Een man zat op een bankje in het bos. Hij had net zijn vrouw verloren en zat voor zich uit te staren naar de bomen.
Hij zat daar niet alleen. Nee, hij zat naast een man die, net als hij, zijn vrouw had verloren. Ze kenden elkaar niet, maar ze hadden veel met elkaar gemeen. Aan de andere kant van de man zat nog iemand. Ook hij had zijn vrouw verloren.
Met zijn drieën zaten ze naar de bomen in het bos te staren.
De man in het midden stond op en liep weg. Hij had genoeg gezien en was nog steeds niet rustig geworden. Hij had gehoopt dat de rust van de bomen hem weer tot bezinning zou kunnen brengen, maar de onrust was gebleven.
Ook de mannen links en rechts van hem stonden op en liepen naast hem verder.
De man in het midden slenterde over de bospaden, maar hij had geen oog voor de beide heren naast hem. Hij was in zichzelf gekeerd en hield zich niet bezig met wat er om hem heen gebeurde. Luisteren naar de vogels en het zien van de konijntjes op zijn pad; hij had er geen oog of oor voor.
Met zijn drieën slenterden ze naar de rand van het bos.
De man in het midden was met de auto gekomen. Hij had deze bij de ingang van het bospad geparkeerd.
Hij opende zijn portier en de mannen links en rechts van hem gingen achterin zitten. Zelf nam hij plaats achter het stuur.
Hij stak de sleutel in het contact, schakelde en reed langzaam weg. De auto begon wat te slingeren. De man was te emotioneel om nog goed door zijn betraande ogen te kunnen zien.
De beide mannen achterin riepen en probeerden hem aan te raken, maar hij voelde en hoorde hen niet.
Met een klap kwam de auto tot stilstand.
De man achter het stuur sloeg met zijn hoofd tegen het stuur en raakte bewusteloos.
De beide mannen achterin zagen wat er was gebeurd. Ze zagen de geest van de man uit zijn lichaam opstijgen.
Beiden liepen naar hem toe en vertelden dat ze al die tijd bij hem waren geweest. Ook vertelden ze dat ze hem hadden willen waarschuwen, maar dat hij hen niet had gehoord.
De man was verbaasd. Hij had hen helemaal niet opgemerkt en toch hadden ze naast hem op het bankje en achter in de auto gezeten.
De twee mannen leken precies op hem. Ze waren hetzelfde.
“Maar hoe kan dit?” vroeg de man.
“Ik ben uw verleden,” zei de man links van hem. “Ik ben uw angst, uw pijn en uw verdriet. Alles wat u heeft meegemaakt zit in mij.”
“En ik ben u in het heden,” zei de man rechts van hem. “Ik ben niets. Ik heb geen pijn, geen verdriet. Ik heb niets en ben nog helemaal leeg. Dat zal ik altijd blijven.”
De man begreep niet goed waarom ze hier waren.
“Luister,” zei de man van het verleden. “Wij zijn bij jou omdat je nu een nieuw leven tegemoet gaat. Een leven zonder je vrouw.
Je zult alles opnieuw moeten ontdekken.
Maar het is aan jou met wie van ons je dat wilt doen. Wil je met het verleden verdergaan of met het heden?”
De man was nog niet overtuigd.
De man uit het heden kwam naar hem toe.
“Kijk,” zei hij, “wij zijn allebei u. Maar het verleden is altijd bij u geweest. Hij ving alle angsten op. Hij was er als u verdriet had. Hij heeft alle mooie, maar ook alle pijnlijke herinneringen voor u opgeslagen en aan u teruggegeven wanneer u ernaar vroeg.
Maar u heeft nu een ongeluk gehad en straks gaat u terug. U zult wakker worden in het ziekenhuis.
De vraag aan u is: wilt u het verleden mee terugnemen of alleen het heden?”
De man keek de beide mannen aan.
De één kent al mijn mooie en gelukkige tijden, maar ook mijn knagende verdriet, angst en terugkerende pijn.
De ander zal ervoor zorgen dat ik die angsten en pijnen niet meer hoef te voelen, omdat ze tot het verleden behoren en nu niets meer voor mij kunnen betekenen. Dat zou betekenen dat mijn leven zonder angst, verdriet en pijn verdergaat.
De man dacht er even over na.
Hoe zou dat zijn?
Hij had geen idee. Maar hij wist wel hoe het voelde om het verleden met zich mee te dragen.
Nee, dat wilde hij niet meer.
De man keek het verleden aan en zei:
“Ik wil u bedanken voor alle mooie herinneringen. Ik wil u ook bedanken voor alle pijn, verdriet en angst die u mij heeft laten zien. Maar nu heb ik ze niet meer nodig.
Ze behoren tot het verleden.”
De man uit het verleden knikte. Hij wist dat deze beslissing genomen zou worden en hij was blij voor hem.
Hij liep naar de man toe en zei:
“Je zult je alles blijven herinneren, maar je zult de pijn die eraan vastzat nooit meer hoeven te voelen. Het zal een prachtig leven worden. Luister goed naar het heden en geniet van je nieuwe leven.”
De beide mannen gaven elkaar een hand en namen afscheid.
De man van het heden lachte.
“Wat heerlijk. Je zult straks wakker worden met het gevoel alsof je een dikke winterjas hebt uitgetrokken. De herinneringen blijven, maar alle pijn is verdwenen.
Die heb je niet meer nodig. Dat was het verleden.
Je leeft nu in het heden en alleen wat er nu gebeurt is belangrijk.
Er is geen verleden en er is geen toekomst.”
De beide mannen stonden naast elkaar en sloten hun ogen.
Plotseling scheen er een fel licht in hun gezicht.
Ze openden hun ogen weer.
Een lachende verpleegster begroette hen met een stralende glimlach.
“Welkom terug, meneer.”
En ze wisten het allebei.
Er wachtte hen een nieuw avontuur.
