*** Johannes de Boskabouter ***

Het was koud en een klein mannetje stond in zijn huisje te bibberen van de kou. Al zijn hout was op en hij had geen nieuwe voorraad aangelegd om deze koude winter door te komen.

Het was best moeilijk om zo alleen te wonen in het grote bos.

Hij was weggevlucht uit zijn dorp. Hij kon daar niet meer wonen. Hij voelde zich beschaamd. Alle andere kabouters lachten hem uit en hij merkte wel dat ze achter zijn rug om over hem spraken. Hij voelde dat, alsof ze met kleine naalden in zijn rug zaten te prikken.

Op een dag kon hij er niet meer tegen. Hij pakte zijn spullen, laadde ze op zijn kruiwagen en reed ermee het dorp uit.

Alle andere kabouters kwamen uit hun huisjes om te kijken wat hij aan het doen was. Er waren nog enkelen die hem volgden, maar na een dag was hij helemaal alleen.

Eindelijk rust...

Maar nu was het winter en het hout dat hij bij elkaar had gesprokkeld, was niet genoeg.

Hij had eerst zijn huisje moeten bouwen en een tuintje moeten aanleggen en bewerken. Al zijn tijd was daarin gaan zitten.

Het mannetje keek weer naar buiten.

Het had gesneeuwd.

Met dit weer was het nog moeilijker om houtjes te sprokkelen.

Hij liep naar de kapstok, deed zijn jas en warme bontlaarsjes aan, pakte zijn roodfluwelen mutsje en zette het op zijn hoofd.

Daarna opende hij de deur en liep naar buiten.

Met zijn zaag zaagde hij oude takken van kleine boompjes af en sprokkelde hij de dennenappels bij elkaar die hij onder de sneeuw vond.

Zo vulde hij zijn kruiwagen.

Hij had plezier in dit werkje en floot een aardig deuntje. Dit deuntje had hij ooit op school geleerd.

Opeens schrok hij en draaide zich met een ruk om.

Hij keek recht in een paar grote blauwe ogen.

Een prachtig kaboutervrouwtje keek hem lachend aan.

‘Wie ben je?’ vroeg het vrouwtje.

Het mannetje was verbaasd, begon wat te stotteren en zei:

‘Ik ben Johannes. Johannes de boskabouter.’

‘Dag Johannes,’ zei het vrouwtje. ‘Wat ben je aan het doen?’

Johannes keek naar zijn kruiwagen.

‘Ik ben hier net komen wonen. Ik heb nog geen tijd gehad om genoeg houtjes bij elkaar te sprokkelen. Maar wie ben jij?’

‘Ik ben Marietje. Ik woon even verderop in het dorp. Wat doe jij helemaal alleen hier in het bos? Waarom woon je niet bij de andere kabouters in het dorp?’ vroeg het kaboutervrouwtje.

Johannes keek droevig.

‘Ik was verliefd op een meisje en dat wist ze. Ze pestte mij daarmee. Op een dag wist het hele dorp het. Dat meisje had iedereen opgestookt. Ze lachten mij uit en joelden mij na. Toen heb ik mijn spullen gepakt en ben ik met mijn kruiwagen weggegaan.’

Het vrouwtje was ontroerd en pakte even zijn hand vast.

Er ging een schok door deze twee lieve kaboutertjes.

Ze keken elkaar aan en hun wangetjes kleurden zo rood als appeltjes.

Op slag werden ze verliefd op elkaar.

Zonder nog iets te zeggen liep het vrouwtje met hem mee om takjes te sprokkelen.

De dagen daarna kwam ze elke dag bij hem op bezoek. Telkens bleef ze een paar uurtjes langer, totdat ze uiteindelijk niet meer wegging.

En elke dag liepen ze samen het bos in om houtjes te sprokkelen.

Een grote uil boven in een boom had alles gadegeslagen en keek met een tevreden blik naar beneden.

Er was nieuw geluk geboren.