Heel lang geleden woonde er in een heel mooi land een kleine eenhoorn. Dit kleine eenhoorntje was erg brutaal. Hij wilde nooit luisteren naar zijn vader en moeder en ging altijd zijn eigen weg.
Hij woonde in het Elfenrijk en daar was geen gevaar. Dus wat kon hem gebeuren?
Op een dag was hij weer brutaal. Hij luisterde opnieuw niet naar zijn ouders en liep door het Elfenrijk. Dit keer wilde hij verder lopen dan alle keren daarvoor.
Hij ging wat sneller lopen. Hij zag de bergen die hij gisteren ook had gezien en ja, bij die waterval was hij ook al geweest.
Steeds verder en verder liep het eenhoorntje, totdat hij op een plek kwam waar hij nog nooit was geweest.
Hij was aan de rand van het Elfenrijk aangekomen.
Alles was er dor en minder groen. Nergens zag hij meer die glinsterende gloed waar het Elfenrijk zo bekend om stond. Nergens waren bloemen. Hij hoorde geen vogels, geen krekels en de vlinders die hem altijd vergezelden, fladderden ook niet meer om hem heen.
Het was één kale en dorre vlakte.
Er hing een grijze waas voor de zon en het begon te regenen.
In het Elfenrijk regende het alleen “s nachts, als iedereen sliep. Dan was alles “s morgens weer heerlijk fris. Maar dit had het eenhoorntje nog nooit gezien.
Als hij goed keek, zag hij in de verte een groot bos.
Zo eigenwijs als het eenhoorntje was, wilde hij naar dat bos toe.
Hij zette het op een rennen en vloog over de vlakte, totdat zijn beentjes vast kwamen te zitten in het zand.
Hij probeerde los te komen, maar het lukte niet.
Hij worstelde en schreeuwde. Hij probeerde ergens houvast te krijgen, maar hoe meer hij bewoog, hoe vaster hij kwam te zitten.
Daar zat hij dan, vast in het zand.
Hij zag dat het al donker begon te worden.
Het eenhoorntje werd bang.
Hij met zijn grote mond altijd.
Waarom luisterde hij nooit naar zijn vader en moeder?
Waarom moest hij altijd zijn eigen ding doen?
Het eenhoorntje had spijt.
Hij had er zo'n spijt van dat hij ongehoorzaam was geweest.
Het werd nacht.
Sterren en een mooie maan zag hij hier niet.
Het eenhoorntje begon te huilen.
Dikke tranen liepen over zijn snuitje en vielen op het zand.
Het zand werd nat en begon door al die tranen een meer te vormen.
Het eenhoorntje had dat niet in de gaten. Hij was alleen maar verdrietig.
Hij jammerde steeds dat hij zo”n spijt had en dat hij het nooit meer zou doen.
En hij huilde maar door.
De hele nacht.
Toen het ochtend begon te worden, zag het eenhoorntje wat hij met zijn tranen had gecreëerd.
Een grote plas water, zo groot als het IJsselmeer.
Aan de oevers zag hij prachtige rietkragen groeien. Het water glinsterde in de opkomende zon. Prachtige waterlelies groeiden in het heldere water en watervogels die hij nog nooit had gezien, zwommen hem voorbij.
Het eenhoorntje probeerde zijn benen los te krijgen, maar zijn benen zaten niet meer vast.
Hij zwom naar de kant en keek onderweg zijn ogen uit.
Toen hij de oever bereikte, stonden daar zijn vader en moeder.
Een oude Elf zat op de rug van zijn vader.
Ze zeiden niets, hielpen hem uit het water en keken naar wat het kleine eenhoorntje had gecreëerd.
“Papa, mama, het spijt me zo dat ik niet naar jullie heb geluisterd. Ik was zo bang vannacht en ik zat vast in het mulle zand. Toen moest ik heel erg huilen en toen de zon opkwam, zat ik midden in mijn eigen gecreëerde tranenmeer.”
De oude Elf stapte af en liep naar het kleine eenhoorntje toe.
“Kom, wij brengen je weer naar huis terug.”
Langzaam liepen ze met z’n vieren terug naar het Elfenrijk.
Maar wat het eenhoorntje niet wist, was dat hij het land aan de andere kant van de werkelijkheid een klein stukje mooier en liefelijker had gemaakt.
