Mam, graag wil ik je vertellen over de wereld waarin ik nu ben.
Ik vertelde je al dat ik in de wereld van licht terecht ben gekomen, via een gouden tunnel.
Ik heb je verteld over de prachtige paleizen van kristal en goud, en over de gouden paden die door deze sfeer heen lopen.
Over de Engelen en andere lichtwezens die daarover wandelen.
Hier zijn ook Meesters: mensen die niet meer naar de aarde terug hoeven en die hun aardse leven hebben voltooid.
Zij verblijven in deze sfeer en in de sferen daarboven.
De bloemen die ik hier zie zijn hemelse bloemen, en de energie die in deze wereld hangt is zuiver en liefdevol.
Ik voel me hier echt thuis; ik voel dat ik hier hoor.
Nu kijk ik verwonderd om me heen.
Dit is het paradijs.
Mijn Engel lacht. Hij wist dat deze sfeer op mij wachtte.
Hij was, net als ik, lang van huis weggeweest.
En hij is blij om terug te zijn.
“Zal ik je rondleiden?” vraagt hij mij trots.
Ik glimlach en knik.
We stappen samen op een gouden pad, en opnieuw voel ik hoe de energie door mij heen stroomt.
Deze energie spoelt me schoon van alles wat ik heb meegemaakt.
Kleine, oude en pijnlijke herinneringen die ik al heb mogen inzien en waarin liefde is gekomen, worden nu met elkaar verbonden.
Ik voelde het gebeuren.
Ik voelde hoe deze energie alle kleine stukjes liefde met elkaar verbond.
Het is moeilijk uit te leggen, mama, maar zie het als een hart.
In je hart draag je al je ervaringen mee.
De zwaarte van het leven zie je voor je ogen oplossen.
En voor elke zwaarte die verdwijnt, komt hemelse liefde in de plaats.
Mijn hart zat vol met deze kleine stukjes liefde, mam.
Nu ik op dit gouden pad stond, werden deze stukjes met elkaar verbonden en kreeg ik een hart van zuivere liefde.
Heel even sloot ik mijn ogen om te voelen hoe ik me voelde.
Ik was dankbaar.
Ik voelde God zo dichtbij, en ik kreeg tranen in mijn ogen.
Ik huilde uit pure dankbaarheid.
Nog nooit had ik zoiets moois ervaren.
Nog nooit had ik de Schepper van al dit licht zo dichtbij in mij gevoeld.
Ik keek mijn Engel dankbaar aan.
Hij pakte mijn beide handen vast en zei: “Welkom thuis, jongen.”
We liepen verder over het gouden pad, tot we bij een prieel kwamen dat midden in het groene gras stond.
Het was van goud, met ramen van kristal die schitterden in het licht.
Langs de wanden groeiden bloemen omhoog, roosachtig van vorm, maar groter dan op aarde.
Hun rood was dieper, voller, bijna lichtgevend.
Niet alle ramen waren van kristal; sommige waren van goud.
Als je daarin keek, zag je beelden verschijnen—beelden waar je om kon vragen.
We liepen naar binnen.
In het midden van het prieel stond een bankje.
Mijn Engel wenkte me om te gaan zitten en wees me vervolgens op het gouden raam.
Dit raam was breder en groter dan alle anderen.
Ik keek… maar zag niets.
Hij lachte zacht.
“Deze lichtwereld is groot,” zei hij.
“Ik zou je overal mee naartoe kunnen nemen, maar ik kan het je sneller laten zien in beeld. Daarna zul je horen en zien wat jouw taak hier zal zijn.
Iedereen die hier aankomt, heeft een taak.
We hebben dierbare mensen en werelden achter ons gelaten die geholpen mogen worden.
Ik zeg mogen, omdat alles wat de mens nog leert op aarde, hier óók geleerd mag worden—maar dan van deze kant bekeken.
Alsof ze op school zitten. Maar kijk eerst naar het beeld.
Dan zul je begrijpen waarom het zo belangrijk is dat wij terugkeren om te helpen.”
Ik richtte mijn blik opnieuw op het gouden raam.
Langzaam ontstond er een beeld.
Ik zag een foto van deze sfeer: het prieel waarin ik nu zat, en mijzelf naast mijn Engel.
Opeens begon de foto te bewegen.
Ik zag hoe mijn Engel en ik opstonden en naar buiten liepen.
