De Schemersfeer

Mama, ik wil je vertellen wat mensen 'de schemersfeer' noemen.

Samen met mijn Engel ben ik naar de bibliotheek geweest.

We voelden allebei dat we klaar waren voor een nieuwe reis.

Zodra we de bibliotheek binnenstapten, had een professor al een boek voor ons klaargelegd.

“Ga zitten, Jesse,” zei ze.

“Vandaag neem ik je mee naar een sfeer die heel belangrijk is, maar waar nog weinig over bekend is.

Mensen die er iets van weten, houden zich vaak vast aan slechts één laag.

Wat jij op aarde de schemersfeer hoort noemen, is in werkelijkheid veel meer dan dat.”

Zij sloeg het boek open.

Ik zag een afbeelding van de planeet aarde.

Langzaam begon deze te bewegen en we kwamen steeds dichterbij.

Het voelde een beetje alsof je van de maan naar de aarde reist, maar dit keer zag ik iets bijzonders: rondom de aarde lagen verschillende lagen, verschillende sferen.

“Wat je hier ziet, Jesse,” zei de professor, “zijn verschillende sferen waaraan zielen verbonden zijn.

Er is hier geen sprake van hoog of laag in de betekenis van beter of slechter, maar het lijkt wel alsof er meerdere lagen zijn.

Al deze sferen samen vormen één geheel.”

 

Ze dacht even na en vervolgde: “Het is moeilijk uit te leggen, jongen.

Zie het als een stapel pannenkoeken. Onderin ligt de aarde.

Alle lagen eromheen vormen samen één laag, maar als je ze los van elkaar bekijkt, zie je dat er dertien lagen zijn.

Dertien sferen waarin zielen verblijven, tenminste, een deel van hen.”

“Dit noemen we de blauwdruk,” ging ze verder.

“In deze blauwdruk ligt alles vast wat er op aarde is gebeurd, van begin tot eind.

Wat zich in het begin heeft afgespeeld, ligt in de bovenste lagen.

De ziel die aan het opruimen is, ruimt ook zijn eigen blauwdruk op.

Deze blauwdrukken zijn bedoeld voor mensen die bijna klaar zijn, met het aardse leven.

Zij nemen hun blauwdruk van de aarde met zich mee.

“Maar,” zei ze terwijl ze verder wees, “er zijn nog twaalf lagen.

Daar bevinden zich de blauwdrukken van mensen die nog ervaringen op aarde verwerken, zoals relaties, moederschap en vele andere levenslessen.

Hoe meer iemand heeft onderzocht en opgeruimd, hoe hoger hij in deze blauwdruk komt.”

 

Ze keek me aan en zei zacht: “Er zijn ook zielen die nog niet zijn teruggekeerd naar de hemel.

Zij bevinden zich in de onderste lagen, dicht bij de aarde.

Dat heeft niets te maken met on-bewustzijn of een gebrek aan liefde.

Nee, dit is vooraf afgesproken. Ook dit is een ervaring die de ziel wil meemaken.

Straks ga jij op reis,” vervolgde ze.

“Je wordt beschermd door de Engelenwachters en samen gaan we door de lagen heen.

Je zult zien dat het niet zo eng is als mensen erover vertellen of schrijven.

Het is een ervaring die bij de ziel hoort.”

Ze glimlachte. “Kom,” zei ze zacht, “zullen we gaan?”

 

Ik stond op en voelde spanning door mijn hele wezen.

Tijdens mijn eerdere reis terug naar de hemel had ik verschillende zielen gezien die nog aan de aarde vasthielden.

Ik had zelfs de monsters gezien uit de laatste lagen nabij de aarde, monsters die waren gecreëerd door meesters van de onderste lagen in de hemel.

Eigenlijk bestaan ze niet werkelijk, maar toch is er een blauwdruk waarin ze leven.

Ik vroeg me af of we hen opnieuw zouden tegenkomen.

De professor had mijn gedachten opgepikt.
“Ja,” zei ze zacht, “ook hen gaan we bezoeken. Maar deze groep is heel klein.

De meesten zijn al opgelost en verdwenen, omdat de ziel zijn eigen blauwdruk heeft opgeruimd, zijn eigen demonen heeft losgelaten en door het licht van God is getransformeerd tot liefde.”

