Ze waren al op tijd weggegaan.
Een oude man en vrouw stonden hand in hand op het perron.
Vandaag gingen ze hun dochter ophalen.
Ze hadden ernaar uitgekeken elkaar na lange tijd weer terug te zien.
Het zou een lange en spannende dag worden, dat wisten ze al.
In de verte kwam de stoomtrein al aan.
Het oude stel leunde heel even naar voren om te kijken.
Grote rookwolken vulden het stationnetje.
De oude man was gekleed in een prachtig zwart pak en zijn zwarte vlinderstrikje was keurig gestrikt.
De oude vrouw was nog even naar de kapper geweest en haar haren zaten keurig netjes.
De jurk die ze aanhad was lichtblauw van kleur.
Ze hield haar tas, met daarin haar zakdoekjes, dicht tegen zich aan.
De trein was tot stilstand gekomen.
De deuren gingen open en de oude man hielp zijn vrouw met instappen.
De vrouw lachte liefelijk naar hem.
Ze zochten een mooi plekje dicht bij het raam en wachtten geduldig af totdat de trein weer zou gaan rijden.
De conducteur blies op zijn fluitje en de deuren gingen dicht.
De locomotief gaf met een fluitsignaal aan dat ze gingen vertrekken.
Langzaam reed de trein het station uit.
Steeds sneller en sneller ging de trein.
De oude man en vrouw keken naar buiten.
De man had zijn ene been over het andere gelegd en rookte een sigaretje.
De oude vrouw tegenover hem had haar handtas op haar schoot gezet en frummelde wat met haar zakdoek.
Het was een mooie reis en ze zagen veel prachtige landschappen aan zich voorbijtrekken.
Na een lange reis bereikten ze hun eindbestemming.
De passagiers stapten uit en liepen ieder hun eigen kant op.
De oude man en vrouw keken even om zich heen, op zoek naar waar ze moesten zijn.
Eindelijk, daar was het.
Ze gingen een gebouw binnen en liepen de kamer in waar hun kind op hen lag te wachten.
Ze lag in een ziekenhuisbed en was heel erg ziek.
Het zou nu niet lang meer duren voordat ze over het lijden heen zou zijn.
Vader en moeder gingen aan weerszijden van haar bed staan.
Hun dochter was niet meer in staat haar ogen open te doen, maar haar ziel was bezig het fysieke lichaam los te laten.
Nu kon ze haar vader en moeder zien en een omhelzing volgde.
De dochter keek naar haar eigen lichaam en voelde geen pijn of verdriet.
Ze voelde zich licht en vrolijk.
Ze keek naar haar man, die naast haar bed op een stoel zat.
Hij hield haar hand vast en liet die niet meer los.
Het duurde niet lang of daar verscheen ook een lieve Engel.
Hij keek naar het gezelschap dat aanwezig was en legde een hand op de schouder van de man die naast het bed zat.
Er kwam rust in zijn lichaam.
Hij wist dat het nu snel voorbij zou zijn.
De Engel knipte het koord door dat nog aan het fysieke lichaam vastzat.
Daar zweefde ze.
Ze was vrolijk, blij en vrij.
Maar haar vader en moeder wilden dat ze nog heel even wachtte met juichen.
“Je hebt in je aardse jaren mensen pijn gedaan.
Wij gaan eerst bij deze mensen langs.
Je wilt ze toch niet met een rotgevoel achterlaten?
Kijk...”
zei vader en er verscheen een situatie die zijn dochter al die tijd heel anders had ingeschat.
Deze situatie was helemaal niet gegaan zoals zij had gehoord of gedacht.
“Oh, wat erg!” zei ze tegen haar vader.
“Wat een verdriet.
Heb ik deze mensen dat allemaal aangedaan?
Hoe kan ik dit oplossen?”
“Je kunt naar ze toe gaan en oprecht zeggen dat het je spijt.
Vertel hun ook dat je het nu, nu je hier bent, allemaal anders inziet.”
De dochter deed direct wat haar werd gevraagd.
De persoon tegen wie zij sprak voelde iets en begon te huilen.
“Hij voelt het nu,” zei vader.
“Kom, er zijn nog veel meer mensen die wij even gaan bezoeken.”
Zo vloog de vrouw van hier naar daar.
Ze ging bij iedereen een keer langs.
Ze ruimde op wat opgeruimd mocht worden en zo nu en dan maakte ze grapjes bij degenen die haar aanwezigheid voelden.
De vrouw vond het heerlijk.
“Kom...” zei haar vader.
“Ze nemen afscheid van je.
Kijk maar...”
De vrouw zag zichzelf in de kist liggen en de vele mensen die ze kende waren verdrietig.
Ze vond het moeilijk, want nu was ze juist zo gelukkig.
Ze was bijna thuis.
De uitvaart was voorbij en bekenden gingen naar huis.
“Is er nog iets wat je zou willen doen voordat we teruggaan?” vroeg haar vader.
Zijn dochter knikte.
Ze ging naar haar man en aaide hem nog heel even over zijn haar.
“Dag, mijn lieverd. Ik zal vaak bij je zijn.”
Ze gaf hem een kus op zijn betraande wang.
Heel even ging er een golf van energie door hem heen.
Hij glimlachte door zijn tranen heen.
En daar was opeens het licht.
Met zijn drieën keken ze naar boven.
“Dit is het licht dat je weer thuis zal brengen.
Ga je mee?” vroeg moeder.
Hun dochter keek naar boven.
De lichtstralen waren zo helder, zilver- en goudkleurig.
Ze nam een sprong en samen met haar ouders werd ze thuisgebracht door dit schitterende licht.
“Welkom thuis, mijn kind,” zei vader en ze omhelsden elkaar.
Hun dochter was zo dankbaar voor dit leven, zo dankbaar voor deze reis.
Ze bedankte iedereen die ze liefhad.
Maar ze bedankte ook degenen die ze niet had liefgehad.
Want van hen had ze het meeste geleerd.
