Opeens stond hij stil op straat.
Hij keek om zich heen en zag daar zijn eigen lichaam liggen.
Langzaam draaide hij zich om en bewoog zich naar zijn gewonde lichaam. Hij bukte zich en duwde even tegen zijn eigen lichaam aan. Er zat geen beweging meer in.
Hij stond weer op en keek om zich heen.
Van alle kanten waren er mensen op het stille lichaam afgekomen. Ze zagen hem niet.
Hij liep om de menigte heen en aaide mensen over hun haren. Niemand merkte hem op.
Hij maakte gekke gebaren en probeerde hen aan het schrikken te maken. Maar niemand kon hem zien.
Op een afstandje keek hij naar wat zich allemaal bij zijn lichaam afspeelde.
Gek, hij had er helemaal geen binding meer mee.
Nee, hij was nog steeds zichzelf, alleen anders.
Het was lichter.
Hij bewoog zich nu stukken sneller dan in het lichaam dat op straat lag.
Weer keek hij naar het tafereel dat zich voor hem afspeelde.
Toen kwam er een vrouw naast hem staan.
Hij kneep in haar arm en de vrouw verroerde zich niet.
Hij maakte haar lange haar in de war en nog steeds vertrok de vrouw geen spier.
Hij ging voor haar staan en stak zijn tong uit. Hij trok de gekste gezichten die hij zich maar kon bedenken en de vrouw deed net alsof ze hem niet zag.
Toen de jongeman zijn laatste gekke gezicht trok, keek ze hem opeens streng aan.
De jongeman schrok zich kapot en begon te stotteren:
“U... u... kunt mij zien?”
De vrouw keek hem strak aan.
“Ja, natuurlijk kan ik jou zien. Ik ben niet zoals hen.”
Ze keek naar de mensen die om het levenloze lichaam heen stonden.
“Ik kan de mensen zien die zijn overgegaan en jij bent de jongeman die daar op de grond ligt.”
De jongeman keek naar zijn lichaam en knikte.
“Ik weet dat jij het bent. Ik heb je uit je lichaam zien lopen en ik heb je al die tijd in de gaten gehouden. Maar er wachten mensen op jou die graag afscheid van je willen nemen.
Ik kom je helpen,” zei de vrouw.
Samen namen ze afscheid van de mensen die hij zo liefhad en zijn verdriet was groot.
“Wacht, ik zal je wat vertellen,” zei de vrouw.
“Je kunt later altijd terugkomen en dan via hun liefdevolle gids met hen praten.
Ze zullen niet alles verstaan, maar ze zullen jouw aanwezigheid voelen.”
De jongeman was blij en knikte.
Hij had het begrepen.
“Kom, ik breng je nu naar huis.”
Opeens verscheen er uit het niets een licht.
Het licht werd feller en feller en opeens was er geen wereld meer, maar één groot veld van licht.
Midden in dat licht stond een man.
“Hij zal jou begeleiden, net zoals ik heb gedaan,” zei de vrouw.
“Ga naar hem toe en ik weet zeker dat wij elkaar weer zullen zien.”
De vrouw en de jongeman namen afscheid van elkaar.
Hij liep naar de man in het witte licht.
Bij iedere stap die hij zette, sloot de tunnel van licht zich een beetje verder, totdat er uiteindelijk nog maar één ster overbleef.
De vrouw deed haar ogen open.
Ze stond op en deed de kaars uit.
Ze had een verdwaalde ziel naar huis gebracht en bedankte het universum voor wat ze vandaag had mogen doen.