Ze vervolgde: “Het is een creatie van de mens.

Het kan niet langer blijven bestaan en lost langzaam op.”

“Kom,” zei ze daarna, “we moeten opschieten. De Engelen staan al klaar.”

 

We liepen de bibliotheek uit naar buiten.

Daar stonden dezelfde Engelenwachters op ons te wachten.

Ze maakten een lichte buiging.

Eén van hen keek me glimlachend aan, kwam naar me toe en zei: “Welkom terug, Jesse.

We gaan een interessante reis maken.

Een reis waar nog maar weinig echt over bekend is, maar die zeker de moeite waard is om te verkennen.”

Hij wenkte dat ik met hem mee moest gaan.

Samen liepen we naar de rand van onze sfeer.

De professor knipte met haar vingers en er ontstond een tunnel van licht.

Dit was anders dan de tunnels die ik eerder had gebruikt om van sfeer naar sfeer te gaan.

Het deed me denken aan een autotunnel, maar dan volledig van licht.

We stapten naar binnen.

Het licht was fel, maar werd zachter naarmate we verder liepen.

De wanden waren doorzichtig.

Het voelde vreemd om de hemel te verlaten.

Ik keek om me heen en zag de kosmos, het universum en ik zag dat er niet één universum was, maar velen.

Ik kon het nauwelijks geloven.

Wat is ons bewustzijn toch beperkt vergeleken met wat ik hier zag.

Ik wilde er alles over weten, maar de professor glimlachte en zei:
“Daar gaan we de volgende keer over schrijven, Jesse.

Geniet nu van de reis en van de sferen die rondom de aarde liggen.”

 

Ze had gelijk, mama. Alles is zo anders dan wij het ons altijd hadden voorgesteld.

Je valt van de ene verbazing in de andere.

De tunnel waarin we ons bevonden, verplaatste zich razendsnel.

Lopen hoefde niet meer.

Het was alsof we in een lichtbuis zaten die ons met grote snelheid door het licht zelf vervoerde.

Ik keek mijn ogen uit.

Ik zag hoe we ons universum binnenvlogen en hoe de verschillende sterrenstelsels aan ons voorbijtrokken.

Het voelde overweldigend om dit allemaal te mogen zien.

Toen besefte ik hoe beperkt mijn waarneming nog was, zelfs nu ik in de hemel ben.

Er is zóveel meer te zien en te ontdekken.

Mijn Engel lachte zacht en zei: “Je zal elke dag met je moeder schrijven en haar vertellen wat je hier ziet.

Maar zelfs dan zal er niet genoeg tijd en ruimte zijn om alles te beschrijven.

Daarom laten we je eerst het belangrijkste zien: de sferen waar mensen op aarde een voorstelling van hebben gekregen.”

Ik knikte.

 

Ik zag ons sterrenstelsel dichterbij komen.

De zon verscheen, met de planeten en hun manen die om elkaar heen draaiden.

Het voelde opnieuw een beetje alsof ik terugging naar de aarde.

En vreemd genoeg voelde dat ook fijn.

Het terug naar de aarde gaan gebeurt wanneer ik bij jou ben op een heel andere manier, daar zal ik later over vertellen.

Maar nu leek het echt alsof we de aarde opnieuw naderden.

Toen we dichterbij kwamen, zag ik wat wij als mensen de dampkring noemen.

Ik begreep ineens dat dit ook de bovenste laag van de blauwdruk is.

Ik keek hier nu met andere ogen, ogen die de sferen kunnen zien en hierover kunnen vertellen.

Net boven de dampkring stopte de tunnel van licht.

Boven ons opende hij zich en de Engelenwachters zorgden ervoor dat we opnieuw in een lichtende bel konden stappen die zich om ons heen sloot.

De professor keek me aan en zei: “We beginnen hier.

We verlaten deze laag en dalen langzaam door de lagen naar beneden.

We blijven nergens heel lang, maar wel lang genoeg om er iets over te kunnen vertellen.

Ben je er klaar voor, Jesse?”

Ze glimlachte en voegde eraan toe: “O ja, tijdens deze reis mag je vragen stellen.

Ik zal je alles vertellen wat hierover verteld mág worden.”

