Mama, we hebben gisteren weer een prachtige reis gemaakt.
We zijn teruggekeerd naar het licht waarmee ik resoneer.
Heel even was ik verbonden met het gras, met de wolken en de regenbogen.
Het was fijn om iets voor mezelf te creëren.
Ik lag heerlijk te genieten en voelde mezelf langzaam de grond in zakken.
Ik voelde de energie van de aardmannetjes.
Ik liet het gebeuren en zag hoe de lagen van deze sfeer waren opgebouwd.
Ook deze wereld had meerdere sferen, en de aardmannetjes woonden, net als wij in een sfeer vol liefde. Maar hier was het veel donkerder.
Het licht kwam van lantaarns en fakkels.
Ik begreep het niet: ik dacht altijd dat donker slecht was, maar dat was dus niet zo.
Deze wezentjes konden, net als ieder ander, groeien naar een hogere liefdestrilling, en dat hadden ze gedaan.
Ze leefden alleen liever in hun eigen omgeving, zoals ze gewend waren.
Toen ik helemaal afdaalde naar de donkerste laag van mijn sfeer, stonden ze daar op mij te wachten.
Ik bedankte hen dat ze me hadden opgehaald en bekeek ze goed.
Ze zagen er vriendelijk uit; hun kleine gewaden golfden in het licht van de fakkels en lantaarns.
Eén van hen kwam naar voren en vroeg: “Lieve jongen, we hebben al kennis gemaakt met jou, maar we willen je vragen of je onze
wereld wilt zien.”
Hij keek me vragend aan.
Ze zagen er zo lief uit dat ik knikte en zei dat ik hun wereld graag wilde leren kennen en dankte hen voor de uitnodiging.
Ze draaiden zich om en liepen onder de grond voor mij uit.
Ik volgde hen. Mijn Engel liep naast mij en glimlachte.
“Ja,” zei hij, “als je de hemel gaat ontmoeten, moet je ook je eigen volk en je eigen sfeer leren kennen, met al haar lagen.”
Ik knikte. Ik was nieuwsgierig naar wat ik zou gaan zien.
We liepen achter de groep aardmannetjes door een tunnel.
Aan de wanden brandden lantaarns die uitgingen zodra we voorbij liepen.
Ik wist dat deze wezentjes een bepaalde graad van liefde hadden bereikt.
En weet je nog, mam, dat ik vroeger vaak tekende?
Kleine monstertjes die gevaarlijk waren.
Nu zag ik ze hier in een heel andere energie en bewustzijn.
Het was leuk om te zien dat ze echt bestaan en dat het geen fantasie is.
Want fantasie is niet iets wat niet waar is; het is eerder iets wat je je herinnert.
De tunnel was lang, en ze zongen een lied dat de stilte verdreef.
Het lied gaf aan dat we er bijna waren, zodat de anderen wisten dat hun gasten eraan kwamen.
Mijn Engel lachte.
In de verte zag ik licht: het einde van de tunnel.
Mijn nieuwsgierigheid werd nog groter.
In mijn aardse leven had ik dit soort wezens alleen in films gezien, maar nu zou ik een hele andere kant van deze vriendelijke wezentjes leren kennen.
We liepen het licht in en kwamen uit op een open plek midden in het bos.
De zon scheen, er hingen wolkjes boven ons en een grote menigte stond ons op te wachten.
Zeker honderd wezentjes keken naar mij: vrouwen, mannen en kinderen.
De mannen die mij hadden opgehaald droegen zilverkleurige gewaden, maar de wezentjes hier hadden gewaden in alle kleuren van de regenboog.
Ze zagen er vriendelijk uit en hadden haar, ze waren dus niet allemaal kaal, zoals de mannetjes die mij begeleid hadden.
Achter hen stonden kleine huisjes van gekleurde steentjes.
Het leek op Lego, maar dan veel mooier.
Gele, rode, blauwe, groene huisjes… geen kleur was hier vergeten.
Elk had een tuintje vol bloemen in verschillende kleuren.
Ik keek mijn ogen uit, dit had ik niet verwacht.
Ik ging op mijn knieën zitten om op gelijke hoogte te komen met de bewoners, want ik was veel groter dan zij. Lachend en juichend kwamen ze naar mij toe.
Ik voelde me zo gelukkig en moest meteen aan jou denken, hoe jij dit zou voelen en opschrijven.
