*** De oude wijze vrouw ***

Het was koud buiten; het had de afgelopen nacht gevroren. De ramen waren van binnenuit bedekt met een laagje ijsbloemen. Een jonge vrouw bracht haar vingers naar de bevroren bloemen op het raam en raakte ze voorzichtig aan. Door de warmte smolt het ijs.

Wonderlijk vond ze het dat Moeder Natuur ook zo haar liefde in ijs aan ons toonde. Ze maakte met haar hand een stukje van het raam schoon, zodat ze naar buiten kon kijken.

De zon kwam al op en de dauw op de bomen en planten was veranderd in een laagje ijs. Er hingen ijspegels aan het dak en het water in het meer was veranderd in een dikke laag ijs. Daar zou vandaag wel op geschaatst gaan worden.

De jonge vrouw schoof de gordijnen wat verder open en liet zich weer in haar warme bed zakken. Ze kroop nog even onder de warme dekens en liet de eerste zonnestralen door het raam over haar gezicht glijden. Door de warmte van haar dekens en de zonnestralen die op haar gezicht schenen, viel ze weer in een diepe slaap.

Plotseling zat ze op een grote steen. Deze steen lag bij een meer. De zon scheen en mooie, grote wolken dreven door de lucht. Het water en de planten werden door de wind in beweging gebracht.

Ze bekeek alles om zich heen en ontdekte dat ze hier helemaal alleen zat. Ze voelde de warmte van de zon en begroette hem met een lach. De wind streelde haar gezicht; deze was zo zacht en lief. De wolken die voorbij dreven, keek ze nieuwsgierig na.

“Waar zouden ze naartoe gaan?” zei ze zachtjes tegen zichzelf.

Ze woelde met haar voeten in het zand. Ook Moeder Aarde begroette haar met haar warmte. De vogels zongen hun liederen en ook hen begroette ze.

De omgeving aan het meer straalde rust uit. Een rust die zo bij je naar binnen kwam, die je blij kon maken, maar ook verdrietig.

De jonge vrouw was blij. Ze genoot van alles wat er om haar heen gebeurde. Ze bleef een tijdje op de steen zitten en keek vol blijdschap om zich heen. Ze voelde de zon, de wind en de aarde, terwijl ze de wolken voorbij zag drijven.

Opnieuw vroeg ze zichzelf af:

“Waar zouden die wolken naartoe gaan? Misschien weten de wolken zelf ook niet waar ze naartoe gaan. Ze worden ook maar gestuurd door de wind. Net als wij mensen; wij moeten ook maar afwachten wat er op ons pad komt.”

De jonge vrouw ging staan en keek nog eens om zich heen. In de verte zag ze een klein huisje staan. Ze zocht het pad dat naar het huisje leidde. Na wat zoeken had ze het smalle paadje gevonden en begon ze het te volgen.

Tijdens het lopen keek ze goed om zich heen. De bomen waren hier prachtig groen, een kleur groen die ze nog nooit had gezien. De kleuren van de natuur waren hier veel mooier en zuiverder. De geuren die ze rook waren sterk; ze rook iedere boom en bloem en herkende de bloemen en bomen waar ze langs liep.

Al die geuren samen brachten haar in een stemming van blijdschap en liefde.

De vogels zongen nog steeds prachtige liederen en de kikkers en krekels lieten zich nu ook luidruchtiger horen.

De avond begon in te vallen en het huisje kwam steeds dichterbij. Net voordat het donker werd, kwam ze bij het huisje aan. Het was een mooi huisje en achter het raam brandde licht.

De jonge vrouw keek naar binnen en zag een oude vrouw aan een tafel zitten. De vrouw keek op, alsof ze haar aanwezigheid had gevoeld.

Ze glimlachte naar de oude vrouw en deze stond op. De deur ging open en een paar prachtige ogen keken de jonge vrouw aan.

“Ik had je al verwacht,” zei de oude vrouw. “Kom gauw binnen, het begint al kouder te worden.”

De jonge vrouw stapte het kleine huisje binnen en keek in het rond. Het was er warm en knus.

Een kaars op tafel brandde met een prachtig wit licht. Het oude vrouwtje lachte naar haar en bood haar een stoel aan. Ze ging zitten en de oude vrouw zette een warme beker kruidenthee voor haar neer.

Ze ging tegenover de jonge vrouw zitten en keek haar nog steeds glimlachend aan.

“Ik laat alles aan jou na. Dit huis, mijn tuin, mijn liefde voor mens en dier. Ik had al gezien dat jij dezelfde liefde als ik in je draagt. Jij mag in mijn huis wonen, jij mag uit mijn tuin eten en jij mag ieder mens of dier dat dit huisje vindt, helpen met liefde.

Liefde voor de God en Godin, liefde voor de wereld waarin wij leven, liefde voor hun eigen ziel, liefde voor alles.

Mijn werk zit erop.”

De vrouw stond op en deed haar jas aan. Een jas van zuiver wit satijn.

Ze deed de deur open en liep naar buiten.

 

Nog één keer keek ze om en glimlachte...