Het was zo vreemd om te zien.
Ik zag mijzelf dingen doen die ik nog helemaal niet gedaan had.
Ik kon het niet bevatten, maar mijn Engel zei: “Kijk jongen… kijk.”
We liepen door deze wereld en het beeld volgde ons.
Ik ging gebouwen binnen en zag hoeveel wijsheid er aanwezig was.
Wanneer ik vragen had, kon ik daar de antwoorden vinden.
Engelen liepen rond als professors, met een soort doorzichtige, maar toch niet-doorzichtige hoeden op.
Je kon zien dat zij hier thuis hoorden: zij droegen de kennis en de wijsheid.
Het was vreemd, mam, want ik hoefde hier niet te praten—de energie vertelde me alles.
Ik keek om me heen en het was magisch.
Werkelijk, ik keek mijn ogen uit.
Ik moest lachen toen ik mezelf in deze film zag.
Ik verkende deze sfeer in een sneltreinvaart: groot, licht, vol liefde en kleuren.
Maar ik vertel er nu weinig over, omdat ik dit later uitgebreid aan je wil vertellen.
Ik hou je nog even in spanning, haha.
Toen stopte de film. Een nieuwe foto verscheen.
Ik schrok, want het was een foto van jou.
De foto kwam tot leven.
Ik zag jou in bed liggen, op je zij, met je schrijfboekje op een kussen.
Je schreef de woorden op die ik je zojuist had doorgegeven.
Je glimlacht.
Je schreef zoveel: elke gedachte, elke zin die ik je vertelde, noteerde je.
Ik zag hoe jij mijn ervaringen in de hemel opschreef.
Ik zag mijzelf door alle lagen heen lopen, met mijn Engel aan mijn zijde, terwijl ik jou hierover vertelde.
Zo hielden we contact.
Ik zou jou de hemelen laten zien, en jij zou het doorgeven aan de mensen die het willen lezen.
Daarna zag ik jou later—oud. Alleen.
Je had je hart geheeld.
De zwaarte had je achter je gelaten.
De stukjes liefde lagen weer naast elkaar en vulden de lege plekken op.
Je was oud, maar je schreef nog steeds over mij.
Ik zag dat jouw naam mensen hoop gaf, dat het hun angst voor de dood verzachtte.
Dat de zwaarte in hun hart lichter werd, en liefde weer naar binnen mocht.
Dat is wat jij en ik mogen doen, mam.
De film stopte en ik keek mijn Engel aan.
Hij pakte mijn hand, lachte en zei: “Wij gaan je moeder voorbereiden op haar taak.
Allereerst zal ze de zwaarte moeten loslaten die ze nog met zich meedraagt.
Zonder die zwaarte kan ze de sferen niet volledig voelen en opschrijven.
Veel mensen die ze liefhad zijn naar de sferen gegaan, maar ze lieten haar met pijn achter.
Die zwaarte mag nu loskomen.
Wanneer die verdwijnt, wordt zij lichter.
De mensen die binnenkort overgaan, zullen haar als eerste bezoeken en om vergeving vragen.
Wij zullen samen met haar één voor één deze mensen naar voren brengen, zodat ze het oude karma kunnen oplossen.
Daar willen we zo snel mogelijk mee beginnen.
Wanneer deze mensen hun zwaarte inruilen voor liefde, zal ook de zwaarte in haar hart veranderen.
Ze zal hen zó liefhebben.
Als alle mensen zijn geweest—en bij de één heeft ze meer los te laten dan bij de ander—dan kunnen wij met haar afdalen in de
sferen.
De mensen die tijdens het schrijven het aardse voor het hemelse kiezen, zullen we meteen oppakken, zodat ze kunnen loslaten.
De nieuwe fase begint.
Je moeder mag nu haar hart helen, en dat is een geschenk van God.
Dit geschenk wordt geleid door Meesters en lichtwezens.
Het is een teken van liefde—voor je moeder, voor jou, en voor alle mensen op aarde.
Een teken van onvoorwaardelijke liefde.”
Mama… het is zo mooi wat er gebeurt.
Het draagt een hoge liefdestrilling en het is een geschenk, een geschenk van God.
Ik voel God dichtbij, en dat gevoel schenk ik jou.
Ik ben hier nu, omgerekend in aardse tijd, al een aantal dagen.
Maar eigenlijk bestaat tijd hier niet. Het voelt anders.
