“Vaak, als ik onder de walnotenboom lig en de zon door het bladerdak zie schijnen, moet ik aan jou denken.
Dan zie ik ons samen hier onder de boom zitten en we zeggen niets tegen elkaar.
Nee, we kijken alleen maar.
We zien de schoonheid van de natuur.
We kijken de buizerd na die overvliegt en zien de vuurvliegjes die hier een korte periode in onze tuin te zien zijn.
We zuchten allebei, want het is stil in ons.
We hebben geen gedachten.
We hebben geen oordeel naar elkaar toe.
We voelen ons één en verbonden met alles om ons heen.
In deze wereld zal ik je weer ontmoeten.
In deze wereld mag je hier bij mij zijn.
Want ik nodig je uit om, wanneer je dit tijdelijke leven voor het eeuwige verruilt, naar mij toe te komen.”