Een vrouw zit op haar bank. Ze kijkt voor zich uit.
Haar gedachten zijn verdoofd, haar hart is gebroken en ze huilt zachtjes.
Zoveel leed, zoveel kwaad, zoveel onmacht.
Deze donkere dagen zijn het moeilijkst, vond ze.
Het gemis, de eenzaamheid, dit vreselijke verdriet dat ze in zich meedraagt, is haast ondragelijk geworden.
Ze wil hem eigenlijk nog even vasthouden, nog eenmaal zeggen: “Bedankt voor wat je voor ons hebt gedaan.”
Nog één keer zeggen: “Ik hou van jou.”
En haar tranen gleden uit haar ogen over haar gerimpelde wangen naar beneden.
Een jonge man keek door het raam naar buiten.
Hij zag de voedertafel met daarop de mussen.
Elke dag probeerde hij de ekster met nootjes uit te nodigen om dichterbij te komen.
Maar zijn gedachten waren bij degene die niet meer bij hem was.
Hij zuchtte en voelde hoe zijn hart werd dichtgeknepen.
Hij droogde met de mouw van zijn trui zijn betraande wangen en zuchtte opnieuw.
Een man stond voor een graf.
Het was het graf van zijn dochter.
Hij viel op zijn knieën en hield zijn handen voor zijn gezicht.
Hij schreeuwde: “Waarom...!”
Een zachte wind gleed langs zijn gezicht.
Hij keek op en voelde de energie van zijn dochter dichterbij komen.
Hij wist dat zij nu bij hem was.
Heel even sloot hij zijn ogen en probeerde stil te zijn in zijn gedachten.
Heel in de verte hoorde hij haar stem.
“Ik hou van je, pap...”
Een klein meisje keek naar de plek in de kamer.
De plek waar haar hondje altijd zijn mandje had staan.
Het was nu al enige weken geleden dat ze samen met papa en mama haar beste vriend hadden laten inslapen.
Hij was ook zo ziek geweest.
Ze miste hem.
Haar hartje was gebroken en ze wilde zo graag dat hij nog één keer terugkwam.
Ze huilde zachtjes.
Er stond een man naast de vrouw die op de bank zat.
Hij keek verdrietig op haar neer.
Hij ging naast haar zitten en hield haar hand vast.
Zij zag hem niet...
Hij probeerde haar te troosten.
Hij probeerde haar aan het lachen te maken.
Hij probeerde haar te bereiken.
Maar ze hoorde hem niet.
Haar gedachten waren verdoofd en haar hart was gebroken.
In de nacht, als ze sliep, nam hij haar met zich mee.
Ze zag hem en voelde zijn liefde.
Ze dansten en maakten een wandeling door het Hemelse park.
Ze waren gelukkig en ze voelde dat ze hier altijd wilde blijven.
Bij het afscheid nemen zei hij: “Geniet nog even van dit leven.
Je hebt nog zoveel liefde in je.
Ik zal je ophalen als jouw tijd is aangebroken.
Weet dat ik vaak bij je ben en dat ik ontzettend veel van je hou.
In de nachten kom ik je opzoeken en dan dansen we tot de zon weer opkomt.”
Hij liet haar los en met een glimlach op haar gezicht werd ze wakker.
Een oude man stond naast zijn zoon.
Hij zag dat de eksters elke dag dichterbij kwamen.
Zijn zoon en hij hadden een goed contact, ook al woonde hij nu in de Hemelse sferen.
Elke dag kwam hij even langs om hem gedag te zeggen.
Hij streelde het gezicht van zijn zoon.
“Kom op, jongen. Je weet toch dat ik bij je ben!”
Er verscheen een glimlach door zijn tranen heen.
“Dank je, pap...”
Het meisje sliep.
Ze was nu in Zomerland.
Het land waar alle kindertjes naartoe gaan in hun slaap.
Ze speelde met haar hondje.
Ze rende over de heuvels en samen maakten ze plezier.
Ze sloeg haar armen om hem heen en kuste zijn snuit.
En ze maakten de hele nacht plezier...