Er is geen nacht, dus slapen is niet nodig.
Toch kunnen we rusten wanneer we willen.
En er zijn prachtige bloemenwerelden waar ik in mag liggen.
De bloemen hier zijn anders dan alles wat ik op aarde ooit heb gezien.
Ze zijn hoog en groot, bijna majestueus.
Je stapt hier niet zomaar van je gouden pad af om tussen hen te gaan liggen.
Nee, je vraagt het aan hen.
En mam… je gelooft het misschien niet, maar de bloemen gingen opzij!
Alsof ze konden lopen.
Ze kwamen omhoog, zetten zich op hun wortels in beweging en liepen tussen de andere bloemen door.
Het hele veld herschikte zich zodat iedereen weer voldoende ruimte had.
Het was alsof het hele bloemenveld speciaal voor mij in beweging kwam.
Op de plek waar de bloemen hadden gestaan, bleef alleen zacht gras over.
Ik knielde en streek met mijn hand over de grassprieten.
Ze bewogen met mijn hand mee, alsof ze reageerden.
Ik vroeg of ze het fijn vonden als ik op hen kwam liggen.
Het antwoord voelde ik als een zachte, vriendelijke energie in mij.
Ik ging op mijn rug liggen.
Het gras kietelde onder mijn lichaam.
De sprieten waaierden heen en weer en het voelde alsof ik een zachte massage kreeg.
Ze vibreerden mee op mijn energie en wiegden me langzaam, ritmisch heen en weer.
De bloemen rondom me stonden met gebogen kopjes over me heen.
Pas toen merkte ik dat ik met hen kon praten.
Het waren vrolijke juffertjes, bijna als een stel jonge meisjes.
Ze vertelden dat ze als groep door deze sfeer trokken, dat ze soms hier stonden en soms daar, net zoals zielen die de verschillende sferen mochten verkennen.
Ik was verbaasd, maar tegelijk voelde het alsof ik het begreep.
Ze vertelden dat ze een lange reis hadden afgelegd.
Dat ze in de onderste sferen waren begonnen, waar de mensen die daar terechtkomen vaak nog barbaren zijn.
Velen van hen waren door die barbaren kapotgemaakt.
Maar het bijzondere van deze hemel is dat ze meteen weer heelden.
Ze konden niet werkelijk stukgemaakt worden.
Wat er ook gebeurde, de bloemen kwamen telkens weer terug.
Door al die ervaringen groeiden ze en stegen ze net als alle zielen op naar hogere sferen.
Nu ze hier waren, konden ze eindelijk echt genieten van het bloem-zijn.
Ik bedankte hen voor hun verhaal, en de juffertjes giechelden vrolijk terug.
Toen keek ik omhoog.
Er is hier geen zon en er zijn geen wolken; er is alleen licht.
Af en toe zag ik lichtflitsen die zich razendsnel verplaatsten.
Inmiddels herken ik ze.
Het zijn lichtwezens die zich met de snelheid van het licht voortbewegen.
Het is hier vredig, en ik merk dat ik steeds vaker de stilte opzoek.
Aan de drukte van de mensen en de vele Engelen moest ik even wennen.
Het is een grote overgang, mama, om in tien weken naar hier te komen.
In die korte tijd mocht ik het aardse loslaten.
De energie in mij is hoog, de vibratie snel, en toch ben ik nog aan het bijkomen van de reis.
Ik had verwacht dat ik meteen de verschillende werelden zou mogen bezoeken, zodat ik jou alles kon laten zien.
Maar mijn Engel zei dat ik eerst moest genieten van het hier-zijn.
Ik denk terug aan de mensen die ik hier in de sferen heb mogen ontmoeten.
Mijn vader en opa stonden op mij te wachten toen ik mijn lichaam had verlaten.
Zoveel bekenden waren mij al voorgegaan, maar ook zielen die ik in eerdere levens had ontmoet.
Het is vreemd, maar je herkent elkaar onmiddellijk.
De eerste week na mijn overlijden was ik veel bij jou, mama.
Ik had mijn aardse lichaam nog maar net achter me gelaten en keek, samen met mijn Engel, naar de verdrietige mensen.
Ik moest mijn overgang goed afronden door alles nog één keer bewust mee te maken.
Ik was vaak bij jou, mama, en ik zag jouw verwarring.
