Een oude vrouw keek uit het raam. Ze was de laatste tijd niet zo lekker geweest. Ze had pijn en ze moest vaak huilen. Vaak keek ze naar buiten en dan kwamen alle oude herinneringen voorbij. Soms waren dat leuke herinneringen, maar vaak waren ze minder leuk. Ze vond het moeilijk om al die verdrietige dingen weer te zien nu ze zo ziek was. Liever had ze deze allemaal in een doosje gedaan en onder in de kast gelegd. Maar helaas kon dat niet.
De oude vrouw keek weer door het raam naar buiten. Ze zag de vogels die in het gras op zoek waren naar voedsel. De oude vrouw kreeg het koud en sloeg een warme deken over haar schoot. De kachel brandde zachtjes op de achtergrond en langzaam viel de oude vrouw in slaap.
Opeens schrok ze wakker. Naast haar stond een vrouw, een mooie jonge vrouw. Ze had lang rood haar dat tot haar heupen reikte. Ze had een groene jurk aan, gemaakt van een stof die ze nog nooit had gezien.
“Ga je mee?” vroeg de jonge vrouw, terwijl ze de oude vrouw haar hand reikte.
De oude vrouw stond op van haar stoel en pakte haar hand vast. Wat was deze vrouw prachtig. Ze keek haar ogen uit.
“Luister,” zei de jonge vrouw, “wij gaan op reis. Ga je mee? Laat mij het werk doen en kijk goed om je heen.”
De oude vrouw knikte en wachtte af wat er komen zou.
Langzaam gingen ze naar beneden. Het leek net alsof alles wat er was opzij schoof. Ze gingen door de vloer van haar huis, zo de grond in. De oude vrouw kon alles goed zien. Het was net alsof er overal lampen hingen. Zo licht was het onder de grond, maar er hingen geen lampen.
Langzaam gingen ze door verschillende lagen zand.
“Prachtig om te zien hoeveel lagen Moeder Aarde heeft, vind je niet?” vroeg de jonge vrouw.
De oude vrouw was onder de indruk van wat er met haar gebeurde. Ze voelde de energie van al die lagen, lagen van eeuwen en eeuwen geleden.
“Ja, onze Moeder is al heel oud, maar nog jong vergeleken bij de andere planeten,” legde de jonge vrouw uit.
Langzaam gingen ze verder. Het vuur kwam nu in zicht. Grote lavastromen gingen ze voorbij en langzaam trokken ze verder.
Opeens hoorde de oude vrouw kinderstemmetjes.
De oude vrouw keek de mooie vrouw geschrokken aan, maar die begon op haar beurt te lachen.
“Welkom in de Binnenwereld,” zei ze vrolijk lachend. “We zijn er!”
Een deur ging open en een prachtig groen landschap kwam tevoorschijn. Meteen kwamen er kinderen aangerend.
“Wil jij met ons spelen?” vroegen ze de oude vrouw.
De oude vrouw schudde haar hoofd.
“Ach, ik zou zo graag willen spelen, maar ik ben oud en ziek. Het zal niet gaan.”
De kinderen begonnen allemaal hard te lachen.
“Nee hoor! Je bent niet ziek en oud al helemaal niet.”
“Kom,” zei de jonge vrouw, en de oude vrouw volgde haar.
Toen ze bij de waterkant aankwamen, bukten ze beiden en keken in het heldere water. De oude vrouw was weer een kind en de jonge vrouw was nu oud.
“Ik draag nu jouw zieke, oude lichaam, zodat je nog heel even kind kunt zijn. Ga! Ren en speel, geniet van het kind zijn en heb plezier.”
Het meisje rende naar de andere kinderen en de oude vrouw ging op een bankje zitten. Ze had een glimlach op haar gezicht toen ze naar haar spelende kind keek.
Binnenkort gaat ze haar weer halen, maar dan voorgoed. Dan mag ze altijd spelen en kind zijn.
De oude vrouw sloot haar ogen en met een schok werd ze wakker. De vogels vlogen weg. De kachel was uitgegaan en de deken lag op de grond.
Maar ze wist dat ze vrij was, vrij om naar huis te gaan.
