemaal broers en zusters van jou Alba!

Als jij er niet voor gekozen had om naar de Waterwereld te gaan, was je hier naartoe gekomen.”

Alba zag dat de vogels het ontzettend naar hun zin hadden. Ze vlogen hoog de lucht in, om tenslotte diep de zee in te duiken.

Na een paar minuten kwamen ze weer boven water.

“Dat konden we op aarde niet”, zei Alba wat verbaasd. “Nu kan ik het nog steeds niet, omdat ik voor een andere wereld heb gekozen”, zei hij terwijl hij verdrietig naar de groep vogels keek.

“Misschien kun jij straks wel veel meer dan deze vogels”, zei de olifant.

 “De Gouden-Engel moest toch nog iets doen?

Misschien is hij wel datgene wat jij zo graag wil hebben, voor je aan het regelen.” Alba keek blij.

 “Ja, het is een grote wens van mij, om samen met de walvissen, dolfijnen en de Waterengelen de onder waterwereld te verkennen.”

“Nou wie weet”, zei de olifant en begon heel hard te lachen. “Kom, we gaan verder”, en ze liepen een andere wereld binnen.

Ze zagen een woestijn vol met kamelen, slangen, schorpioenen en woestijnvosjes.

Wat een prachtig gezicht was dat.

Langzaam liepen ze voorwaarts.

De zon brandde fel op hun huid.

“Ook hier blijven we niet te lang”, zei de olifant weer. Langzaamaan werd de grond waarop de kudde liep groener en kwam het water in zicht.

De warmte nam iets af, hier was de temperatuur erg aangenaam.

“Dit is de Savanne”, zei de olifant trots.

“Hier leven wij.

Gelukkig kent deze wereld geen droge periodes en hoeven wij niet van de ene waterplaats naar de andere te lopen. Nu is er altijd water te vinden, maar we hoeven het niet meer te drinken.

We kunnen hier met de andere dieren die hier leven spelen.

Kijk daar! Een groep gazelles!” Sanne en Alba keken hoe de groep gazelles in een sneltreinvaart voorbij rende. “Mooi om te zien hè?” zuchtte de olifant.

“Kijk daar, een leeuw met zijn leeuwinnen.

Ze liggen te luieren onder een grote boom.”

In de boom lagen ook een paar panters te genieten van de zon. En boven in de boom zat een grote groep vogels. Sanne en Alba keken hun ogen uit.

“Het is hier echt Hemels”, zei Sanne en Alba knikte.

Hij had nog nooit zoiets moois gezien.

“Kom, ik ga jullie terugbrengen.

Ik denk dat de Gouden-Engel al op jullie zit te wachten”, zei de olifant. Via een prachtig landschap vol naaldbomen kwamen ze bij de stromende riviertjes aan, waar ze grote beren met zalmen zagen spelen die vanuit het water opsprongen.

Ze speelden een bepaald spel en hadden veel plezier. Sanne en Alba genoten.

Opeens vloog er een uil over hun hoofden heen die hen kwam verwelkomen.

Langzaam liepen ze het bos weer uit en waren ze weer bij het begin van deze wonderlijke excursie.

De Gouden-Engel stond hun inderdaad al op te wachten. “Het is tijd”, zei hij tegen Sanne en Alba.

“Het zal spoedig licht worden.”

Snel namen ze afscheid van de kudde en bedankten hen voor de mooie reis. “Kom snel nog eens langs”, riep de kudde hen na. Sanne keek de Gouden-Engel vragend aan, want daar zou ze natuurlijk wel zin in hebben, als het mocht. “Natuurlijk gaan we nog eens naar de Dieren-Hemel, maar eerst gaan we terug.”

Ze liepen naar de poort waar iedereen door naar binnen kwam en ook weer uit vertrok.

“Doe je ogen dicht”, zei de Gouden-Engel, nadat hij hun beiden had omhelsd. “Dit was de laatste volle maan.

De volgende keer zal ik jullie een andere wereld laten zien, maar nu moeten jullie eerst terug.”

Sanne en Alba deden beiden hun oogjes dicht en langzaam werden ze weggetrokken uit het Hemelrijk.

Ze sliepen nog een tijdje door op de rug van de walvis, totdat ze opeens wakker werden door het geluid van een grote fontein van water.

“Wakker worden!” riep de walvis blij.

“Ik weet dat jullie een lange reis hebben gemaakt vannacht, maar we moeten nu vertrekken.”

Sanne en Alba wreven hun ogen uit en keken om zich heen. Alle walvissen, dolfijnen en Waterengelen keken hun lachend aan.

“Kom we moeten opschieten, anders zijn we te laat om de onder waterwereld te bezoeken!” riep een Water-Engel. Alba keek Sanne verschrikt aan.

“Ik heb nog geen kieuwen!” Sanne keek bezorgd.

“Laat me eens kijken, misschien heb je ze wel gekregen en is het een verrassing.”

Snel keek ze aan de zijkant van Alba’s kopje, veegde wat veren opzij en begon te lachen.

“Ja hoor, je hebt vannacht kieuwen gekregen!

Je kunt vandaag met ons mee.”

Alba voelde met zijn vleugels en inderdaad, er zaten twee kleine schelpjes aan weerskanten van zijn kop.

Met een flinke boog dook hij in het water.

Sanne dook snel achter hem aan en ze zwommen onder de groep walvissen door.

Ze zagen vissen die in de diepere lagen van het water zwommen, en zagen zeepaardjes en prachtige koralen. Sanne zwom weer naar de oppervlakte met Alba achter zich aan. Toen ze boven kwamen lachten ze en waren ze zo blij dat ze elkaar omhelsden.

“Zijn jullie er klaar voor?” vroeg de walvis.

“Klaar voor jullie eerste onder waterreis?”

Vol ongeduld knikten ze van ja.