Aan de ene kant voelde je me haarfijn aan, maar aan de andere kant was er ook ongeloof.
Ik bezocht vrienden en familie, maar het meest was ik bij jou en mijn zusje.
Ik hielp je met het schrijven van de dienst en zelfs met het kiezen van de muziek.
Ik zag de schitterende bloemen en ik maakte de crematie mee.
Ik ben bijna niet van je zijde geweken.
We hebben nog steeds dagelijks contact, en dat voelt goed.
Ik weet dat veel mensen verlangen naar een teken van een dierbare in de hemel,
en ik hoop dat mijn woorden een beetje troost kunnen brengen.
Zodra je aan mij denkt, ben ik bij je.
Dat geldt niet alleen voor ons, maar voor iedereen die contact zoekt met iemand daarboven.
Nu denk ik terug aan de aarde — hoe mooi ze eigenlijk is.
Ik miste zelfs de wolken, en dat raakte me.
Hier heb ik geen wolken gezien.
Alles verschijnt alleen wanneer je het zelf wilt zien.
Ik had hier nog niets gecreëerd, zoals ze dat noemen.
Niemand maakt hier echt een huis.
Er staan wel prachtige gebouwen van kristal en goud, waar je zomaar naar binnen kunt lopen, maar het zijn geen huizen om in te wonen.
Ik merkte dat ik weinig behoefte had aan het creëren van aardse dingen,
maar de wolken miste ik toch.
Dus sloot ik mijn ogen en vroeg me af of ik het eens moest proberen.
Of het echt kon.
Ik richtte mij tot het hoogste Godslicht en vroeg of er boven mij wolken mochten verschijnen.
Toen ik mijn ogen opendeed, zag ik er honderden.
Elk had een andere vorm.
Ik schoot in de lach.
Mijn Engel vloog zelfs voorbij in de vorm van een wolk en zwaaide naar me.
Daarna veranderden alle wolkjes in kleine schaapjes.
Mama, je had ze moeten zien! Ze sprongen zelfs over een sloot.
Ik kwam niet meer bij van het lachen.
Mijn Engel ging naast me staan en zei: “U had gewenst, meneer?”
De schaapjes sprongen verder, en langzaam verdwenen de wolkjes.
Hij liet zich in het gras zakken en zei: “Het is mooi om iets van de aarde even terug te halen, maar je ziet dat het hier ook
weer vervaagt.
Daarom zijn er sferen.
Als die er niet waren, zou de hemel net als de aarde zijn.
De sferen zorgen ervoor dat iedereen kan groeien op het niveau dat bij hem past.
De vibratie van de ziel bepaalt waar zij terechtkomt.
Zielen met een lage vibratie kunnen niet hierheen, maar wij kunnen wel naar hen toe.”
Toen nodigde hij me uit om mee te gaan naar de studiezaal.
“Daar kun je alles ontdekken over de lagere sferen.
Lees, kijk, stel vragen. Bereid je voor voordat we afdalingen maken.”
Ik keek hem vragend aan.
Waarom moest ik me voorbereiden?
Hij glimlachte.
“Wat je daar gaat zien, is iets dat jij zelf ook ooit bent geweest.
We gaan terug naar een tijd waarin jouw vibratie overeenkwam met die laagste sfeer.
Het is heel lang geleden, maar je droeg er nog een herinnering aan in je aardse leven.”
Hij doelde op dat leven waarin ik een man was die met houten schepen de zee op ging, met een baard en de wind in zijn gezicht.
"Een Viking, zoals jullie dat noemden.
Die herinnering kwam in jouw aardse leven nog even terug, maar we gaan nog verder terug.
Ik had je eerder verteld dat de allerlaagste sfeer niet meer bestaat, maar dat er nog wel een blauwdruk van is.
Die gaan we bekijken in de studiezaal.
En daarna bezoeken we samen de laagste sfeer die nog wél bestaat.
Mijn jongen,” zei hij zacht, “wil je met me mee, zodat ik je kan voorbereiden op je eerste reis?
We gaan naar de donkerste werelden van God.”
Ik schrok even, maar herstelde me meteen.
“God is alles,” zei hij, “en zijn licht is sterk.
Het licht kun je pas echt zien als er donker is.
Maar dat komt later.”
Hij stond op en reikte me de hand. “Kom, we gaan.”
En zo, mama, begin ik aan de voorbereidingen voor mijn eerste reis.