Ze knikte bemoedigend.
“Kom,” zei ze zacht, “de reis gaat beginnen.”

 

We waren allemaal omgeven door een lichtende bel van waaruit we konden reizen.

We waren onzichtbaar en konden het proces van de zielen niet verstoren.

Zo daalden we langzaam naar beneden.

De eerste blauwdruk die we tegenkwamen, bevatte geen zichtbare zielen.

Toch voelde ik de ervaringen die nog ingezien mochten worden.

Niet sterk, maar wel duidelijk aanwezig.

“Je zal merken, Jesse,” zei de professor, “dat hoe lager we komen, hoe meer zwaarte je gaat voelen.

Dit is de zwaarte van zielen die nog aan de aarde verbonden zijn, en van zielen die nu in de hemel zijn, maar hun blauwdruk hier hebben achtergelaten, zodat ze deze in een volgend leven kunnen opruimen.”

Ze keek me aan.
“Het zal voelen alsof je weer even de Jesse bent die nog op aarde leefde.

Ik zal je helpen als het te zwaar voor je wordt.”

Ik knikte. Het was vreemd om de emoties van anderen te voelen.

Voor het eerst sinds lange tijd merkte ik dat ik weer verdriet voelde.

De professor kwam naar me toe, verbond haar lichtbel met de mijne en raakte me zacht aan.

Ook mijn Engel verbond zich met onze lichtbel.

We stonden nu met z’n drieën in één grote bel van licht.

“Misschien is dit te vroeg voor je, Jesse,” zei ze zacht.

“Het is nog niet zo lang geleden dat je de aarde hebt verlaten.

Daarom reizen we voor nu samen.”

Het voelde meteen rustiger.

Het verdriet verdween en ik keek weer met andere ogen naar de aarde, zoals ik dat vanuit de hemel kon doen.

De bovenste lagen bestonden uit blauwdrukken. Hier reisden we snel doorheen.

Maar in de vierde laag van onderen zag ik voor het eerst zielen.

Zij hadden de aarde niet verlaten zoals ik dat had gedaan, maar leefden nu in het onzichtbare.

“Wat je hier ziet,” zei de professor, “zijn de vier laagste sferen, dicht bij de aarde.

De zielen die hier zijn, zijn hier niet zomaar. Ze hebben hier bewust voor gekozen.”

Ze vervolgde: “Het is ingewikkeld, maar de aarde bevindt zich in een tijd van transformatie.

Zielen hebben een beperkte tijd om mee te transformeren.

Dat betekent dat ze niet alle levens één voor één hoeven te leven, maar de kans krijgen om ervaringen in een versneld tempo te doorleven.

Veel van die ervaringen liggen al opgeslagen in hun blauwdruk,” ging ze verder.

“Deze zielen hebben ervoor gekozen om niet opnieuw op aarde te leven, maar hier, in deze sferen rond de aarde, hun blauwdruk op te schonen.

Zo hoeven ze niet meer terug te keren naar de aarde, of ervaren ze het laatste deel op een andere planeet.

Dit zijn dus geen dolende zielen,” zei ze nadrukkelijk.

“Dit zijn sterke zielen, die bewust aan zichzelf werken.”

 

Ik keek haar aan en vroeg: “Maar hoe doen deze zielen dat?

Ze zijn geen aardse mensen meer. Ze zijn… wat wij op aarde dood noemen.”

“Dat klopt,” zei de professor. “Maar ze kunnen reizen door de tijd.

Ze kunnen hun eigen blauwdruk binnengaan, net zoals wij dat nu doen.

Zo kunnen ze zien wat ze anderen hebben aangedaan en kunnen ze samen met hun Engel delen van hun blauwdruk veranderen.

Op die manier kan de ervaring die ze met een ander hebben opgedaan worden losgelaten.”

Ik vond het moeilijk om me hier een voorstelling van te maken.

De professor glimlachte en zei: “Ook jij kunt terugkeren naar jouw blauwdruk, Jesse.

Om te zien wat je nog hebt achtergelaten en wat nog opgeruimd mag worden.”

Langzaam begon ik te begrijpen wat ze me wilde vertellen.
Als alle ervaringen van de mens zijn opgeruimd, is niet alleen de mens vrij van dualiteit, maar ook de aarde zelf.

