De Donkere sferen 2.

Net als de vorige keer kwamen de Engelenwachters ons ophalen om ons te begeleiden naar de sferen onder het licht.

De professor ging voorop.

Samen daalden we opnieuw af, en zoals altijd zou de bel die ons beschermde pas om ons heen verschijnen zodra we de sferen zouden bereiken die niet meer veilig waren.

We daalden met elkaar af naar een sfeer die net boven de laatste donkere laag lag.

Natuurlijk vond ik het spannend.

De vorige keer had ik een blauwdruk gezien waarin mensen én monsters leefden.

Toen die blauwdruk werd weggenomen, zag ik dezelfde wereld weer, maar dan zonder monsters: alleen mensen, alsof het een middeleeuwse wereld was met kleine huisjes, diepe armoede en slavernij.

Ik vroeg me af of deze wereld veranderd zou zijn, en of je de zon nog door de zware mist heen zou kunnen zien schijnen.

Toen we diep genoeg waren afgedaald, verscheen opnieuw de beschermende bel om mij heen.

We stonden nu op de rand van deze wereld, en ik merkte dat het hier al iets lichter was.

Dat gaf me een goed gevoel.

Toen iedereen klaar stond, verschenen de Engelenwachters om ons heen en begonnen we te reizen.

Fijn dat niemand ons hier kon zien, zo konden we ongestoord alles in ons opnemen.

 

We gingen eerst naar de zee en zagen dat de zon hier iets meer licht gaf.

Niet veel, maar toch probeerde ze lichtbollen over het land te laten rollen.

Slechts een paar bereikten het land.

Waar zo’n bol landde, groeide een bloem of verscheen een prachtige boom.

Hier en daar zag ik ze staan: kleine eilandjes van schoonheid, die een vredig contrast vormden met de wereld eromheen.

Toen zag ik een klein meisje lopen.

Ze had lang vuil haar vol klitten, geen schoenen en een gerafeld jurkje.

We volgden haar en zagen dat zij veel bewuster was dan de mensen om haar heen.

Ze knielde bij een bloem neer en bekeek hem van alle kanten.

Toen ze hem wilde aanraken, boog de bloem opzij.

Hij wilde niet aangeraakt worden.

Toch plukte het meisje hem zonder erbij na te denken van zijn steeltje en nam hem mee naar huis.

 

De huizen waren hier nog steeds armoedig.

Het vuil droop van de muren en ratten liepen door de straten.

Er stonden nog altijd fabrieken, maar nu waren het de mannen die daar werkten.

De bazen waren geen lange wezens met lange jassen meer, maar gewone mensen.

De ene mens bleek hier de baas over de andere te zijn geworden, zelfs in deze hemel.

Ik zag weinig verschil met de donkerste laag die ik eerder had gezien.

Het was enkel een fractie lichter.

De professor keek me aan.
“Ik weet dat je hier weinig verschil ziet met onze vorige reis,” zei hij, “maar het is er wel.

We zijn nog op de rand van deze donkerste sfeer.

Ik wil je laten zien hoeveel er in één sfeer kan veranderen.

Iedere sfeer in de hemel heeft meerdere lagen.

De vorige keer lieten we je, nadat de blauwdruk verwijderd was, de laag zien die het dichtst bij de blauwdruk ligt. Nu reizen we langzaam door de tussensferen heen naar boven.”

We reisden verder, iets omhoog, als een soort lift getrokken door het licht.

Al snel kwamen we in een lichtere wereld terecht.

Meteen zag ik meer bloemen en bomen.

En ik hoorde kraaien.

Dit was de eerste sfeer waar vogels voorkwamen.

Ik was blij, want vogels zijn vrije geesten die overal heen mogen reizen.

Er was meer kleur, meer gras, meer struiken.

De huizen waren nog steeds hetzelfde, maar ze voelden vriendelijker.

Mannen werkten nog steeds in de fabrieken, vrouwen deden de was.

Als je hier zou komen, mama, zou je nooit denken dat dit een beeld van de aarde was.

Ze leefden bijna precies zoals op aarde, als een kopie.

Ik vroeg de professor waar de oorlogen waren.
Hij glimlachte. “Die zijn hier ook, maar die laten we je niet zien.

