*** Wereld zonder doel ***

Opeens stond hij daar, in een wereld die hij nog nooit had gezien. Prachtige bomen in vele tinten groen stonden parmantig en trots aan de oever van een rivier. Het water was helder en als je goed keek, zag je de vissen heen en weer zwemmen.

Er hing een oase van rust over deze wereld. De jongen, die deze wereld zojuist was binnengestapt, keek zijn ogen uit. In de verte zag hij een bankje staan en hij besloot daar naartoe te lopen.

Onderweg zag hij vlinders, groot en klein. De vogels die vrolijk voor hem uit vlogen, wezen hem de weg. Zo nu en dan zag hij het hoofd van een hert nieuwsgierig boven het struikgewas uitkomen. Het was een prachtige wereld.

De paddenstoelen die langs het pad stonden, waren rood en geel van kleur. En als hij goed keek, zag hij de kleine bewoners van deze prachtige creaties. Ook zag hij de elfjes heen en weer vliegen. Ze lachten voortdurend en dat zorgde ervoor dat de sfeer prettig aanvoelde.

De jongen was nu bijna bij het bankje. Nog één bocht en dan was hij er. Langzaam werd het donker. De zon verdween en de maan verscheen. Het zilveren licht bescheen de rivier en de bladeren van de bomen.

Het laatste stukje duurde langer dan hij had gedacht, maar hij had zich geen seconde verveeld. Hij had konijntjes gezien en lieve roofvogels die voor hem uitvlogen. De krekels zongen samen met de kikkers een duet. Alles was hier zo heerlijk.

Opeens bleef de jongen staan. Hij bedacht zich dat het idee om naar het bankje te lopen hem alleen maar een onderliggende onrust had gegeven. Waarom wilde hij daar nu zo graag heen? Dacht hij soms dat daar meer te zien was dan onderweg?

Het was het bankje dat aangaf: “Dit is de mooiste plek, hier moet je naartoe.”

De jongen keek om zich heen. Alles is hier prachtig. De reis naar het bankje is heerlijk, maar moet er altijd een doel zijn? Of is de weg ernaartoe niet veel mooier dan het doel zelf?

De jongen begon weer te lopen. De maan verdween en de zon verscheen. De elfjes waren vroeg wakker en vlogen druk en lachend in het rond. De vogels vlogen weer voor hem uit en de kleine bewoners van de paddenstoelen openden nieuwsgierig hun deurtjes om te zien wie er voorbij kwam lopen.

De jongen ging de bocht door en daar stond het bankje. Het was een heerlijke plek. Hij kon de rivier van deze kant goed zien en ook de bomen aan de oevers.

Hij ging op het bankje zitten en overdacht zijn vraag nogmaals. Opeens stond er een prachtige vrouw naast hem en ze begon tegen hem te praten:

“Het is leuk om een doel te hebben, maar vaak is de reis ernaartoe nog mooier. Als het doel bereikt is, dan is er geen reis meer. Vaak komt dan de onrust terug en wordt er weer een nieuw doel gecreëerd. Zo begint de reis opnieuw.

Je kunt ook de doelen weglaten, dan blijft alleen de reis over. Onderweg gebeuren dan de spannendste dingen en vervelen zul je je nooit.”

De jongen keek blij; het antwoord sprak hem aan. Hij had genoten van de reis. Nu hij het doel, het bankje, had bereikt, moest hij opstaan en gewoon deze wereld opnieuw binnenstappen en genieten van zijn reis.

De mooie vrouw knikte en gaf hem een ketting met daaraan een sleutel.

“Nu kun je altijd de deur openmaken naar deze wereld.”

En ze gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.

“Welkom, mijn lieve jongen!”

De jongen keek op, maar de mooie vrouw was al verdwenen. Hij keek in het rond en vervolgde zijn pad. Hij had geen doel en geen verwachtingen. Met een open geest stapte hij de wereld zonder doel binnen.

 

En het was de mooiste reis van zijn leven.