Maar ik had weinig tijd om daarover na te denken, want de kinderen wilden met me spelen.
Ik begreep dat de mannetjes die mij hadden opgehaald, de wijze ouderen waren van dit volk.
Bewoners kwamen bij hen om raad, maar als ik de liefde voelde die hier aanwezig was, leek dat eigenlijk nauwelijks nodig.
Eén van de oude mannen kwam naar me toe en zei: “Wat je hier ziet klopt.
Niemand heeft onze raad echt nodig, maar toch geven wij les.
Je kunt ons vergelijken met professoren uit jouw sfeer.
In onze bibliotheek bewaren we de oude geschiedenis van ons volk.
Iedere sfeer heeft zo’n bron vanuit het licht.
We kunnen terugkijken, herstellen en nieuwe energieën toevoegen.
Zo zien we hoe onze reis is geweest, wat we hebben meegemaakt en wat we nog mogen ervaren.
Net zoals bij de mensen: we hebben dezelfde weg afgelegd, alleen wij vertrokken uit het duister.
Jij hebt gezien dat wij dat niet meer nodig hebben.
Wij kunnen het licht verdragen.”
Hij glimlachte. “Ga met de kinderen mee. Wees niet bang dat je te groot bent.
Het bos is groot genoeg. Ontdek onze wereld. Kijk waar je wilt kijken.
Zie dat onze wereld nog altijd bestaat, maar dan in het licht.”
Ik bedankte hem en keek naar mijn Engel.
“Ga je mee, Jesse? We gaan deze wereld verkennen,” zei hij.
Samen liepen we het bos in.
De bomen waren hoog en hun energie stroomde door de hele wereld.
De kinderen renden voor ons uit en riepen: “Kom, Jesse, hierheen!”
Ik merkte dat ik sneller moest lopen om ze bij te houden.
Ze waren klein, de kinderen kwamen tot aan mijn knie, de volwassenen tot mijn heup.
Ze leken op kabouters, maar toch ook niet.
Misschien zijn dit wel de kabouters zoals ze werkelijk zijn.
We kwamen bij een groot meer midden in het bos.
De hoge bomen stonden eromheen en het water weerkaatste de zon.
Het water had geen kleur; ik kon zelfs de bodem in het midden zien.
En tot mijn verbazing zag ik daar een stad onder water liggen: zilverkleurig, sprankelend en schitterend.
De kinderen gingen aan de kant staan en zwaaiden naar de stad.
Mijn engel glimlachte. Hij wist natuurlijk al wat ik te zien zou krijgen.
Toen begon het water te rimpelen. Iets kwam naar ons toe.
Eerst kon ik het niet goed zien door het licht op het water, maar toen kwamen er gezichtjes boven.
Ze zagen er vriendelijk uit en zwaaiden naar de kinderen.
Toen ze mij zagen, kwamen ze gezamenlijk naar me toe.
“Welkom, Jesse, in onze wereld,” zeiden ze.
Mama, ik geloof dat ik jouw Waterengelen heb ontmoet.
Ze waren zo mooi, net zoals jij ze hebt beschreven.
Hun lange, witte haar dreef over het water.
Hun lichaam was zilver bij het hoofd, liep over in lichtgroen en naar donkergroen bij de staart.
Hun zilverkleurige vleugels glansden in parelmoer.
Hun grote zwarte ogen waren niet eng, maar zacht.
Ze droegen sieraden, heel veel sieraden.
Eén van hen vroeg: “Jesse, mag ik je iets vragen?”
Ik knikte. “Waarom ben je niet met je moeder mee gereisd in haar boek toen zij onze broeders en zusters ontmoette?
Dan had je onze wereld al gekend en onze liefde voor haar gevoeld.
Zij heeft ons tot leven gebracht met haar woorden.”
Ik was verbaasd en keek naar mijn Engel, die alleen maar glimlachte.
Ik stamelde: “Ik weet het niet zo goed…
Misschien kwam het door boosheid in mezelf.
Ik wist weinig van wat mijn moeder schreef.
Ik zat volledig in een andere wereld.
Maar sinds ik hier ben, heb ik haar reizen gezien.
Ik ken haar reis. Ik weet wie jullie zijn.”
Ze begonnen te lachen.
“O, Jesse, we maakten maar een grapje.
We wilden zien hoe je zou reageren.