Ik moest alles even op me in laten werken.

Het was veel om te bevatten.
Toen vroeg ik: “Maar hoe zit het dan met de oorlogen die op aarde zijn geweest?

Als een belangrijke ziel in de geschiedenis teruggaat en alles opruimt, is zo’n oorlog dan ook opgelost?”

De professor schudde haar hoofd.
“Nee, Jesse. Oorlogen zijn iets groots.

Zolang er nieuwe zielen naar de aarde komen, zal er oorlog zijn.

Maar wanneer soldaten eenmaal zijn overgegaan, willen zij in een volgend leven vaak opnieuw soortgelijke ervaringen opdoen, juist om op te ruimen.”

Ze vervolgde: “Soldaten die voor het eerst op aarde zijn, vechten vaak voor macht, status en geld.

Maar hoe meer levens een ziel als soldaat of krijger heeft gehad, hoe bewuster hij wordt.

Zo ontstaan er verschillende soorten soldaten.

De één vecht nog vanuit een jonge ziel die macht zoekt, terwijl de ander vecht voor vrede.

Ook bij hen vindt een bewustzijnsverandering plaats tijdens hun aardse reizen.”

 

Ze keek me aandachtig aan. “Jij bent ook een krijger geweest, Jesse.

In de Eerste Wereldoorlog ontdekte je dat je niet langer op die manier wilde strijden.

Je levens waarin je vocht voor een land of een ander waren voorbij.

Daarom had je in dit leven een ander gevecht: je vocht tegen jezelf.

Net zoals veel mensen dat nu op aarde doen.

Ook jij hebt, net als deze zielen, de kans gekregen om op te ruimen wat je hebt achtergelaten,” zei ze.

“En je mag deze ervaringen doorgeven, zodat iedere ziel gaat inzien hoe belangrijk het is om zijn eigen blauwdruk op te ruimen.”

Ik dacht na.

Voordat ik Jesse werd, was ik inderdaad een jonge jongen geweest die in de Eerste Wereldoorlog had geleefd.

Ik voelde nieuwsgierigheid naar wie hij was geweest.

“Kom,” zei de professor, “we gaan verder.”

 

We zweefden door de lagen en ik zag een ziel die verdwaald leek.
“Wat je hier ziet,” zei ze, “is iemand die is overleden.

Het is schrikken als je verwacht naar de hemel te gaan en daar niet direct aankomt.”

Ze legde uit: “Je merkt dat je overal naartoe kunt reizen: naar plekken waar je nooit bent geweest, maar ook naar dierbaren die je hebt achtergelaten.

Er is nog angst, er zijn emoties.

Deze zielen krijgen nu de kans om te reizen en op te ruimen.

Veel van hen,” vervolgde ze, “mogen eerst even proeven van deze sfeer.

Later worden ze opgehaald door het licht, zoals vooraf afgesproken.

Ook hier beginnen zielen niet meteen met opruimen.

Ze moeten eerst wennen.

Tussen verschillende levens kunnen ze steeds langer in deze sferen verblijven.

De langste tijd die een ziel hier blijft, is ongeveer honderd aardse jaren.

Daarna is het stoffelijke lichaam volledig vergaan en wordt de ziel door het licht opgehaald.”

 

Toen moest ik denken aan de donkere demonen die ik had gezien kort na mijn aardse dood.

Ik had gezien hoe ze rondom mensen hingen en hen beïnvloedden.

De professor stuurde de lichtbel waarin wij zaten naar een man op aarde die zo’n entiteit bij zich droeg.

Het wezen had zich vastgeklampt aan zijn aura.

De man was innerlijk aan het vechten.

Hij wilde het goede, maar deed vaak het tegenovergestelde.

“Wat je hier ziet,” zei de professor, “heeft ieder mens in één of meerdere levens meegemaakt.

Door alle ervaringen die een ziel opdoet, komen ook minder mooie gedachten naar boven.

Je kunt dit zien als het ego dat de overhand krijgt.

Het is geen deel van de ziel zelf; de mens heeft het gecreëerd.

Het geluk dat de mens op deze manier nastreeft, kan niet echt blijven bestaan,” ging ze verder.