Raketten, kogels, bommen… ze maken kabaal, maar brengen geen schade toe.

Ze blijven maar schieten, maar het levert niets op.”
“Gaat de sfeer dan niet stuk?” vroeg ik verbaasd.
Hij lachte zacht.

“Nee jongen. In de donkerste hemelsferen kunnen ze anderen wel pijn doen, maar niemand doden.

En als een raket een stukje sfeer beschadigt, herstelt die schade meteen.

Net zoals een gat dat je graaft in deze grond vanzelf weer dichtgroeit als je niets doet.”

Ik begreep langzaam dat oorlog hier zinloos was, maar de mensen wisten dat zelf nog niet.

Toen zag ik opnieuw een klein meisje.

Ze zat op de grond en liet het zachte gras door haar vingers glijden.

Het was een mooi gezicht, en het deed me denken aan mezelf toen ik de hemel voor het eerst zag.

 

We gingen verder omhoog en kwamen in de volgende sfeer.

Het licht hier was vergelijkbaar met een bewolkte dag op aarde: zacht, maar aanwezig.

De zon was hier duidelijk te zien, en op het strand zag ik dat de lichtbollen moeiteloos het land bereikten.

De bloemen en bomen waren hier veel talrijker, de vogels zongen in de bomen.

De huisjes waren nog steeds hetzelfde, maar er stonden nu bloemen voor de ramen en witte gordijntjes.

De mannen werkten niet meer in fabrieken maar op het land.

Ook vrouwen en kinderen hielpen mee, maar op een rustige, vreedzame manier.

Het deed me denken aan een boerendorp van vroeger.

 

“Dit is de eerste sfeer zonder oorlog,” zei de professor.

“De mensen die begrepen dat oorlog voeren hier zinloos is, mochten direct naar deze laag.

We laten je maar een klein deel zien, maar het geeft goed weer hoe het bewustzijn hier gestegen is.”

We stegen opnieuw op en bereikten de laatste sfeer van deze wereld.

Het was prachtig groen. De bloemen en bomen straalden in het zonlicht.

De kleine huisjes waren verdwenen; in hun plaats stonden paleizen, kastelen en grote boerderijen.

Ik herkende deze sfeer meteen.

Dit was de sfeer waar ik in het begin was geweest, waar ik gezien had hoe een man een hele boerderij had gecreëerd.

De beschermende bel verdween; hier was hij niet meer nodig.

Ik keek vragend naar mijn Engel en de professor.
Hij lachte. “Ja jongen, ik weet wat je wilt vragen.

Je ziet nu dat de onderste sfeer helemaal niet zo groot is.

Het is één sfeer met verschillende lagen, maar de lichtwerelden daarboven zijn veel groter.

De mensen hier zijn veel bewuster geworden.

Ze weten dat oorlog en geweld niet bij de mens horen.

Toch zullen er altijd enkelen zijn die macht zoeken.

Je hebt gezien dat de armen vaak bewuster zijn dan de rijken.

Zij zien wat ze níet willen worden; dat is deel van hun ontwikkeling.”

Hij legde haar hand op mijn hoofd.
“Jesse, vanaf nu mag je de lichtwerelden gaan bezoeken.

Daar valt zoveel meer te ontdekken.

Ben je klaar om samen met je moeder het grote avontuur aan te gaan?”

Ik lachte en knikte. Natuurlijk was ik er klaar voor.
Mama, ben jij het ook?

Ik was blij dat de donkere lagen niet zo groot bleken te zijn.

Ik kon niet wachten om met jou te reizen en dat jij alles op zou schrijven wat ik hier mocht zien.

We bedankten de Engelenwachters en de professor.

Samen gingen we terug naar onze eigen sfeer.

Ik wilde alles even verwerken en ging in het gras liggen.

Ik keek naar de hemel en stelde me voor dat er wolken en regenbogen waren.

En opeens, boven mij, verschenen kleine wolkjes met kleine regenbogen die hen met elkaar verbonden.

Ja… zo moest de wolkenwereld eruitzien.
Misschien moeten we daar eens een verhaal over schrijven.