Er was eens een jongen en hij was zo bang.
Hij moest steeds huilen als hij aan zijn angst dacht, de angst waar hij zo vreselijk mee zat.
Op een dag nam zijn vader hem mee naar buiten.
"Wat is er toch met je, jongen? Je bent de laatste dagen zo verdrietig. Wil je het mij vertellen?"
De jongen schudde ontkennend zijn hoofd.
"Maar waarom dan niet? Je bent zo verdrietig. Dat kan toch niet altijd zo blijven? Vertel me wat er aan de hand is."
De jongen keek zijn vader met tranen in zijn ogen aan.
"Ik... ik... ben bang, papa."
"Maar waarvoor, mijn jongen?"
"Ik... ben bang... ik ben bang dat jij doodgaat."
Het hoge woord was eruit.
De jongen sprong zijn vader in de armen en huilde dikke tranen.
Vader was wat geschrokken.
"Het is goed, jongen. Huil maar..."
Toen de jongen was uitgehuild, zette zijn vader hem weer op de grond en samen liepen ze de tuin in.
"Zie jij die vogel daar op het hek zitten?"
Vader keek zijn kind aan, dat nog wat nasnikte.
"Ja, papa."
"En zie jij ook die papa-vogel in de boom? Kijk, hij zit recht boven zijn jong."
De jongen keek en zag de twee vogels zitten.
"Maar wat heeft dat ermee te maken dat ik bang ben dat jij straks doodgaat?"
"Dat zal ik je vertellen, zoon.
Zie je dat de papa-vogel zijn kindje heel goed in de gaten houdt?"
De jongen zag het, knikte en keek zijn vader weer met betraande ogen aan.
"Kom, spring eens op mijn rug. Dan proberen we wat dichterbij te komen."
De jongen sprong bij zijn vader op de rug en heel voorzichtig slopen ze in de richting van de vogels.
Ze bleven weer staan achter een walnotenboom.
Zo waren ze goed beschut.
"Kijk, mocht er iets met mij gebeuren en wij elkaar moeten loslaten in dit leven, en jij zo bang en verdrietig bent, weet dan dat ik van boven altijd meekijk.
Ik zal over je waken en je beschermen, zodat je altijd veilig zult zijn.
Ga, als je verdrietig bent, naar buiten en kijk naar de vogels.
Herinner je dit moment.
Het moment dat je bij mij op de rug zat en ik jouw angst en verdriet toen ook droeg."
Vele jaren later was vader er niet meer.
Een jonge man keek door het raam.
Hij was verdrietig.
In een opwelling deed hij zijn jas aan en liep naar buiten, de tuin in.
Hij ging onder de walnotenboom zitten die zijn vader nog geplant had.
Toen zag hij een jonge vogel op het hek zitten.
Hij keek naar boven en zag daar zijn vader in de hoogste top van de boom zitten.
De herinnering van jaren geleden kwam terug.
De jongeman glimlachte door zijn tranen heen.
"Ja, pap, ik heb het onthouden."