“Voordat een ziel verder kan reizen in de lichtwerelden, zal zij zich moeten ontdoen van haar eigen gecreëerde monsters.

Daarvoor,” zei ze zacht, “moeten mensen en zielen opruimen wat ze hebben achtergelaten.

Een klein kind moet ook eerst zijn speelgoed opruimen voordat het iets anders kan gaan doen.

Zo kun je dit zien.”

Ze keek me aan. “Alles draait om zelfbewustzijn en verantwoordelijkheid.

Dat geldt voor een individuele ziel, maar ook voor landen, en zelfs voor hele continenten.

 

De oorlogen van lang geleden hebben nog altijd een actieve blauwdruk.

Aan die blauwdruk zijn zielen verbonden, maar ook landen en continenten.

“Kijk, Jesse,” zei de professor.

We bevonden ons nu in Frankrijk, bij Normandië.
“Wat je hier ziet, is de invasie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Landen van ver buiten dit continent namen hieraan deel.

Deze blauwdruk is nog steeds actief.”

Ze vervolgde: “Je moeder heeft hier een verhaal over geschreven. De Hemelse Brigade

Zij voelde deze blauwdruk ook.

Ze voelde dat veel zielen die hier zijn gesneuveld, nog altijd aanwezig zijn.

Vanuit deze sfeer strijden ze nog steeds voor vrijheid.

Ze hebben al veel opgeruimd in hun eigen blauwdruk,” zei ze zacht, “maar de vrijheid die zij hebben ervaren, kunnen ze niet zomaar overbrengen op dit land of dit continent.

Ze zullen binnenkort door het licht worden opgehaald.

Dan zijn hun aardse ervaringen voltooid.”

Ik zag militairen bij een graf staan,  zwaar, maar licht tegelijk, half transparant.

 

Ik had al vaker zielen naar het licht zien gaan, vooral in de eerste week dat ik nog rond de aarde zweefde.

Pas na het aardse afscheid mocht ook ik naar de hemel.

Het is een prachtig gezicht: het licht dat ineens fel opstraalt, de Engelen die naar beneden dalen en je in pure liefde meenemen.

“Ik hoop,” zei ik zacht, “dat de zielen die hier nog zijn snel hun blauwdruk kunnen opruimen en terugkeren naar het licht. Dat ze eindelijk weer thuis mogen komen.”

“Dat hoop ik ook,” antwoordde de professor.

Er is nog zoveel meer te zien,” ging ze verder, “maar deze sfeer is bedoeld om te ervaren en op te ruimen.

Het is een geschenk van God, een mogelijkheid om in een sneltreinvaart terug te keren naar huis.

De volgende keer nemen we er meer tijd voor. Voor nu is deze reis voltooid.”

 

Ik was dankbaar dat ik dit nu met jou mocht delen, mama.

Dat we met andere ogen naar deze schemersfeer kunnen kijken.

We reisden langzaam weer omhoog en keerden terug naar de tunnel van licht.

Boven ons sloot hij zich en binnen enkele seconden stapten we eruit.

“Kom,” zei mijn Engel, “laten we naar de Groene Wereld gaan.

Dan kunnen we dit even van ons af laten glijden.”

Ik bedankte de professor en de Engelenwachters voor deze bijzondere reis.

Samen met mijn Engel vertrok ik naar de Groene Wereld.

Alles had diepe indruk op me gemaakt.

Ik voelde dat ik binnenkort mijn eigen blauwdruk mocht inzien, en mocht loslaten wat losgelaten mocht worden.

We stapten de Groene Wereld binnen en gingen tegen een boom aan zitten.

Ik keek omhoog en vroeg: “God, wilt U mij helpen mijn blauwdruk op te ruimen, zodat niet alleen ik, maar ook anderen bevrijd worden van onze ervaringen?”

Als antwoord regende een zacht gouden licht over mij en mijn Engel heen.

Mijn engel pakte mijn hand vast.

“We hebben alle tijd,” zei hij. “We gaan dit samen opruimen, Jesse.”

Een vlinder landde op mijn knie, sloeg een paar keer rustig met zijn vleugels en vloog weer weg.

We genoten van de hemel om ons heen, van alles wat zij ons liet zien.

En ik wil jou bedanken mama, dat je mijn reis hebt opgeschreven.
Tot morgen.