Maak je geen zorgen.
Het leven loopt zoals het moet.
Soms vraag je je achteraf af of je het goed hebt gedaan, maar als je geen andere wegen inslaat, ontdek je niet hoe het leven naast je eigen pad eruitziet.
Tenslotte is dat ook je pad.”
Toen zeiden ze: “Wij zijn de Waterengelen van de hemel.
Je moeder wist dat wij bestonden, maar niet dat wij ook in de sfeer wonen.
Dat is ook voor haar een verrassing.
Ze heeft prachtige reizen gemaakt en zal nog zoveel meer schrijven: jouw avontuur, maar ook andere verhalen.
Ze schrijft op een simpele maar liefdevolle manier.
Wie haar woorden leest, begrijpt de wereld waaruit ze schrijft.”
Daarna haalde één van hen iets tevoorschijn en reikte het aan mij aan.
Het was een blauw-met-zilveren beeldje van een Waterengel, aan een zilveren ketting.
“Een cadeautje van ons,” zei ze.
Mijn Engel deed de ketting om mijn hals.
“Nu ben je altijd met ons verbonden, net als je moeder.”
Toen vroeg de Waterengel: “Wil je met ons in het water komen?
Dan zullen we je onze wereld laten zien.”
Ik deed mijn kleding uit, legde die op een steen en zakte in het warme, zachte water.
“Kom,” zei de Waterengel, “ga met ons mee.”
Ik keek nog even naar mijn Engel, die op de oever stond.
“Geniet van je reis,” zei hij. “Ik ben hier als je terugkomt.”
Ik zwom met de Waterengelen naar het midden van het meer, waar ze onder water doken.
Ik merkte dat ik me geen zorgen hoefde te maken om adem: in de hemel kun je niet sterven.
We zwommen naar de zilveren stad, hoog en vol openingen waar je in en uit kon.
Op de wanden groeide koraal dat in het zonlicht schitterde.
We zwommen naar een groot gebouw in het midden van de stad en gingen naar binnen.
Hoge pilaren vol parels, een vloer van wit marmer.
In het midden stond een gigantisch kristal, groter dan ik.
De Waterengelen verzamelden zich eromheen.
“Leg je handen maar op het kristal,” zei een van hen.
Ik deed het, maar trok ze meteen terug omdat ik een schok voelde.
“Probeer het nog eens,” zei ze. “Het is even wennen.”
Ik raakte het voorzichtig opnieuw aan, eerst met één vinger, toen met twee, en langzaam met mijn hele hand.
De energie was sterk, maar liefdevol.
Toen ik beide handen op het kristal legde, voelde ik een kracht die ik niet kon plaatsen: zuiver, lief, maar enorm sterk.
Ik deed mijn ogen dicht en zag jou, mama.
Jou, die mijn woorden opschrijft, die mij altijd wil beschermen, die mij altijd liefde geeft, die me wil omarmen.
Ik opende mijn ogen weer.
“Kom,” zei de Waterengel.
We zwommen naar een trap waar ik op kon zitten.
De anderen gingen om mij heen zitten.
“Wat je zojuist hebt gevoeld, is moederliefde,” zei ze.
“Moederliefde heb je gekregen, maar tijdens je leven heb je het niet meer geaccepteerd.
Wat je moeder ook deed, je stootte het af.
Je probeerde haar uit je hart te gooien, maar dat lukte niet, jullie zijn namelijk altijd verbonden.
Iedere mens is verbonden met zijn of haar moeder, zelfs als je haar nooit hebt gekend.
Ook jouw moeder probeerde ooit de band met haar moeder te verbreken, maar via haar innerlijk kind, Sanne, heeft ze de Universele Moeder ontmoet.
Nu weet ze dat de Universele moeder met haar verbonden is en kan ze haar pijn om haar eigen moeder loslaten.”
Ik luisterde ademloos. “De moeder is belangrijk,” vervolgde ze.
“Ze beschermt haar kinderen, en wij zijn allemaal haar kinderen.
Ze rust niet voordat iedereen thuis is.
De universele moeder heeft kinderen die al oud zijn; zij dienen als voorbeeld.
Jij koos in het aardse leven vooral voor mannelijkheid.
Je vocht, je was stoer, je wilde een echte man zijn.
Maar als kind koos je ooit voor de vrouwelijke kant. Die ben je kwijtgeraakt.
Die onbalans mag je nu herstellen. Het één kan niet zonder het ander.”
Toen vroeg ze: “Wil je op het altaar gaan liggen?
Wij kunnen je helpen jouw mannelijke en vrouwelijke energie in balans te brengen.”
Ik knikte. “Ja,” zei ik. “Ik wil in balans komen.”
Ik ging op het altaar liggen.
Het was van marmer, versierd met parelmoer en de kristallen hadden dezelfde energie als de moeder kristal.
De Waterengelen zwommen eromheen.
Ze begonnen te hummen, net zoals jij beschreef in je boek.
De ene groep volgde de andere.
Het hummen werd sterker en sneller.
Ik voelde warmte over me heen komen.
Ik zag mezelf van een afstand liggen, omringd door licht.
De grote moederkristal maakte contact met de kleine kristallen van het altaar, alsof het haar kinderen waren.
Honderden stralen licht stroomden ertussen.
Toen begon één Waterengel te zingen.
Het was zo mooi, zo zuiver, dat het me ontroerde.
De stralen werden groen en alles baadde in licht en liefde.
Ik voelde de liefde die ik uit mijn leven had verbannen, de liefde die ik nooit meer wilde voelen in me terugkomen.
Het stroomde door me heen, richting de moederkristal.
Het zingen stopte.
“Jesse,” vroeg de Waterengel, “wil je de moederliefde ontvangen?
Wil je beide energieën toelaten in je hart?”
Mama, ik huilde en knikte ja.
Honderden energielijnen verzamelden zich tot één grote bol van groen licht, die boven het kristal ging zweven.
De energie wiegde me heen en weer.
Het hummen begon weer en op de achtergrond zongen de Waterengelen zacht.
De bol licht kwam los en zweefde boven mijn lichaam.
“Doe je ogen open,” zei één van hen.
Ik opende mijn ogen en zag een vrouw boven me zweven met groene ogen, rood haar versierd met smaragd, een jurk vol edelstenen, en een gezicht zo puur en liefdevol dat het me overspoelde.
“Alle vrouwen zijn een deel van mij,” zei ze, “zoals ik een deel ben van de Schepper.
Jij bent mijn kind en mijn broeder, net als je moeder mijn kind en zuster is.
Ben je klaar voor gelijkheid?
Ben je klaar voor onvoorwaardelijke liefde?
Ben je klaar om jezelf te ontmoeten?”
Ik was zo blij, zo geraakt. Ik knikte opnieuw.
Langzaam zakte ze naar beneden en haar energie versmolt met de mijne.
Ik voelde haar liefde, haar rust, haar zachtheid, haar kracht.
Ik voelde me vrij, geliefd, thuiskomen in mezelf.
Toen ze zich weer losmaakte, voelde ik meteen het verschil.
Ik dacht dat mijn zwaarte al weg was, maar nu voelde ik pas hoeveel liefde ik had gemist.
“Dit is moederliefde, Jesse,” zei ze.
Ze raakte mijn hart aan en liet haar liefde daarin achter.
Toen keerde ze via de moederkristal terug naar haar eigen wereld.
De Waterengelen hielpen me overeind.
“Het is tijd om terug te keren,” zeiden ze.
“Je kunt altijd terugkomen. Maar dit was het belangrijkste.”
Ik zwom naar boven en voelde me sereen en vrij.
Aan de oever stonden de aardmannetjes met lantaarns het was inmiddels donker geworden.
Het licht spiegelde over het water.
Ze klapten toen ik boven kwam. Ze wisten wat ik had mogen meemaken.
Mijn Engel stond daar, blij, en sloeg zijn armen om me heen.
“Nu ben je echt thuis, jongen,” zei hij.
We liepen naar de open plek, terug door de tunnel, en de wijze mannen brachten ons terug naar het licht.
Ik bedankte hen.
Zonder hen had ik de Waterengelen en de moederliefde niet teruggevonden.
Mama… ik zie jou nu anders dan gisteren.
Ik hield al van je, ik voelde jouw liefde, maar nu voel ik zoveel meer.
Dankzij deze reis kan ik nog meer liefde naar je sturen.
Onze verbinding is nu sterker dan ooit.
Dit was onze eerste reis, en Universele moeder heeft ons voor altijd verankerd.
Je zult nooit meer uit mijn hart verdwijnen. Dat beloof ik.
